The heat is on…

The thing with heat is, no matter how cold you are, no matter how much you need warmth, it always, eventually, becomes too much. – Victoria Aveyard

Dag 83:

Als je ooit in Vila Vicoza terecht komt, neem dan een overnachting in Casa do Colegio Velho. Prachtig huis, prachtige badkamer (ik heb nog nooit zoveel marmer gezien) en een optimale gastvrijheid. De eigenaresse lijkt wel een adellijke freule en komt ’s ochtends nog even in haar peignoir bij ons ontbijt zitten om verhalen te vertellen over vroeger. Als we vertrekken krijgen we een doosje met zelf gebakken cake mee.

Wij gaan eerst richting Elvas en dat begint met een afdaling waarmee we de eerste tien kilometer nauwelijks wat hoeven doen. Tijd voor koffie dus en dat hebben ze in Sao Romao, waar de oude mannetjes op een bankje sterke verhalen zitten te vertellen maar stilvallen als Mevr. van der Veeke met haar helm-hoed langs komt.

In Elvas zoeken we het Amoreira aquaduct op dat in de 16e eeuw gebouwd is om de stad van water te voorzien. Een indrukwekkend bouwsel zoals het er nu zelfs nog staat. Ze moesten wel want de enige voorziening was een antieke Moorse waterput. Verder is Elvas een vestingstad en dat kunnen we zien aan de dubbele muren en poorten. Het was lastig binnen komen hier. Niet alleen door de poorten, we moeten er ook een flink stuk voor omhoog. Ondanks dat het een Unesco site is, vind ik het geen stad met een bijzondere uitstraling.

Wat omhoog gaat, moet ook weer naar beneden dus de eerste kilometers naar Badejoz krijgen we cadeau. Het landschap is hier zo mogelijk nog leger. Badejoz is Spaans, dus we gaan hier ook weer de grens over en verliezen meteen een uur. Dat vinden we op zich niet erg want dan zijn we vanaf nu vroeger op pad en dan is het nog relatief koel.

In Badejoz heb ik een hostel geboekt maar daar is wat mis. Wat begrijp ik niet want we lopen hier meteen weer tegen de taalbarrière aan. Mijn Spaans is rudimentair en hun Engels is niet bestaand. Maar we zijn in een ander hostel geplaats, een klein stukje verderop. En de meneer daar spreekt Engels én heeft net een leerboek Nederlands aangeschaft. Verder is hij erg vriendelijk en behulpzaam. De fietsen kunnen op de binnenplaats en wij kruipen in de kamer met de airco aan.

Tegen de avond gaan we de stad in. Badajoz is de grootste stad van de Extremadura en zo dicht bij de grens heeft het vele vijandelijke schermutselingen meegemaakt. Gelukkig is het centrum redelijk compact zodat we een rondje kunnen maken over het Plaza de Espana, Plaza Alta, de Alcazaba de Bajoz (Moorse vesting) en de leuke straatjes in de stad.

Tegen zeven uur beginnen we wel wat trek te krijgen, maar we moeten weer wennen aan het Spaanse ritme. De eetgelegenheden gaan hier pas om negen uur open. Dat valt niet mee. Gelukkig kan er wel gedronken worden en tapas besteld. Ik heb het gevoel dat we hier de enige toeristen zijn, zo ver in het binnenland. Vandaar dat niemand een andere taal dan Spaans spreekt, zelfs de jongelui niet. Wat ze wel veel doen hier is erg luid praten. Met name het personeel in een bar zit tegen de schreeuwgrens aan als ze wat tegen elkaar zeggen. Voor morgen hebben we een flink traject op de rol staan. Maar wel vlak én langs het water. En hopelijk kunnen we dan weer kamperen. Dan kunnen we tenminste zelf bepalen hoe laat we willen eten.

Dag 84:

Om de hitte te ontlopen willen we zo vroeg mogelijk op pad. Ik heb de wekker op half zeven gezet maar zie dat het dan nog donker is. Pas om kwart over zeven komt de zon op. We draaien ons nog een keer om en zitten om acht uur op de fiets.

Het is fiks bewolkt en even lijkt het alsof het gaat regenen. Maar dat is schijn. Uiteindelijk blijft de bewolking tot een uur of een. Na tweeën is het weer erg warm. Maar dan hebben wij onze 70 kilometer er al opzitten. Vlak buiten Badajoz komen we bij het Canal de Montijo en daar blijven we ook zo’n 60 kilometer naast zitten. Soms links en soms rechts. Het water wordt gebruikt om de landbouw te voorzien. We zien veel mais, rijstvelden, olijf- en fruitbomen hier. Mevr. van der Veeke kan het niet laten om een pruim te stelen. Hij blijkt later heerlijk te smaken.

Merida is de hoofdstad van de Extremadura en is een verzamelplaats van oude Romeinse overblijfselen. Maar er zijn ook nog veel Moorse invloeden te zien. We komen binnen via de Romeinse brug en zien op de heuvel de Alcazaba al liggen. In deze stad struikel je over de Romeinse brokstukken. Je moet wel bijna overal voor betalen als je ze wilt zien. Dat willen wij niet (het betalen én het zien) dus we fietsen even langs een paar high-lights waarvan de tempel van Diane de mooiste is.

De camping blijkt aan de snelweg te liggen, dus we moeten een stuk over de vluchtstrook. En daar zitten we in de schaduw de middag uit. ’s Avonds koken we onze eigen maaltijd, zoals gepland.

Dag 85:

De routine van het opstaan zit er nog niet helemaal in. Ik ga er om zeven uur uit, maar om half negen zitten we pas op de fiets. Wat gebeurt er dan in die tijd? Nou, opstaan (beiden), douchen (ik), yoga (Mevr. van der Veeke), slaapspullen opruimen (Mevr. van der Veeke), ontbijt maken (ik), afwassen (ik), tassen inpakken (beiden), tent opbreken (beiden) en vertrekken (beiden). Het blijkt dat we daar gewoon anderhalf uur voor nodig hebben. Morgen maar weer wat vroeger eruit.

Het begint helaas als een stralende dag. Gisteren hadden we ’s ochtends nog wat bewolking waardoor het langer koel blijft. Vandaag gaat de koperen ploert meteen op volle kracht. Misschien omdat het voor ons een feestelijke dag is, want we zijn 31 jaar getrouwd.

Trouwdag selfie.

Qua route is het niet bijzonder. We zitten veel op of langs een drukke weg. Na een kilometer of 15 komen we weer langs een kanaal. Deze keer is het Canal de Orellana. Er stroomt flink wat water in om de velden te voorzien van water. Alleen het gurgelen van het water geeft al verkoeling. Maar het is in werkelijkheid ook gewoon koeler langs het water.

We hebben een korte dag van 40 kilometer. Hier in het binnenland zijn weinig campings en vaak liggen ze te dichtbij of te ver. Zelfs het vinden van andere accommodatie is een probleem waar ik veel tijd aan besteed. Op de afstanden die wij willen (en kunnen) fietsen is niets (betaalbaars) te vinden. Maar uiteindelijk is het gelukt door er vandaag een korte dag van te maken, morgen iets uit de route te gaan en overmorgen hebben we dan weer een camping. Ook de boodschappen doen is plannen. Voor negen uur en na twee uur zijn de winkels gesloten. In de periode dat ze wel open zijn, moeten we maar net door een dorpje komen. Het wordt steeds leger, dus ook steeds lastiger om brood en beleg te vinden.

Maar de korte dag is helemaal niet erg. We zijn lekker vroeg op de mooiste Spaanse camping tot nu toe. Camping E.L. 301 even voor Miajadas heeft een groen grasveld, een plekje tussen de bomen, een zwembad en een (weg)restaurant. Van de kinderen hebben we wat geld gekregen om deze feestelijke dag te vieren en daarmee kunnen we precies het menu del dia betalen. Maar de camping ligt ook langs de snelweg (niet heel storend) en we moeten hier € 4,30 voor de fietsen betalen. Heel bijzonder.

We buiken uit in de schaduw en af en toe een bezoek aan het zwembad. Ik geloof dat we een goede manier hebben gevonden om de warme middagen door te komen.

Dag 86:

Het lijkt erop dat we nu de juiste opsta-tijd hebben gevonden. Mevr. van der Veeke is er om zes uur uitgegaan om yoga te doen. Ik draai me nog een half uurtje om en daarna begint het inpak en ontbijt circus. Ruim voor 8 uur zitten we op de fiets. Het is nog 19 graden dus lekker koel. Zelfs de zonnebloemen zijn nog niet wakker.

Vandaag komen we één plaats tegen; Miajadas. Het is het dorp van de tomaat. We zagen al eindeloze velden met (lage) tomatenplanten en die eindigen allemaal hier. Ze hebben volgende week zelfs een tomaten festival. We zijn nog te vroeg voor de supermarkt, dus we nemen eerst een koffie.

Daarna komen we weer langs het Canal de Orellana.

Een heerlijk rustige weg waar je eigenlijk niet in mag, dus we zien alleen maar verkeer dat met het kanaal te maken heeft. Een paar auto’s dus. En een kanaal-inspecteur op een brommertje dat langs tuft en even een praatje maakt. Hij waarschuwt ons om niet in het kanaal te gaan zwemmen, dat is gevaarlijk. Hij vraagt waar we vandaan komen en zijn mond valt open als ik hem onze route laat zien.

Om half een zijn we al op onze eindbestemming. We zijn vroeg op pad gegaan, het is vlak en Mevr. van der Veeke fietst tegenwoordig als Joop Zoetemelk / Bernard Hinault / Greg Lemont / Geraint Thomas (* doorhalen wat niet je favorieten zijn of kies afhankelijk van je geboortejaar). In Madrigalejo heb ik een hostel geboekt. We moeten hier wel zes kilometer voor omfietsen maar het is het waard. We krijgen een mini-appartementje met keuken, eettafel, bank, badkamer, bed én airco. En we mogen gebruik maken van de wasmachine. In de koelte van de kamer brengen we onze middag door waarbij ik alle tijd heb voor de foto’s, verslagen, mail en andere zaken.

Op de blog zie ik ook een kleine reden tot festiviteiten. De blog is meer dan 100.000 keer bezocht. Alle lezers bedankt. Dit geeft me het gevoel dat ik het niet alleen voor mezelf doe.

Huiswaarts

But after we have been travelling a long while, after too many nights in hotel rooms or on the beds of friends, we typically feel a powerful ache to return to our own furnishings, an ache that has little to do with material comfort per se. We need to get home to remember who we are. – School of Life.

Dag 77:

Met enige weemoed nemen we afscheid van ons huisje van de afgelopen dagen. Het voelde echt een beetje als thuis en de heerlijke ontbijtjes van Fabio en zijn vrouw zullen we nog zeker herinneren.

Het is leuk om in de ochtend door Sintra te fietsen. Het is nog niet druk, lekker koel en alles lijkt veel helderder. Een mooi stadje. Zeker het bezoeken waard.

Het eerste deel hebben we nog een klim naar 400 meter. Hiervoor moeten we wel, onder een hek door,  een privé-weg in waar verboden toegang op staat maar dan is het ook lekker rustig zonder auto’s en met veel schaduw. Want het is een warme dag vandaag. Aan het einde van het pad staat een hek met een ketting. Gelukkig lukt het me deze open te krijgen met wat prutsen. Daarna een heerlijke afdaling naar zee. We komen nog langs Cabo Raso waarvan gezegd wordt dat het het meest westelijke punt op het Europese vasteland is. Maar dat klopt niet als ik het later opzoek. De meest westelijke is Cabo da Roca wat iets noordelijker ligt.

Hierna moeten we een weg naar Lissabon zien te vinden. Uit eerdere ervaringen weet ik dat dit knap lastig is. Je hebt te maken met spoorlijnen, snelwegen, hoogteverschillen en wateren die je moet oversteken. En het aanwezige kaartmateriaal klopt niet altijd. Ik heb gisteravond al een hele puzzel gemaakt en ben er nog niet uitgekomen.

In de praktijk blijkt dat het grotendeels goed gaat. Een enkele keer moeten we een stuk over de vluchtstrook van de snelweg, soms op de stoep, langs een drukke weg of tussen de mensen door laveren. Een paar keer moeten we terug maar uiteindelijk komen we toch redelijk gemakkelijk bij de pont. Grote delen kunnen we over boulevards langs het strand en dat is werkelijk een feest. Het is hier schoolvakantie en mooi weer dus de stranden zijn feestelijk druk. We komen nog langs een paar mooie plekjes als Boca de Inferno (Hell’s mouth), de toren van Belem en het Padrão dos Descobrimentos .

De pont is onderdeel van het openbaar vervoer en is met zijn €2 p.p. erg goedkoop. De fiets mag gratis mee. In een half uurtje worden we overgezet naar Traferia. Daar fietsen we nog een klein stukje naar Costa de Caprica waar we neerstrijken op een van de campings. We zitten vlak aan het strand. Dit betekent zanderige plekjes, maar ook ’s avonds even met de voeten in de oceaan staan en op de boulevard een sangria te drinken. Het is fijn om weer op weg te zijn.

Dag 78:

Je hebt goede fietsdagen en je hebt minder goede fietsdagen. Die van vandaag valt in de laatste categorie. We hebben het Portugal deel afgesloten. Nu gaan we dwars door Spanje naar Avignon, in Frankrijk. Mevr. van der Veeke noemt dit deel ‘Het Iberisch avontuur’ op haar Polarsteps, een naam die ik graag adopteer. Het eerste deel is de Ruta Iberica . Dit is weer een van de routes van Benjaminse. Ik ben blij dat de man de moeite neemt om routes te maken. En minder blij met zijn keuzes soms. Ik vraag me dan af of hij hem zelf wel gereden heeft. Vandaag is dat er zo een. We hebben gekozen om via de oostkant af te zakken naar Setubal. Eerst zitten we een tijd langs erg drukke en erg slechte wegen. Veel auto’s en bussen met strandverkeer. Daarna leidt de route een deel door het Apostica gebied. Dit is een natuurreservaat zonder echte wegen. Op basis van stippellijntjes op de gps en vage omschrijvingen als ‘neem de opening over een klein heuveltje’ moet ik hierin mijn weg zien te vinden. Daarnaast is het allemaal los zand en moeten we de fiets hier kilometers doorheen slepen. En als we dan eindelijk weer kunnen fietsen dan is het stuiteren over de stenen en de boomwortels. Tel daarbij op dat de temperatuur boven de 30 graden is en je hebt een recept voor een ijzig klimaat en twee mopperende mensen.

Maar goed, aan alles komt een eind, dus op een gegeven moment komt het asfalt weer in zicht. Ik kan het wel kussen zij het dat hier een gestage rij auto’s overheen raast. Zo ploeteren we door via Alfarim. Hier kunnen we eindelijk een koffie doen en volkomen verdwaast zitten we een uur in het niets te staren. Het is inmiddels 35 graden dus naar buiten lokt ook niet echt.
Toch moeten we verder. Door bij elk café onderweg te stoppen, even in de schaduw te zitten en wat te drinken weten we te overleven. Het laatste stuk zitten we op gravelwegen. Niet zo fijn als asfalt maar het gebrek aan auto’s maakt veel goed. Hierdoor is het minder stressvol en kan ik weer wat aandacht voor de omgeving opbrengen.

Redelijk stuk komen we bij de camping in Picheleiros aan. Hij ligt erg mooi in ‘the middle of nowhere’. De grond is hier hard als beton met scherpe steentjes. En de schoonmaker is met vakantie. Waarschijnlijk al de afgelopen jaren. Maar we klagen niet want we staan in de schaduw en er is een terras waar we een koud biertje kunnen krijgen. ’s Avonds koken we ons maaltje en bij het geluid van de krekels vallen we in slaap. We hebben het weer overleefd.

Dag 79:

We zijn lekker op tijd op weg. De temperatuur is 15 graden lager dan gisteren, de lucht is grijs en er vallen af en toe wat druppen. Dit fietst toch iets fijner dan de hitte. In Setubal kunnen we zo aanschuiven bij de pont. We betalen €9, maar de communicatie is wat onduidelijk dus ik weet nu niet of ik voor een retour of een enkele reis heb betaald.

In Sol Troia leggen we aan. Het is een soort van schiereiland van 2 kilometer breed en 15 kilometer lang. Vroeger was hier niets, nu zijn ze het toerisme aan het ontwikkelen. Er zijn allemaal parken met vakantiehuisjes. Voor vier ton kun je er een kopen maar dan heb je wel een eigen zwembad(je) erbij. Voor de rest is hier niets in het Reserva natural do Estuario do Sado.  Alleen een weg waar wat auto’s over rijden als de pont is aangekomen. Aan de auto’s zie ik dat hier voornamelijk de rijken komen.

In Comporta vinden we eindelijk koffie. Veel winkeltjes met design dingen snuisterijen en wat hippe smoothie tentjes. Er gaat hier maar één weg naar het westen en die nemen we. Onderweg zien we veel zand waardoor de altijd lopende jukebox in mijn hoofd automatisch het liedje ‘Brandend zand’ van Annke Gronloh begint af te spelen. Maar we zien ook  kurkeiken, veel cactussen en, verrassend, rijstvelden. En door de rijstvelden ook veel ooievaars. Bij ons wordt voor elke ooievaar een paal opgericht maar hier lijkt het wel een plaag. Elke paal heeft een nest en de electriciteitsmasten meerdere verdiepingen met nesten.

Zo komen we bij Alcacer do Sal. Een oud plaatsje waar vijfduizend jaar geleden al mensen woonden. Lange tijd is hier zout gewonnen dat veel naar Nederland verscheept werd. Het is ons meest zuidelijke punt. Hemelsbreed zitten we nu zo’n 2200 km van Baflo. Vanaf nu kunnen we zeggen dat we weer naar huis aan het gaan zijn. We vinden hier een mooie camping waar ze zelfs nog grasveldjes hebben. Fijn om daar weer op te staan. Het weer is inmiddels opgeklaard en we zoeken de schaduw op. We zijn lekker op tijd dus we komen weer helemaal bij. Soms zit het tegen, maar vandaag zit het mee.

Dag 80:

We verlaten de camping , dalen af naar het dorp en slaan linksaf op de rotonde. Op deze weg blijven we de komende 30 kilometer. Het is een rustige weg met weinig autoverkeer. In het begin zien we nog wat rijstvelden maar later wordt het landschap gedomineerd door geel gras, kurkeiken met af en toe een olijfboom er tussendoor. De kurkeiken zien eruit als Donald Duck. Die heeft ook geen onderkleding aan. Het landschap gaat golvend op en neer en wij golven mee. Gelukkig is het niet al te warm vandaag.

Het is grotendeels een verlaten landschap.  We komen een paar dorpjes tegen zoals Santa Susana en Sao Christovao. Deze zien er allemaal hetzelfde uit. Witte huisjes met een blauwe bies aan de onderkant. Het lijkt wel of ze hiermee de hemel en de aarde willen verbinden. 

En elk dorpje heeft natuurlijk een café want wij hebben af en toe wel wat koffie nodig om door te kunnen gaan. De koffie is hier spotgoedkoop voor een Americano (normale koffie zoals wij die kennen) betaal ik 65 cent, voor een Solo (onze espresso) is het nog maar 45 cent. Hoe verder we van de toeristische gebieden komen hoe goedkoper het wordt.

Behalve het dorre landschap is er niet veel te zien. In Santiago do Escoural zien we de restanten van een Romeins aquaduct. Deze was voor de watervoorziening  van Evora. Vlak voor Evora zit de camping. Daar zetten we de tent op, schuiven de tassen erin en gaan eerst in Evora kijken.

Evora is een eeuwenoude stad die al in de Romeinse tijd bestond. Er is veel te zien zoals het centrale Praca Geraldo, de Romeinse tempel van Diana, (nog) een Romeins aquaduct en een knekelhuis (Capela dos Ossos). Hier liggen de botten van 5000 monniken. In de 14e en 15e eeuw waren er meer dan 42 kloosters en al die monniken gaan dood. Wat doe je met die botten? Je geeft dat aan een creatief persoon en die maakt er wat moois van. Tegen acht uur zijn we op de camping terug. We moeten dan nog douchen en eten maar Evora kunnen we aftikken op ons lijstje.

Dag 81:

Vandaag hebben we een relatief korte dag en daar zijn we blij mee. Want de dag begint bewolkt met 18 graden, maar in de middag zitten we weer ruim boven de 30 graden. En daar moeten we erg aan wennen. We zitten veel op rustige, kleine wegen met nauwelijks een stadje onderweg. Daarom zijn we blij met Nossa Senora de Macheda. In het centrum zijn wel vier kroegen waar we uit kunnen kiezen voor de koffie. Redondo is de volgende stad. Maar alles is daar uitgestorven dus eten we een bammetje in de schaduw.

Ik heb een kamer geboekt in een hotel dat in een voormalig klooster, Convento Sao Paulo, zit. We moeten hiervoor wel flink klimmen maar daarvoor krijgen we een mooie kamer met airco en een terras met prachtig uitzicht terug.
Het klooster stamt uit 1182 en is gebouwd door de monniken van de kluizenaar St. Paul. Er zijn meer dan 54.000 tegeltjes in azulejo’s verwerkt gemaakt door de grootste tegelzetters van die tijd. Meerder koningen hebben hier geslapen. In 1993 is het omgebouwd als pousada en nu slapen wij hier.

Dag 82:

We zijn nog steeds aan het zoeken naar hoe we moeten omgaan met de hitte. Vandaag proberen we extra vroeg te vertrekken. Met wat charme heeft Mevr. van der Veeke geregeld dat we gisteravond al een ontbijt hebben gekregen. Want normaal gesproken begint dat pas vanaf half negen en we willen om zeven uur weg. Dat lukt niet helemaal maar twintig over zeven vind ik ook vroeg genoeg. De temperatuur is gezakt tot 14 graden. Er hangt een mist en het is bewolkt. Allemaal volgens plan. We maken de klim van gisteren af en dalen naar Estremoz.

Vandaag is er maar 40 kilometer gepland want we willen wel drie stadjes bekijken; Estremoz, Borba en Vila Vicosa. Alle drie zijn bekend als marmer stad. Dat wordt gedolven bij Borba en het is hier zo in overvloed aanwezig, dat het zelfs de  bakstenen als bouwmateriaal vervangt en als plaveisel voor de straten wordt gebruikt.

Daarnaast wordt Estremoz gezien als een van de mooiste stadjes van Portugal. Hier lopen we op half negen al rond als enige toeristen. De stad kent een onder- en een bovendeel. We hebben geleerd van eerdere ervaringen en laten de fietsen beneden staan.
In het bovendeel is helemaal niets te doen. Het paleis van Dom Dinis is tegenwoordig een pousada maar je mag er binnen rond kijken en je mag de toren van de drie koningen (met z’n drieën hebben ze de toren gebouwd) beklimmen. Van daar heb je een mooi uitzicht over de omgeving. Verder hadden we graag de Capella de Rainha Santa willen bezoeken. Die zit vol met azulejo’s uit het leven van koningin Isabel. Ik ben inmiddels een fan van de blauwe tegeltjes maar op maandag zijn alle musea gesloten maar de Camara municipal in het dorp beneden is wel open, dus daar kom ik nog een klein beetje aan mijn trekken.

Hierna fietsen we door naar Borba. Een relatief klein dorpje waar de straten wederom geplaveid zijn met roze marmer en waar de omgeving gedomineerd wordt door enorme hopen marmer afval. Deze zijn zo groot en instabiel dat we zelfs om moeten rijden omdat de weg tussen de groeve door niet veilig is. Dat brengt ons in Vila Vicosa. Hier heb ik weer een pousada geboekt in een voormalig college voor jezuïeten. We zijn daar al om een uur en dat is helemaal niet erg. Want ze hebben een zwembad en aangezien de temperaturen alweer ver boven de 30 graden zit. Bij de Liddl (ja, die zit hier ook) halen we wat te eten en drinken en installeren ons aan het zwembad. Even lijkt het wel vakantie.

’s Avonds lopen we toch nog even Vila Vicosa in. Een gemoedelijk stadje met een centraal plein. De bomen op het plein zitten vol met sinaasappels. De kerk loopt net leeg met nonnen en het kasteel staat in de zonnestralen van de avond. In de koelte drinken de mannetjes hun drankje. Wij schuiven aan voor een laatste koffie. En dan niet te laat op bed want het was best vroeg vanochtend. Morgen verlaten we Portugal en komen we weer in Spanje. Portugal is een prachtig land, we komen hier zeker terug.

Sintra en Lissabon

Overal heb ik rust gezocht, en ik heb ze slechts gevonden in een hoekje met een boekje. – Thomas a Kempis

Dag 73:

Op onze eerste dag in Sintra doen we eigenlijk niets. Nou ja, bijna niets. We doen wel boodschappen en zoeken een wasserette op. Dit zijn namelijk de dagen waarop we onze was goed kunnen doen. Dus iets meer dan uitspoelen. Gelukkig hebben veel Portugezen geen wasmachine thuis en zijn er genoeg wasserettes. Je gooit er 5 euro in en de was wordt gedaan. Bij het huis hebben we een typisch Portugese waslijn. Door aan het touwtje te trekken verschuif je de lijn onder het raam. Zo kun je toch de hele breedte van het huis gebruiken. ’s Avonds koken we in ons appartement met volledige keukeninrichting weer een uitgebreide maaltijd. Heerlijk die rust en luxe van een huis.

Dag 74:

Vandaag blijven we dicht bij huis en zoeken het in Sintra. Het, oude en nieuwe, stadje zelf zien we wel als we er doorheen lopen. Verder zijn Palácio da Pena, Palácio Quinta da Regaleira, Castelo dos Mouros en Palácio Nacional de moeite waard. Aangezien het toch een rustdag is beperken we ons tot de eerste twee en daar vullen we de dag aardig mee.

Palácio da Pena ligt bovenop een heuvel en daar kun je in ongeveer drie kwartier heen lopen. Is leuk maar gezien het feit dat het een rustdag is, kiezen we ervoor om ons naar boven te laten brengen in een tuk-tuk. Na wat onderhandelen hebben we hier een goede prijs voor en dan begint het feest. De wegen zijn hier steil en de tuk-tuk heeft een licht benzinemotortje. Voor de chauffeur is het dus zaak om snelheid te houden in de bochten. En voor ons is het zaak om op dat soort momenten in de tuk-tuk te blijven. Het was me het ritje wel.

Palácio da Pena is een van de zeven wonderen van Portugal. Over het hoe en waarom is genoeg te vinden op het internet, dus ik wil het hier beperken tot mijn eigen indrukken: Een gekkenhuis!

Wat betreft ligging, uitvoering en mensenmassa’s. Ik ben redelijk goed in het nemen van foto’s zonder andere mensen erop maar dit ging zelfs mijn capaciteiten te boven. Je moet veel geduld hebben en van rijen houden. Je staat in de rij om erin te komen en je schuifelt in een lange rij door het gebouw heen. Was het de moeite waard? Ja. De inrichting is precies zoals de koninklijke familie het achterliet toen ze in 1910 moesten vluchten. Je krijgt daardoor een verstild beeld van hoe ze leefden in die tijd. Inclusief muren die zo geschilderd zijn dat ze op hout lijken en levensgrote beelden van Moren die een lamp vasthouden. Je mocht binnen geen foto’s maken dus ik kan er niets van laten zien. Maar het gebouw en de tuinen zijn de moeite waard. Zelfs met deze mensenmassa’s en de rijen. Een kaartje voor een bezoek aan de tuinen en het interieur van het paleis is €14 per persoon.

Terug gaan we gewoon te voet. Er is een mooi wandelpad naar Sintra terug. Eerst nog door de tuinen van Peno en daarna door het landschap, wat even goed onderhouden is als de tuinen.

Eenmaal beneden lopen we door naar Palácio Quinta da Regaleira. Unesco werelderfgoed en een magisch plekje. Ook hier is het druk, maar iets minder dan bij Pena. De tuinen zijn groot en alleen op de bijzondere plekjes zoals de initiation-well zijn wat meer mensen. Het is mooi weer en het is heerlijk om door de tuin te slenteren. Het is gevuld met prachtige follies en er is een grottenstelsel waar je doorheen kunt dwalen. Mocht je erheen gaan, trek er dan op zijn minst 1-2 uur voor uit. Hieronder een kleine foto-impressie.

Dag 75:

Vandaag nemen we de trein naar Lissabon. Voor €5 p.p. heb je een retourtje vanuit Sintra. De trein brengt je helemaal in het centrum (station Rossio). Ook van Lissabon is heel veel te vinden op internet. Ik beperk me tot mijn indrukken.

We hebben lang gefietst in de rustige, minder toeristische gebieden. Zo’n stad is dan een culture-shock voor mij. Zoveel mensen, gebouwen, drukte, bedelaars en hoedjesverkopers komt binnen als een overload aan prikkels. Het liefst ga ik meteen weer weg. Maar we zetten toch door. We hebben een aantal dingen op het lijstje dat we willen zien. Dat geeft meteen een mooie leidraad voor een route door de stad.

Rossio: het centrumplein  van Lissabon. Rossio betekent veld zonder eigenaar. De officiële naam is het Pedro-IV plein omdat er een standbeeld van Pedro IV staat.

Elevador de Santa Justa: omdat de stad zo geaccidenteerd is, zijn er meerdere liften on je naar de verschillende lagen in het centrum te brengen. Dit is de bekendste en drukste. Er staat een rij dus geen lift voor ons.

Baixa: Hier drinken we een koffie en eten een Pastel de Nata (of pastel de Belem) . Dit is een bladerdeeg cupje gevuld met roompudding en gebrande suiker. Baixa is het laagste deel van de stad. Na de aardbeving in 1755 is dit district volgens een strak stratenplan opnieuw gebouwd en ingedeeld als commercieel district. Het leidt uiteindelijk naar..

Praca de Commerco: Het plein aan de waterkant van de Taag met het paleis waar je een mooi uitzicht op de brug hebt.

Casa de Bicos: Een huis met een facade vol puntige stenen (bicos). Maar ook de naastliggende huizen zijn de moeite waard.

District Alfame: Het oudste deel van de stad met bochtige, steile straatjes waar het dagelijkse Portugese leven te zien is.  Hier klimmen we omhoog naar …

Miradouro (uitzicht) de Santa Luzia: waar we een mooi uitzicht over de stad hebben. Overal staan muzikanten en zangers/zangeressen. Heel gezellig hier. Vanaf hier is het niet zo ver naar ..

Castele de Sao Jorge: Het oudste kasteel op het hoogste punt in Lissabon .Ook hier staan wachtrijen van 20 minuten. Daar hebben we geen zin in. In plaats daarvan besteden we het geld aan…

Pastel de bacelhau: Een soort van oliebol van aardappelpuree, gemengd met kabeljauw (bakelhau) en gevuld met kaas uit Estreia. Je drinkt hierbij een glaasje witte port. Het beste uit de zee en van het land. Daarna dwalen we wat door de stad naar…

Igreja de Sao Roque: Een sobere kerk van buiten, een van de meest weelderige en decoratieve kerken van Lissabon van binnen.

Heel veel dingen doen we ook niet. Bijvoorbeeld een ritje met de tram (die steeds bomvol zit). Ik merk dat we het leukst vinden om gewoon een beetje door de stad te slenteren en niet zozeer vast te zitten aan de toeristische trekpleisters. De stad heeft een fijne zomerse atmosfeer ondanks de vele bedelaars die je hier ziet. Je zou hier meer tijd kunnen besteden maar één dag vind ik wel genoeg. Ik merk dat ik de iets kleinere steden, zoals Santiago, Sintra of Porto, leuker vind dan de hele grote steden. En waar ik het meest blij om ben is dat ik niet in Lissabon hoef te fietsen. Want dat is pas zweten.

Dag 76:

Na al dat visuele geweld van Lissabon hebben we weer een dag rust nodig. Gewoon lekker lezen, niks doen en wat onderhoud aan de fietsen zodat we weer helemaal klaar zijn voor het volgende traject. We lopen nog wel even SIntra in om de straatjes te bekijken die we eerder gemist hebben. Het appartement waar we zitten is heerlijk en van alle gemakken voorzien. Toch vind ik het fijn om morgen weer op de fiets te gaan. Het enige wat ik echt zal missen zijn de heerlijke, verse croissantjes die we van Fabio krijgen. Maar daar is overheen te komen.

Zon, zee en strand

As with any journey: Who you travel with is more important than the destination.

Dag 69:

Voor de €24 krijgen we ook nog eens een uitgebreid Portugees ontbijt. We verwachten een cakeje en koffie, net als in Spanje, maar het is net zo compleet als het ontbijt dat we in Nederland krijgen. Met als topstuk eigen gebakken bananen-cakejes. En als we die niet allemaal opeten, krijgen we de rest mee in een zakje. Erg aardige mensen.

Het is grijs als we vertrekken en dat blijft het voorlopig ook. We zien weinig zon vandaag. Via klimmen en dalen gaan we richting de kust. Op de velden wordt nog veel met de hand gedaan. Ik zie veel oude mensen gebogen over de aarde met een schoffel bezig. Of op de knieën. Vaak met hele families. En dan niet in de tuin, maar op het land. Als ik even op Mevr. van der Veeke sta te wachten, knoop ik vaak een praatje aan. Want de mensen zijn aardig, open en nieuwsgierig hier. Ze willen altijd weten waar je vandaan komt en waar je naartoe gaat.

Verder zien we (denk ik) rijstvelden en vervallen kloosters. Ik heb het idee dat ze hier wel bezig zijn om meer toerisme aan te trekken. Dat zie je door de restauratie werkzaamheden maar ook door de aanleg van wegen, fietspaden en voorzieningen.

Voor (maar ook na) we bij de kust komen, zitten we op de EuroVelo 1 in het binnenland. Deze loopt een stukje verder van de kust door wat vroeger dennenbossen waren. Maar de bosbranden van 2017 hebben hier goed huisgehouden. We fietsen tientallen kilometers door afgebrande bossen. Sommige stukken zijn ze aan het opruimen door te rooien en nieuwe aanplant neer te zetten. Een mega-klus. Maar het grootste deel zijn gewoon nog zwartgeblakerde stompen. Triest gezicht.

Dit deel van de eurovelo moet ook nog verder ontwikkeld worden. We zitten op een fietspad langs een weg. Eens in het halve uur komt er een auto langs. En het  fietspad kan duidelijk een maaibeurt gebruiken. Om een toeristische trekpleister te worden, moet er echt nog wat gebeuren.

Bij Pedrago zien we de zee weer. De stranden zijn hier leeg. Misschien omdat het weer grijs is, de temperatuur laag en de zee te woest? We zien een enkeling op het strand.

Ook verderop bij Praia de Viera is weinig te doen terwijl ze hier wel een boulevard hebben. Met een uitstekend restaurant (Naufragil Bar) dat toevallig vandaag voor het eerst open is. Tijdens de stormen van vorig jaar was de vorige weggespoeld. Het zit er vol en we eten er uitstekend.

Wij vinden het van de ene kant leuk deze dorpjes en boulevard te befietsen maar aan de andere kant duik je meestal een gat in om bij het dorp te komen en daarna is het weer zwoegen om eruit te komen. We laten flink wat zweetdruppels.

In Sao Pedro de Moel vinden we het welletjes. In de duinen aan de andere kant van het dorp vinden we een plekje op de camping. Het is mooi kamperen aan zee maar je eindigt wel met overal zand.

Dag 70:

Als ik om zeven uur op sta (ja, ik sta nog steeds zo vroeg op), zie ik dat het nog grijzer is dan gisteren. Er hangt een zeemist die zo dicht condenseert dat het op een gegeven moment regent op de tent. We ontbijten daarom in de tent. Bij het inpakken is het gestopt met regenen maar de tent is erg nat.
In een mist die soms dichter en soms minder dicht is rijden we naar Paredes de Vitoria. Het lijkt erop dat veel kinderen hun schoolreisje hebben want het is druk op het strand met klasjes. Ze trekken zich gelukkig weinig aan van het grijze weer.

Na een koffiestop fietsen we door naar Nazare. Onderweg zien we het weer verbeteren en in de verte kunnen we Nazare al in de zon zien liggen. Of eigenlijk zien we het bovenste deel van Nazare liggen, dat vroeger Sitio heette. Het ligt boven op de klif en is het oudste gedeelte. En dat is ook het deel dat we als eerste gaan bezoeken.

Nazare is eigenlijk ondergegaan aan zijn eigen succes. Jarenlang hebben ze zichzelf op de kaart gezet als het mooiste dorpje van de Portugese kust en dat heeft ertoe geleid dat in de zomer het stadje volkomen verstopt zit met toeristen. Hierdoor heeft het veel van zijn charme verloren alhoewel ze moeite doen om wat van het authentieke terug te halen door het dragen van de klederdracht. Maar dat wordt voornamelijk door de formidabele varinhas (viswijven) gedaan. De jonge blommen doen liever een kek hoedje op.
Terwijl we uitkijken over het lager gelegen deel van Nazare zien we de wolken wegtrekken. En hiermee is het ook de rest van de dag(en) mooi weer geworden.

Daarna dalen we af naar het lager gelegen dorp waar ook de stranden zijn. Overigens gaat er een funicular omhoog naar Sitio maar die ziet er zo wrak uit dat ik liever zou gaan lopen. Beneden is het strand, de eethuisjes en nog meer toeristische drukte dan boven. Maar in de zon krijg ik het echte badplaats gevoel dat ik van Zandvoort en Katwijk ken. Voor ons is het druk maar als ik naar de grootte van de parkeerterreinen kijk, kan het nog veel drukker worden. Nazare is overigens ook bekend van de surfkampioenschappen. Als wij er zijn, zijn de golven redelijk rustig maar het kan er ook zo uitzien. Na al dit strandgeweld klimmen we Nazare weer uit en boven kijken we nog een keer terug op dit festijn.

We blijven voorlopig de kust volgen alhoewel het strand steeds een stuk lager ligt. Er staan hier mooie huizen maar mijn droomhuis is toch een omgebouwde molen die op een heuvel uitkijkt over zee.

Sao Martinho de Porte is minstens zo mooi als Nazare en minstens zo druk. Het heeft een afgesloten baai met zandstrand wat het aantrekkelijk maakt. We hebben wat moeite om aan de boulevard te komen omdat alles zo steil loopt en veel straatjes eindigen in trappen. Maar als je dan beneden bent, dan heb je ook wat. Hier eten we een ijsco en bewonderen het uitzicht.

In Foz do Arelho zoeken we de camping op. We hadden gedacht met een dikke 50 kilometer een makkelijke dag te hebben, maar dat blijkt in de praktijk anders. Door alle korte, maar erg steile, klimmetjes zijn de benen behoorlijk moe en vullen we de complete dag met fietsen. We zetten de tent op en koken een maaltje. En voor de rest gebeurt en niet veel meer want de luiken vallen vrij vroeg dicht.

Dag 71:

Het is weer een bijzondere dag. We zien het prachtige stadje Obidos en voor het eerst in mijn leven vraag ik op een camping mijn geld terug. Daarnaast was het landschap weer erg geaccidenteerd, tot grote ontsteltenis van mijn benen. Ik weet inmiddels wel dat ik liever een lange geleidelijke klim heb dan al die korte steile stukjes die in de deel van Portugal zijn. Maar goed, eerst Obidos.

Na een stukje fietsen zien we de mooie restanten van een kasteel op een heuvel liggen. We zeggen tegen elkaar ‘Daar gaan we niet omhoog klimmen’ want Obidos ligt aan de andere kant van de heuvel. Maar Obidos ligt óp de heuvel. Het kost wat zweet maar het is elke druppel waard want Obidos is een juweeltje. Het is bekend als ‘the Wedding City’ want het wordt traditioneel door de Portugese koningen aan hun koningin gegeven. Saillant detail is dat de 15-jarige koning Afonso V hier met zijn even oude nichtje, Isabel van Coimbra, trouwde. Ik vraag me af wat die ’s avonds in bed tegen elkaar te vertellen hadden?

Zij: “Heb je je Legio starwars schip nog afgekregen?’.
Hij: “Nee, ik was een van de vleugelstukjes kwijt. En jij? Lekker met de poppen gespeeld?”
Zij: “Ja, alle haren gekamd en ze op een rijtje gezet. Hebben we morgen nog staatszaken?”
Hij: “Ja, er moeten nieuwe smarties gekocht worden. En de nieuwe wet uitvaardigen dat kinderen niet meer verplicht naar school hoeven. “.
Zij: “Mooi, dat was weer een drukke dag. Maf ze.”
Hij: “Ja, lekker pitten. Tot morgen. ”

Héél vroeger klotste de oceaan hier tegen de wallen en legden schepen aan bij de stadsmuren. Tegenwoordige klotsen de toeristen door de straten, want ondanks dat we vroeg op de dag én het seizoen zijn, kun je over de Chinese koppen lopen (zou je niet zeggen op mijn foto’s want ik stuur altijd alle Chinezen even weg). Toch blijft het een mooi plekje, zeker als je buiten de hoofdstraat gaat.

Wij verlaten het feestgedruis en gaan via binnenwegen weer richting kust.  In een mini-dorpje zien we nog een traditionele wasplaats. Hij ziet eruit alsof hij nog steeds gebruikt wordt.

De volgende stad is Lourinha. Een fris, net stadje waar we voor het eerst zien dat ze ook oude huizen kunnen opruimen. Hier hebben ze voor een ander toeristenmodel gekozen. Ze hebben geen stranden, geen boulevards (want het ligt landinwaarts) maar ze zeggen dat ze wel dinosaurussen hebben. Ooit. Gehad. En daar is hun verdienmodel op gebaseerd. Bij het (gesloten) museum staan nog wat botjes. Maar ik zal Lourinha voornamelijk herinneren omdat het een fikse klim was om eruit te komen.

Van Maceira naar de kust toe hebben we een mooi pad tussen een aantal kloofjes door. Er waait een fikse wind en die hebben we al de hele dag tegen. Ondanks dat het hier vlak is moeten we flink trappen om er tegenin te komen.

Daarom zijn we blij om op camping Praia de Santa Cruz aan te komen. Hij is met €10 erg goedkoop maar de receptie moet echt eens op een cursus ‘klant is koning’. Iemand brengt ons naar een plek waar we kunnen staan en wijst een zandbak aan waar ik meteen tot mijn enkels wegzak in het zand. Als ik uitleg dat we daar niet kunnen staan wijst hij een grotere zandbak aan. Daar proberen we de tent op te zetten maar de wind trekt steeds de haringen compleet uit de grond. Mevr. van der Veeke probeert nog wat anders te regelen maar er is weinig mogelijk. Van alle suggesties die ze doen is de beste dat ik een stuk verderop bij de supermarkt containers met 5 liter water ga halen voor het vastzetten van de hoekpunten van de tent. Met de fiets. Ik heb het allang gezien. Stel dat we de tent uiteindelijk wel opgezet krijgen dan heb ik er een erg onrustig gevoel bij. Als het harder gaat waaien dan lig ik wakker want dan blijft de tent niet staan. Op booking.com regel ik 300 meter verder een kamer. Is iets duurder maar daarvoor krijg ik wel héél veel zielenrust terug.

Abstract kunstwerk: Weggewaaide tent in zandbak.

’s Avonds lopen we Santa Cruz in. Het heeft mooie stranden maar verder is het een verzamelplek van lelijke, grote hotels en appartementencomplexen. Er is geen echte boulevard maar wel een mooie vuurtoren. En een geweldig restaurant. Met uitzicht op een ondergaande zon hebben we in Boca Santa Cruz een heerlijk maal van schelp- en schaaldieren, rijst en een soort soep. We moeten wel om een lepel vragen maar dit is een echte aanrader. Hand in hand, zien we de zon in zee zakken. Romantischer kan het niet worden. En dat op onze leeftijd.

Dag 72:

Even buiten Santa Cruz komen we weer een camino tegen. Deze keer is het een eco-camino wat betekent dat we een prachtige fietsroute langs kliffen en door de velden krijgen. Maar het betekent ook weer flink klimmen. De afgelopen dagen, en ook weer vandaag, moeten we regelmatig de fiets omhoog duwen. Dat is niet erg want het zijn meestal maar korte stukjes. Een voordeel daarvan is dat we de armen ook eens trainen want die komen wel te kort ten opzichte van de benen. En de hoogte geeft gewoon prachtige uitzichten dus dat is steeds weer genieten.

Een hoogtepunt van de dag is het dorpje Ericeira. Ergens heb ik gelezen dat het een van de meest pittoreske dorpjes van Europa is. Nou, ‘das war einmal’ want als wij er komen kan het de competitie met een willekeurige biercamping op Terschelling goed aan. Er loopt heel veel jeugd te flaneren met sixpacks, handdoekjes, surfplanken en grote flessen bier. De hormonen spoelen door de goten en het is zaak je zo voordelig mogelijk te etaleren voor het andere geslacht. Heerlijk om naar te kijken.

Toch moet ik toegeven dat, als je hier een beetje doorheen kijkt, het dorp een bepaalde charme heeft met zijn straatjes met kinderkopjes, vissersprullaria en blauwe randjes aan de huizen. En de stranden zijn fenomenaal. Ik hoop dat de foto’s dit een beetje weergeven.

We hebben besloten de route van vandaag wat in te korten. Want we zien op tegen de 70 kilometer met deze klimmetjes. Dus we laten Mafra (met zijn paleis) voor een latere keer liggen en blijven de eco-camino (EV1) langs de kust volgen. En dat is inspanning genoeg want uiteindelijk komen we aan het einde van de dag nog op bijna 1000 hoogtemeters.

Linksboven zie je de weg omhoog lopen. Daar moeten wij ook omhoog klimmen.

Vooral het laatste stuk omhoog naar Sintra is een inspanning. Niet alleen door het klimmen maar ook omdat het op een drukke, smalle autoweg moet gebeuren. Dat levert altijd een bepaalde stress op. Ik ben dan ook erg blij als we bij ons huisje komen dat ik via Airbnb geboekt heb bij Fabio. Hier blijven we vijf dagen om bij te komen en op te laden voor het volgende stuk door Spanje. Het is een leuk klein appartementje en Fabio heeft een ontbijt/croissant winkeltje ernaast dus we krijgen elke ochtend een verse Portugese croissant, met een vulling naar keuze, als ontbijt. De Portugese croissant is overigens anders dan de Franse. De laatste is meer bladerdeeg terwijl de Portugese meer gewoon deeg is. Maar zeker niet minder lekker. En vanuit hier kunnen we Sintra bekijken en een dag naar Lissabon gaan.

Als laatste uitsmijter een selfie-parade. We hebben alle dagen een foto gemaakt en met zoveel rust heb ik er eindelijk een filmpje van kunnen maken die elke dag in een seconde laat zien. Aan het einde hoop ik van de hele reis een filmpje te kunnen maken, maar nu maar eerst de eerst 72 dagen:

Pushbike

Remember that a foreign country is not designed to make you comfortable. It is designed to make its own people comfortable. – Clifton Fadiman

Dag 66:

Als ik later oud ben en mijmerend terug denk aan de goede dagen in mijn leven, dan zal deze er ook bij zitten. Het was een prachtige dag waarin alles mee zat.

We fietsen Porto uit op een zaterdagochtend. Het is nog heerlijk rustig in de stad. Mensen beginnen met het opbouwen van hun kraampjes en we hoeven alleen even te remmen voor een vroege hardloper. We verlaten Porto via het bovenste dek van de mecano-brug en dalen af naar Villa Nova de Gaia. Voor de port-huizen langs volgen we de Douro weer naar de kust. Daar hebben we het grootste deel een mooie fietsroute. Vaak weer vlak langs de kust en soms wat door het binnenland.

Het is bedekt weer, heel fijn om te fietsen. We hebben zelfs een windje in de rug. Tegen de middag komt de zon erbij. Zo gaat het meestal hier aan de kust. ’s Ochtends bewolkt en ’s middag waait dat weg en schijnt de zon.
Als ik de plattegrond van Espinho zie, dan kan ik alleen maar concluderen dat hier een vooropgezet plan was bij de bouw van de stad. De straten liggen zo strak in het gelid.

Het pad loopt een heel eind door de duinen en de dennenbossen. Veel bomen hier huilen. Ze hebben op het onderste deel de bast verwijderd en diepe kerven gemaakt. Zo wordt de hars geoogst. Waarvoor? Geen idee. Misschien hiervoor?

In Faradouro hebben we in café Amadeu een perfect maal. Ik zou er zelf niet op komen, maar je kunt een heerlijke bonenschotel (Judias con mariscos) maken met schelp- en schaaldieren. En de Sangria die ze erbij schenken is hemels. Zelden zo lekker gegeten. Een aanrader, mocht je hier ooit komen.

Daarna gaat het verder over de landtong richting Sao Jacinto. Dit zijn een soort van uiterwaarden met zoet- en brakwater en het is een beschermd natuurgebied. Nog niet zo lang geleden werd dit gebied regelmatig door de oceaan overspoeld. Nu is het gecultiveerd en heeft alleen nog een kunstmatige verbinding met de zee. Kenmerkend zijn de gekleurde bootjes, de ‘moliceiro’ .

Morgen nemen we in Sao Jacinto de pont naar de overkant. Deze kilometers gaan moeiteloos want het is harder gaan waaien. En zoals bekend, soms een mooi fietspad en soms houdt dat ineens op zonder een waarschuwing of een bordje.
Na een kleine 70 kilometer is er een camping. Voor minder dan een tientje kunnen we een nachtje blijven. In de avondzon drinken we nog een biertje. Soms zit gewoon alles mee.

Ik realiseer me dat ik zeer bevoordeeld ben. Ik ben opgegroeid en heb gewerkt in een rijk land. En dat ik financieel gezond ben én lichamelijk gezond genoeg ben om dit te (kunnen) doen.
In schril contrast staat dat vandaag de begrafenis is van een voormalig collega van me. Renske Vera Talstra is op haar 28e overleden aan kanker. Voor haar geen (fiets)reizen op latere leeftijd. Toch weet ik dat ze het me gunt en als ze nog geleefd had, dan had ze mee genoten van de reis. Maar dit soort gebeurtenissen doet me wel stilstaan bij het feit hoe goed ik het heb. En daar ben ik dankbaar voor.

Dag 67:

Zo mooi als gisteren was, zo valt het vandaag tegen. Het begint wel goed. We kunnen eindelijk de tent eens droog inpakken. Daarna fietsen we naar Sao Jacinto. Bij een Pastelleria halen we ontbijt en een koffie. Daarna steken we met de pont over (€4,20) en fietsen naar Aveiro. Ook wel het Venetië van Portugal genoemd. Ook de reisgids doet er heel lovend over maar het is een grote deceptie. Een gemiddelde Nederlandse plaats heeft meer kanalen en grachten. Hier is alleen het Canal Central en daar varen weliswaar leuke bootjes doorheen, maar het stelt niets voor.

Ik heb de route van een andere fietser en die kiest er hier voor het binnenland in te gaan. Dat leek ons ook wel leuk maar na 20 kilometer drukke en slechte wegen ben ik er wel klaar mee. De dorpen ogen wat vervallen en dat komt met name doordat ze oude huizen niet opruimen maar gewoon laten wegrotten. Regelmatig zien we een prachtige villa naast een ingestort huis staan.

Ik heb wat geboekt, dus we moeten door maar morgen gaan we weer richting de kust. Het binnenland heeft wel wat bezienswaardigheden, maar om hier zoveel kilometers voor om te rijden, inclusief alle hoogtemeters, dat heb ik er niet voor over. Langs de zee en door de duinen vond ik veel leuker. Ik ben tenslotte een kind van de zee.

Ondanks dat het later wat rustigere wegen worden en in het, niet toeristische, binnenland wat meer te zien is, herplan ik ’s avonds de route, op de Surface, om weer naar de kust te gaan en zo af te zakken naar Lissabon. Qua afstand maak het weinig uit en ongeveer 130 kilometer verder sluiten we weer aan op de geplande route. Het lost ook het probleem van accommodaties op. In het binnenland is nauwelijks wat te vinden en aan de kust zijn voldoende kampeermogelijkheden.

Maar daarvoor moeten we eerst nog bij onze overnachting komen. Er was niet veel keus dus ik heb iets in de buurt van de snelweg geboekt. En de enige manier om er te komen is ook via de snelweg. Of een enorm eind omfietsen. Gelukkig zit er een brede vluchtstrook en is het maar een paar kilometer tot de afrit, maar het is geen feest.

Dag 68:

We hoeven niet via de snelweg terug. Er gaat vanaf hier een kleiner weggetje binnendoor om op de route te komen. Vandaag staat Coimbra op het programma. Dit was eens (11e-12e eeuw) de hoofdstad van Portugal en het is nog steeds een belangrijke plaats door de aanwezigheid van een universiteit. De stad ligt op de noordoever van de Rio Mondego wat betekent dat het tegen de helling op de hoogte in gaat. En dat hebben we geweten. De kathedraal en de universiteit liggen op het hoogste punt van de stad. En aangezien asfalt hier een scheldwoord is, zijn alle straten met kinderkopjes belegd. Fietsen kan dus niet door de stenen maar ook niet door de steilheid. Een uitstekende combinatie om studenten niet aan het fietsen te krijgen. Zwoegend duwen we onze fietsen omhoog want we willen dat natuurlijk wel zien. Ondertussen vloek ik wel alles bij elkaar. Kinderkopjes, stratenmakers, rivieren, noordhellingen, alles krijgt er van langs.

Maar goed, eenmaal boven is het wel mooi en zijn we blij dat we het gedaan hebben. We dalen ook weer lopend af met stuiterende fietsen over de kinderkopjes. Wat kan een mens een hekel krijgen aan levenloze zaken als stenen. Gelukkig ligt de Igreja de Santa Cruz gewoon beneden. Dezelfde bling-bling als in Spanje maar hier zijn ze erg goed met het tegelwerk (Azuljo). We zagen het al eerder in Porto, maar hier is de halve kerk ermee behangen. Ook staan er wat bijzondere beelden in deze kerk. Het valt me ook op dat hier altijd mensen in de kerk zitten. En dan niet eentje, maar tientallen zitten te bidden en devoot te kijken. Lastig foto’s maken zo.

Om richting de kust te gaan, steken we de Rio Mondego over en klimmen het rivierdal uit.

De rest van de dag zitten we in het binnenland van Portugal, wat toch wel verrassend mooi is. Kleine dorpjes waar de mini-supermarkt gewoon in een schuur is. En er is overal een barretje waar altijd mensen zitten. Te kletsen, koffie te drinken of de krant te lezen. Overal staan fruitbomen. Ik zie sinaasappels, citroenen, abrikozen, kiwi’s, pruimen, kersen, olijven en druiven.  En een deel van de route zijn we weer aan het pelgrimeren. Hier loopt het pad naar Fatima waar we dankbaar gebruik van maken.

Het is wel weer veel klimmen vandaag en omdat de zon uitbundig schijnt, dus ook zweten. Ik heb voor een belachelijk lage prijs van €23 een kamer geboekt. En dat is dan inclusief ontbijt. Bij dat soort prijzen, is het altijd spannend waar je terecht komt. In dit geval in een heel klein dorpje, met een paar huizen, waar de hele familie op ons zit te wachten. Drie generaties waarvan de laatste (kleindochter) wat Engels spreekt. Maar opa is ook heel handig met Google translate. Het is heel leuk om bij deze mensen thuis te komen en een gesprekje te voeren. Ze zijn vol ongeloof over onze fietsprestaties en wij leren wat meer van het Portugese leven. De kamer is prima, dus helemaal goed zo.

Porto

Clearly, then, the city is not a concrete jungle, it is a human zoo. – Desmond Morris

Dag 64 en 65:

We blijven twee dagen in Porto. Het is een leuke stad, ik zou hier kunnen wonen, zo gezellig is het hier. Mooie gebouwen, leuke straatjes en pleintjes en heel veel cafés, koffietentjes en restaurants. Het is gebouwd tegen de oever van de Douro, die soms steil omhoog gaat. Soms is dat flink klimmen. Onze Airbnb zit op 10 minuten lopen van het centrum. We hebben een aantal dingen op ons lijstje om te bekijken. Niet alles lukt en de kerken geven nog steeds wat allergische reacties, maar alle andere dingen zijn de moeite waard. De hoofdmoot van vandaag bestaat uit een ‘Streetart trail’, die we geboekt hebben.

Maar eerst lopen we het centrum in en kijken bij de Lello, die als een van de mooiste boekwinkels van Europa bestempeld wordt. En wij zijn niet de enigen die dat weten. Om er binnen te kijken moet je tegenwoordig een kaartje (€5) kopen en zelfs ’s ochtends staat er al een flinke rij. Ik hou van lezen, maar niet van rijen.

Een andere prominente zaak is Belle Epoque Café Majestic. Ontworpen door de architect Joao Queirós. Het was de stamkroeg van intellectuelen , kunstenaars en schrijvers. Het is een tijdje gesloten geweest, maar nu weer open. Er schijnen veel beroemdheden te komen. En als ik naar prijzen kijk, dan zijn dat ook de enige mensen die dat kunnen betalen.

Verder drinken we koffie met een pastel de nata, een typisch Portugees gebakje.

En als lunch eten we een Francesinha bij cafetaria Santiago. Een broodje dat vergelijkbaar is met de Nederlandse kapsalon. Het bevat meerdere lagen, verschillende soorten vlees, een gebakken ei en gesmolten kaas. Het wordt geserveerd met friet en de precieze ingrediënten verschillen van cafetaria tot cafetaria. Het geheim zit hem in de saus. Ik moet zeggen dat het een lekker broodje was en het voordeel heeft dat je de rest van de dag geen trek meer hebt. Dat mag ook wel met ongeveer 1100 kcal per broodje.

Hierna zijn we helemaal klaar voor de rondleiding door Miguel. Hij leidt ons gedurende een drie uur durende wandeling door Porto waarbij de nadruk op de street-art (graffiti) ligt. Hij laat ons mooie plekjes zien en weet veel interessante details te vertellen over de ‘stukken’ die we bekijken. Over de strijd van de gemeente tegen de graffiti-makers. Dat dachten ze op te lossen door er een aantal in dienst te nemen maar dat gaf weer tussen de makers onderling problemen. Veel stukken worden op dichtgemetselde deuren en blinde muren gespoten. Geen probleem lijkt me. En sommige zijn gewoon kunstwerkjes.

Voor, na en gedurende de tour komen we door mooie stukken van Porto. Hieronder een selectie van de foto’s.

Verder boeken we een ticket voor de hop-on-hop-off bus. Die valt wat tegen. Door het drukke verkeer in Porto staat hij meer in de file dan dat hij rijdt. De informatie die je via de koptelefoon krijgt is minimaal en er is gewoon veel meer te zien als je loopt.

Maar het kaartje is inclusief een boottocht op de Douro en een bezoek aan een Port-huis. Dat doen we de volgende dag.

De boottocht op de Douro lijkt wat suf maar het is lekker uitrusten en je ziet Porto vanaf een andere kant. We gaan onder zes bruggen door waarvan vier betonnen en twee mecano bruggen. De ene is ontworpen door Eiffel (ja, die van die toren in Parijs) en daar gaan de treinen overheen. Later mocht een leerling van hem,Teofilo Seyrig, het overdoen met een twee-laags brug. Onderop rijden de auto’s en bovenop de wandelaars (en voorheen de trams).

Daarna gaan we een van de port-huizen (Calem ) bezoeken. We krijgen een rondleiding en ik moet zeggen dat ik een hoop nieuws geleerd heb over port. Het is fascinerend om te zien hoe ze die grote houten vaten (je kunt er een auto in parkeren) maken. Ze gaan ongeveer 120 jaar mee en daarna worden ze vernietigd of ze gaan naar Schotland om whiskey in te laten rijpen. Ook worden de verschillende soorten port toegelicht, waarom ze verschillen en hoe je ze zou moeten drinken (met je mond…). Aan het einde krijgen we een proeverij met twee glazen. Ik heb het geluk dat een aantal mensen naast me geen port lust en sla er dan ook meer dan twee achterover.

Het lopen gaat hierna wat moeilijk, zeker als we naar het hoger gelegen Porto terug moeten. Gelukkig geldt het kaartje van onze hop-on-hop-off bus nog en zo laten we ons in het centrum afzetten. Aan het eind van de middag zijn we weer thuis en kunnen we wat uitrusten. Tenslotte gaan we morgen weer op de fiets. Porto is mooi. Ik kom zeker nog een keer terug.

Sjoemelen

Wise choices can put us in control of situations where we might otherwise be tempted to compromise our principles. We cannot control all that happens to us; however, we can choose to be in control of our responses.  – L. Lionel Kendrick

Dag 59:

Ondanks dat we de camino afgesloten hebben, doen we vandaag toch nog een stuk Santiago route. Het is eigenlijk de heen route, vanuit Santiago, naar Finisterre, maar dan in omgekeerde richting. Vanuit Ponte Olveira is het eerst een klein stukje klimmen. En dan een kilometerslange afdaling naar Noia. Van dit kustplaatsje wordt gezegd dat de ark van Noah hier in de baai eindigde. Vandaar de naam. Als hij dat nu zou doen, dan weet ik zeker dat hij meteen de trossen weer los zou gooien want het deel van Noia waar wij doorheen komen is vervallen en verwaarloosd. Maar ze schenken er wel een goede koffie, dus wij leggen wel even aan.

Want hierna komt een lange klim. We zitten op zeeniveau en moeten naar 400 meter. Gelukkig is het een geleidelijke klim en daarna hebben we weer een lange afdaling naar Padron.

Padron is een halteplaats voor de Portugese camino. En ook hier zien we de Santiago relieken weer langs komen. We komen langs de Fuente del Carmen, een fontein met een afbeelding van het onthoofde lichaam van Jacobus in een bootje. De paal waar dit bootje aangemeerd zou hebben ligt in Padron. Zeggen ze. En de originele paal(= Padron, vandaar de naam) staat in de kerk, onder het altaar. Zeggen ze. Daar nemen we ook even een kijkje. Er zit ook een stempelgrage meneer, maar wij doen niet meer aan stempels.

Het is weer een lange dag met veel kilometers en hoogtemeters. Dus het laatste stuk slepen we ons, en met name Mevr. van der Veeke, naar Pontevea. We eten eerst nog een uitstekende maaltijd bij pizzeria la Mama. Hier heb ik de hele avond en nacht nog plezier van vanwege een verkeerde garnaal. Ik blijk een kamer geboekt te hebben in een kuuroord met de uitstraling van het hotel van Norman Bates. Want we lijken weer de enige gasten te zijn. Maar wel mooi en luxe. En met verplicht uitslapen, want het ontbijt wordt pas vanaf 9 uur geserveerd. Ik ben er nog niet uit of dit nu een voordeel of een nadeel is. Dat weet ik morgen pas.

Dag 60:

De dag begint met een conflict. Tussen het hoofd en het hart, de logica en het gevoel. De afgelopen dagen hadden we al steeds veel hoogtemeters. En als ik naar het hoogteprofiel kijk van de komende dagen, dan wordt dat niet anders. We gaan vijf heuvelruggen kruisen. Daarnaast is het een, voornamelijk, stedelijk overbruggingsstuk waar we doorheen moeten om bij de kust te komen. Mevr. van der Veeke ziet dit allemaal niet zitten en komt met de suggestie om een taxi te bellen. En daar is niets tegenin te brengen als ik naar de argumenten kijk. Toch zegt het gevoel dat dit sjoemelen is. Het is tegen onze principes. Dit doen we (bijna) nooit. En zeker niet in deze hoeveelheid.

Twee uur later zet een taxi ons, de fietsen en de fietstassen bij Baiona eruit. 120 kilometer verder en aan de kust. Het kost €150 euro maar het scheelt 3 dagen klimmen, een muitende vrouw, zeven ruzies en ongeveer tweeduizend dodelijke blikken. Het is alsof we naar een ander universum getransporteerd zijn. Hier hangt de bekende Spaanse strandstemming. Het weer is warmer, de mensen vrolijker en de stemming opperbest. De beste investering ooit.

Er ligt een mooi fietspad langs de kust. We ruiken de zee en zien de branding opspatten. De meeuwen krijsen. Heel anders dan de Camino, alhoewel hier de Portugese Camino langs loopt. We fietsen een stuk langs de kust en als we een camping zien liggen, is de verleiding te groot. Het tentje mag eindelijk weer uit de zak en we loungen een middag met uitzicht op zee. Hier word ik betoverd door de golven en de branding. Uren kan ik er naar kijken. Het verveelt nooit. Als ik oud ben, neem ik een tiny-house aan zee. Overdag kijken naar de golven, ’s avonds staren in het vuur.

Ik had gedacht dat het hier drukker zou zijn, maar we zijn weer de enigen op de camping. In de cafetaria willen we ‘s avonds wat gaan eten. Het lijkt wel of we in Fawlty Towers terecht zijn gekomen. Met moeite kunnen we een dikke puber van zijn game-computer losweken. Hij moet tenslotte toch het eten voor ons maken. Dat wordt even respectloos behandeld als wij. De wortelsoep is net zo slecht als eerder deze reis. Maar de hoofdmaaltijd is redelijk. Kippenpootjes, groene pepers en patat. We moeten weer even in het ritme komen van boodschappen doen. Ik hoop morgen weer zelf te kunnen koken. In de tent vallen we in slaap met het geluid van de branding. Een beter slaapmiddel is er niet.

Dag 60:

Weer een dag vol verrassingen. We blijven de kust volgen en komen eerst in het prachtige dorpje Oia. Vanaf hier houden we de zee rechts. Het pad volgt soms een fietspad naast de grotere weg. Maar hele stukken zitten we ook op de Camino en is het gravel of steenslag.

Bi A Guarda steken we over naar de andere kant van dit schiereiland. Dat betekent een klein stukje klimmen. In Camposancos gaat de pont die ons naar Portugal moet brengen. Maar als we daar komen, blijkt dat deze op maandag niet vaart. Gelukkig is er een camping vlakbij. Daar maar wachten op morgen. Hebben we zomaar weer een rustige dag. Maar op weg naar de camping drink ik nog even koffie in een kroegje. De barkeeper is een gezellige, behulpzame man die ons wijst op een service dat je met een bootje overgezet kunt worden. Hij belt voor ons en een half uur later laden we de spullen in een motorbootje.

In een kwartier zijn we aan de overkant, in Portugal. En dat voor €10. (de pont zou €7 gekost hebben). Ik weet nu niet of we legaal of illegaal in Portugal zijn maar zolang we niet aangehouden worden, is het goed.

In Portugal is het even zoeken naar de weg. We hebben geen fietsroute, maar ik heb een eigen route samengesteld uit tochten van andere mensen. Deze leidt ons eerst het bos in. Gelukkig kunnen onze fietsen daar tegen alhoewel het wel wat zwaarder fietst. Daarna komen we op de Ecovia do Atlantico. Dit is een fietsroute die met Europees geld aangelegd wordt. Sommige delen zijn klaar en sommige stukken niet. En dan houdt het fietspad ineens op. Met die route en mijn track gaan we de komende dagen richting Porto. Maar voor vandaag vinden we het bij Gelfa genoeg en zoeken we camping Sereia da Gelfa  op.

De receptie is een en al marmer en goud, dus ik verwacht er heel wat van. Maar ik denk dat na de receptie het geld op was want de camping valt wat tegen. Hij is voornamelijk bevolkt door caravans die eens hebben kunnen rijden, maar nu uitgebouwd zijn tot woonschuren en er staan enorme tenten waar meerdere generaties permanent lijken te wonen. Kortom het doet meer aan als een vluchtelingenkamp dan een luxe camping. Iets buiten deze pittoreske setting weten we toch een rustig plekje te vinden. De andere faciliteiten bevestigen echter het beeld; het zwembad is gesloten, net als de bar, ondanks dat de deuren open staan en er voldoende personeel rondloopt. Niemand wil me een biertje verkopen.

Gelukkig hebben we daarop geanticipeerd en hebben we in Spanje nog anderhalve liter Sangria gekocht. Moest er wel een eind mee fietsen, maar het was elke kilometer waard. Bij de tent koken we een maaltijd van bonen, gehaktballetjes en mais. Een heerlijk maal na al die menu’s de Peregrino.

Dag 61:

Vandaag moeten we wennen aan Portugal. Maar misschien moet Portugal ook aan ons wennen. Wij zijn het meest verrast door de route. We zijn gewend uitgezochte routes te fietsen. Dan zijn er weinig verrassingen. Je weet dat de weg te fietsen is, dat je ergens uitkomt en als het steil wordt, dan kun je dat lezen in de beschrijving.
Nu rijden we een eigen route en die heeft een eigen wil. Wegen die als weg op de GPS staan, blijken karrensporen met vuistdikke stenen te zijn. Stippelpaadjes zijn vaak wandelpad maar hier zijn het prachtig aangelegde fietspaden. Soms moeten we door het zand duwen en soms zijn het geitenpaadjes waar je langs komt. En dan hebben we nog te maken met het feit dat heel veel wegen hier gewoon met kinderkopjes bestraat zijn. We stuiteren vandaag heel wat af en ’s avonds op de camping kijk ik eerst of ik al mijn vullingen nog heb.

Maar los van dat gestuiter zijn er ook prachtige routes over vlonders door de duinen en fietspaden langs de boulevards.  En we hebben het geluk dat we op een oude Romeinse weg zitten en lopend over een brug van stenen mogen. We zien hele mooie dingen van Portugal. Viano do Castello is een prachtige stad met een mooi centrum. De kerken zijn hier heel anders dan in Spanje met meer Moorse invloeden. We zien betegelde huizen en komen door kleine dorpjes. Kortom, we zijn de hele dag bezig met dik 50 kilometer maar zijn hier heel voldaan over.

Misschien moest ik aan Portugal wennen, maar met de Portugezen is goed om te gaan. Het is een aanraak-graag volk.Een hand op de schouder, even de arm aantikken. Er gaat een bepaalde warmte en intimiteit vanuit. Ze spreken vaak ook redelijk Engels of Frans en zijn minder xenofoob dan de Spanjaarden.

De campings zijn nog steeds erg rustig en we hebben alle keus voor een mooi plekje. Bij de tent koken we weer een maaltje. Af en toe sputtert het maar tussen de druppels door kunnen we alles warm krijgen en opeten. De camping heeft een doorgang naar het strand en voor het eerst deze vakantie staan we met de blote voeten in de Atlantische oceaan. We kunnen maar een conclusie trekken: het was een mooie dag vandaag.

Dag 63:

Vandaag fietsen we naar Porto. Het is weer een stuk langs de kust. Die verveelt eigenlijk nooit. We komen weer door authentieke vissersdorpjes, fietsen veel langs het strand en vaak over houten loopbruggen waar ook de camino over loopt.

Afwijkend is wel dat we met regen opstaan. Vannacht heeft het geregend, maar ook vanochtend tikte het nog op de tent. Wel kunnen we droog ontbijten maar als we onderweg zijn, miezert het nog steeds. Dat lossen we op door een koffie te doen bij een strandtent. Daarna is het droog en gedurende de middag begint zelfs de zon weer te schijnen.

In een klein dorpje stoppen we bij een bijzonder restaurantje. De abuelo (grootvader) staat op een bbq de vis en het vlees te bakken. Tweelingzussen bedienen. Ik kan ze alleen uit elkaar houden omdat de een bril draagt en de ander niet. En ze doen dit met een zekere flair. We eten uitstekend met vis die zojuist uit de oceaan gehaald is. En omdat we de tafel delen met een Portugese Duitser komen we veel te weten over de gebruiken.

Povoa de Varzim is een grote badplaats vergelijkbaar met Katwijk aan zee. Een boulevard, strand met strandtentjes en veel winkeltjes. Maar hier hebben ze prachtige tegeltableaus. Ik dacht dat wij er wat van konden met ons Delfts blauw maar hier zie ik ze nog veel mooier.

Vila do Condo is een heel oud stadje dat we even in fietsen. Het oude centrum, bij de haven, is inderdaad mooi maar door de totale constipatie met auto’s (zoals in veel Portugese steden) verliest het veel van zijn charme. Iets verderop moeten we een heel stuk omfietsen omdat de route langs de zee is afgesloten. In Portugal doen ze niet aan het aangeven van omleidingen en we moeten onze eigen weg zoeken. En naar het binnenland gaan betekent automatisch klimmen. Een zweterig stukje.

Iets voor Porto, in Leixoes, moeten we de inham Rio Leca oversteken. Er zijn twee bruggen. Een kleinere weg met een fietspad en de snelweg. Natuurlijk willen we de eerste maar die brug staat open en lijkt voorlopig ook niet dicht te gaan. Dan maar via de snelweg. Dat blijkt een stressvolle onderneming te zijn op een strook van minder dan een meter terwijl het verkeer met 120 km/uur langs je heen raast. Als we erop zitten, blijkt aan de andere kant van de vangrail een looppad te zijn. Gevoed door de stress til ik de fietsen (ongeveer 50 kg met bagage) erover heen. De komende dagen herinnert mijn rug eraan dat dit geen handige actie is.

Ook Porto in fietsen is geen feest. Grote, drukke wegen met veel verkeer dat geen enkele rekening houdt met fietsers. Die laatste paar kilometers slopen me volledig en ik ben blij als we bij onze Airbnb aankomen. Een mooi hostel met veel faciliteiten maar wel met een prive-kamer. Alleen jammer dat we weer op de bovenste verdieping zitten. Dit betekent dat we alle bagage zes trappen omhoog moeten sjouwen. In de hostel is het gezellig met andere reizigers, waar we samen mee eten. Het kon minder.

Santiago en het einde van de wereld.

Wat voor een rups het einde van de wereld is, is voor een vlinder het begin.

Nu we in Santiago zijn, lijkt het me goed een klein beetje historie te geven over deze pelgrimsreis. Onderstaande informatie heb ik uit het boekje van Clemens Sweermans, de maker van de routeboekjes.

St. Jacob was naar Spanje geweest om het geloof te verkondigen. In het jaar 44 is hij teruggekeerd naar Jeruzalem. Een slechte beslissing, want hij verloor daar zijn hoofd. Zijn volgelingen waren ook niet zo slim en stapten, met zijn lijk,  in een bootje zonder roer en dreven aan land bij Iria Flavia, in de monding van de Rio Ulla, het huidige Padron. Daar moesten ze een draak verslaan en stieren temmen. Pas toen mochten ze verder landinwaarts om de apostel te begraven op een grafveld in Amoa, het huidige Santiago, alleen maar om jarenlang vergeten te worden.

In 813 had de kluizenaar Pelayo, na een avondje doorzakken, een droom waarin hij werd gewezen op het vergeten graf. De heuvel waar Jacobus lag werd door sterren verlicht, vandaar de naam Compostella. (Campus Stellea betekent ‘veld van sterren’). Allerlei belangrijke mensen gingen zich ermee bemoeien en er kwam een kerkje (wat later een kathedraal werd).

Naast de sukkel met schelp en waterzak die je meestal ziet, is St. Jacobus ook bekend als de Matamoros, oftewel de Morendoder. Op een essentieel moment in de strijd tegen de Moren kwam hij te paard en besliste de strijd. Stoere vent zo.

Mensen kregen hier lucht van en de eerste pelgrims dienden zich aan. Om boete te doen voor een misdaad, het krijgen van een gunst of om religieuze redenen. De route heet dan nog de Sterrenweg. En als wij denken dat we het moeilijk hebben, vroegaah was het nog veel erger. Moren, Noormannen en bandieten vielen eeuwenlang de pelgrims lastig. Onder de regering van Keizer Karel de Grote werd het beter voor de pelgrims. Er werden wegen aangelegd, Moren, Noormannen en bandieten werden verdreven en er werden kloosters en abdijen gebouwd voor de opvang.

Pelgrims gaan gekleed op een van de volgende manieren; Een zware mantel, een hoed met brede rand, een stok en een water- en broodzak is de ene manier. De andere manier is stijlvol gekleed in een grijze driekwart broek, dito sneldrogend shirt en Vaude fietstassen voor water en brood (zie hier). Vroeger sliepen de pelgrims in portalen van kerken (als misdadiger moest je eerst een aflaat halen voordat je de kerk in mocht) en refugios. Tegenwoordig zijn het hotels, Airbnb, Booking.com of simpele auberges. Deze laatste moet je zien als een soort hostels met slaapzalen waar je met een geloofsbrief (credential, dat papier waarop wij de stempels verzamelen) terecht kon.

De Codex Calixtinus noemt vier belangrijke routes door Frankrijk. Drie daarvan komen bij St. Jean-Pied-de-Port samen om via Roncevalles (de Roelantspas) de Pyreneeën over te gaan. Dit is de Navarra route. Een oudere route loopt via Oleron- Ste. Marie en de Col de Somport. Deze heet de Aragon route en dat is de route die wij nemen. Beide routes komen weer bij Pamplona samen en gaan daarna verder via de meest gebruikte route, de Camino Francés (of Camino Real = Koningsroute). Daarnaast zijn er nog meer routes zoals de Romeinse route en de meer noordelijk gelegen kustroute. Kun je het nog een beetje volgen? Ik niet en ik ben blij dat ik een GPS heb met daarop waar we langs moeten fietsen.

Nu is de Santiago route Europees cultureel erfgoed. Door de massale trek van de pelgrims (soms kwamen er wel 4000 pelgrims op een dag langs) is er veel uitwisseling geweest van culturen, (bouw)kunst en kennis. Overigens waren de meeste pelgrims analfabeet maar door de rijk versierde kerken en glas-in-lood ramen konden ze toch plaatjes kijken. Met name het laatste deel, door Spanje, kent veel culturele hoogtepunten. En dat hebben wij nu allemaal bekeken.

Dag 55:

Nu de Santiago-mijlpaal erop zit hebben we zomaar twee hele dagen vrij genomen van het fietsen. We hebben een mooi appartementje op 10 minuten lopen van het grote plein (Praza do Obradoro) voor de kathedraal. Mevr. van der Veeke begint met uitslapen, maar ik heb belangrijker zaken aan mijn hoofd. Ik loop er de laatste weken bij als een landloper, dus ik wil eerst naar de kapper. Het is wat lastig uit te leggen wat ik wil en zelfs de foto’s van een eerdere knipbeurt helpen niet maar het eindresultaat ben ik (en, veel belangrijker, Mevr. van der Veeke) tevreden mee,

Het regent de hele dag door maar ’s middags nemen we toch nog even een kijkje bij de kathedraal. We hebben geluk en pech. Geluk omdat de buitenkant eindelijk uit de steigers is en die kunnen we mooi zien. Pech omdat ze nu de binnenkant vol met steigers hebben gebouwd waardoor je niets, en met name St. Jacobus, niet goed kunt zien. Je kunt er nog wel even achter langs lopen en het beeld omarmen, zoals alle pelgrims doen.

Daarnaast brand ik (voor de zoveelste keer) een kaarsje voor een (oud) collega van me. Renske Vera is een jonge vrouw. Een fijne collega, altijd stond ze klaar als database beheerder. Altijd vrolijk en en levenshouding waar je jaloers op kan zijn. Ik heb groot respect voor haar. Maar de ziekte met de grote K heeft heer geclaimd. Het ging vrij redelijk maar de laatste berichten, die ik van haar krijg, zijn niet positief. Ik hoop dat ze dit nog leest.

Aan het einde van de dag zitten we, samen met Ria, lekker te borrelen bij een leuk café (Casino) in de stad. En daarna eten we in een Spaanse cafetaria waar ze een uitstekend menu del dia serveren (Cafe Candliejas). Beide punten heb ik op de kaart aangegeven. Ria gaat morgen richting Finisterre en daarna naar huis. Dus het is een soort van afscheidsmaal.

Dag 56:

Vandaag regent het nog steeds, maar minder vaak dan gisteren. Wij doen nog een rondje door de stad. Santiago is een mooie compacte stad, een beetje zoals Groningen. En het is eveneens een studentenstad, dus gezellig. De meeste gebouwen staan er mooi bij en het is leuk slenteren door Santiago. Overal zijn blije mensen, overal zijn souvenirwinkels maar we komen ook voor het eerst weer bedelaars tegen We gaan eerst naar de markthallen. Dat is leuk, maar niet bijzonder. Daarna gaan we naar het Museo do Pobo Galego. Dit is het antropologische- en volksmuseum van Galicië.

Het is gevestigd in het voormalig Santo Domingo klooster. Het is een prachtige tentoonstelling die alle aspecten van het Spaanse, en specifiek, het Gallische leven laat zien. Het mooist vind in de helix trap in het klooster. Het zijn drie trappen die verweven zijn in een draaiing.

Verder slenteren we door de stad om alles nog een (laatste) keer te bekijken. Zo komen we bij het Museo das Peregrinacions. Deze laat in een tentoonstelling het pelgrimeren in het algemeen, het pelgrimeren naar Santiago in het bijzinder en de groei van Santiago zien. Een uiterst boeiende tentoonstelling die de moeite waard is. En met je compostolaat betaal je maar de helft (€1,20) dus dat kan geen struikelblok zijn.

Het einde van de dag en de avond is het lekker loungen in ons luxe appartement. Morgen weer op de fiets richting Finisterre. Ik heb er nu alweer zin in.

Dag 57:

We zijn nog niet klaar met onze Santiago-reis. Voor ons houdt deze pas op bij Finisterre, het einde van de wereld. Daarheen fietsen hebben we in twee stukken gesplitst. Op het kruispunt in de route waar we afbuigen (Olveiroa) naar Portugal heb ik een Auberge geboekt. Daar laten we onze spullen staan en gaan op en neer naar Finisterre. Dat is dan ongeveer 65 kilometer. En dan hebben we vandaag ook 62 kilometer. Maar het zijn geen leuke kilometers vandaag. Om Santiago uit te komen moeten we langs grote, drukke wegen. Op een gegeven moment zitten we zelfs op een vierbaans snelweg waar we alleen op een smalle strook kunnen fietsen terwijl het verkeer langs ons heen raast. Na ongeveer 10 kilometer wordt het een tweebaansweg waar ze nog altijd met 100 km/uur langs komen. Wij noemen dit hesjes-wegen. Hier doen we onze bouwvakkers hesjes aan om beter zichtbaar te zijn.

Door het verkeer is er weinig aandacht voor het landschap. Het is wel mooi, maar het sneeuwt een beetje onder door het verkeersgeweld. Het zij zo, ik denk ook dat het niet anders kan. De grote weg zoekt de gemakkelijkste route. Zodra je hiervan afwijkt, wordt het meteen klimmen. En naar het einde van de wereld zijn ook maar weinig wegen.
Toch is er nog wel wat te zien. Bij het oversteken van de Rio Tabre zien we verderop de Ponta Vella liggen. Volgens sommigen een meesterwerk in de Romaanse bouwkunst.

Na A Pereira wordt de weg gelukkig wat rustiger. Het is wel fijn asfalt en dat maakt het op en neer klimmen wat gemakkelijker. Ik kan merken dat de rust het lichaam goed heeft gedaan. Het klimmen gaat een stuk gemakkelijker.

Bij Brandomil komen we nog een mooie brug tegen. Het onderstel is nog uit de Romeinse tijd, want vroeger liep hier een Romeinse weg. Er is een nieuwe brug op gebouwd en die ligt er als een plaatje bij. En met Mevr. van der Veeke erop wordt hij alleen maar mooier.

Zo komen we vrij gemakkelijk op ons overnachtingsadres. Een mooie, moderne auberge met alle faciliteiten. Morgen ronden we de Santiagoreis af.

Dag 58:

Vandaag is de langste dag en dat wordt gevierd met prachtig weer. Eigenlijk een van de mooiste dagen, qua weer, die we gehad hebben tot nu toe. Vandaag fietsen we op en neer naar Finisterre, oftewel het einde van de wereld. Ik heb het wat onderschat want met 74 kilometers en 1356 hoogtemeters (de meeste tot nu toe) is het een flinke kluif. Maar goed, we doen het gewoon en het blijkt een prachtige dag te zijn. Eigenlijk meer hoogtepunt dan de aankomst in Santiago.

We klimmen eerst een stukje. En daarna is het een lange afdaling naar Cee. Het is lang geleden dat we op zeeniveau waren en voor het eerst zien we dan ook daadwerkelijk de zee want Cee ligt aan het water.

Cee, maar eigenlijk meer Concubion aan de overkant.

Na Cee moeten we weer de landtong over en daar ligt natuurlijk een berg. Maar als we daar overheen zijn, zien we het plaatsje Fisterra en links daarvan Cabo Finisterre liggen.

Fisterra was eigenlijk een vissersdorpje maar door de Camino en de stroom pelgrims is het nu meer een toeristisch oord geworden. Je struikelt er over de albergues, de souvenirwinkeltjes en de horecagelegenheden.  Maar je komt er doorheen als je naar het einde van de wereld wilt. Dit is niet het meest westelijke puntje van Europa (daar komen we later nog in Portugal) maar het is een goede tweede. Wij hebben nog één vakje over op onze pelgrimspas en daar komt de laatste stempel.

De kaap is al sinds prehistorische tijden een mythologische rituele plaats. Er zijn minstens drie zonnen-altaren gevonden waar bij zonsondergang offers werden gebracht met als thema ‘herboren worden’. Hier lag het einde van de sterrenbaan, de voorloper van de camino. Walvissen brachten een eer aan Sta Maria, in deze omgeving ligt de mysterieuze stad Doyo bedolven en Romeinen bouwden er een zonnealtaar. Kortom het is een magische plek waar je geweest moet zijn. Voor ons zit de magie niet in deze dingen maar in het feit dat hier kilometerpaal 0 van de camino staat.

Op dit punt staat ook de vuurtoren. En als je daar omheen loopt dan kom je op de uitstekende rots in zee die de kaap moet voorstellen. Hierna zie je eigenlijk alleen maar water. Maar als je de andere kant op kijkt, zie je waar we vandaan komen. We maken daar nog een paar foto’s en eten er een meegebracht broodje. Dat wordt opgemerkt door de lokale bevolking, die een hapje mee komt eten.

Hiermee ronden we onze camino af. Wat ons betreft is het klaar ondanks dat we in Portugal nog regelmatig de Portugese camino tegen zullen komen. Maar dan fietsen we van Santiago af, in plaats van er naartoe. Het was een prachtige tocht en ik kan hem iedereen aanraden, als je de tijd ervoor hebt en voor neemt.

Hiermee eindigt onze pelgrimsreis naar Santiago. We gaan hierna richting Portugal. Er zullen dan minder blogs komen want het schrijven, informatie zoeken, foto’s uitzoeken en bewerken en het plaatsen kost elke dag best veel tijd. Het begint haast op werk te lijken. Waarschijnlijk ga ik straks naar één blog per week. Maar goed, het bloed kruipt waar het niet gaan kan, dus we zien wel.

Laatste loodjes

A good traveler has no fixed plans, and is not intent on arriving – Lao Tzu

Dag 51:

Vandaag hebben we de laatste grote klim in de Santiago route op het programma staan. We gaan nog één keer naar iets boven de 1300 meter. Een klim van 700 meter. Dat is 100 meer dan de klim van eergisteren en 100 minder dan de klim naar de Somport. We zijn lekker uitgerust maar tegen de kou doe je niets. Het is weer 6 graden als we opstaan. Erg afwijkend van mijn verwachtingen van Spanje, maar het zij zo.

De weg is erg rustig, af en toe komt er een auto langs. We zitten op de oude weg, er loopt een nieuwe snelweg parallel en die zien we soms boven ons en soms onder ons.

Gestaag klimmen we omhoog. Bij Las Herrerias denken we aan de koffie te kunnen maar de wandelroute duikt naar beneden naar het dorp en de fietsroute gaat er omheen. We willen graag de hoogte houden dus dan maar een eigen koffie. Daarvoor vinden we een perfect plekje in de zon.

Bij Puerto Pedrafite komen we Galicië binnen. Hier halen we alsnog de koffie in. We zitten inmiddels op 1100 meter en het is al 12 uur geweest. Het gaat gestaag, maar niet hard. Puerto Pedrafite is het begin van Galicië en hier ligt ook een waterscheiding.

Vanaf hier vloeit het water naar het westen. Het landschap verandert ook. Omdat het hier meer regent, is het groener. Meer bossen en weiden. Van oudsher (6e eeuw vóór Christus!) vestigde zich hier een Keltische cultuur en die is nog steeds behouden gebleven, ondanks de overheersing door de Romeinen, De Germanen, de Westgoten en de Moren. We zien het aan de gestapelde stenen muurtjes, de tweetalige borden en horen het aan de gaida (kleine doedelzak) muziek. Een mooi voorbeeld is Cebreiro, waar we als eerste hoogtepunt doorheen komen.

Cebreiro is een dorpje met maar 20 huizen en een pré-romaans kerkje. Het bestond al in de 9e eeuw en kreeg in de 10e eeuw de titel van hospital voor pelgrims. Het kerkje is nog in zijn oorspronkelijke staat en heeft een prachtig genade-beeld van Santa Maria la Real. Ook is er de mythe van de heilige graal, die hier verstopt zou zijn. In de kerk staat dan ook een beker in een glazen kastje, maar het lijkt me sterk dat dit de echte is. Het dorpje is overigens een nationaal monument.

Een ander opvallend bouwwerk is de Palloza. Dit is een ovaal verblijf met een rieten dak wat deels ondergronds ligt. Het blijkt goed bestand tegen de extreme winterse omstandigheden hier. Onderweg zien we er overigens meer.

Bij Cebreiro nemen we een lange pauze met het Menu del Dia. Je zou denken dat hierna de afdaling begint, maar dat is niet waar. We dalen eerst een stukje, klimmen weer wat, dalen wat en klimmen dan naar 1335 meter bij Alto de Poio. Het hoogste punt van deze route. Daar staat een beeld van een zwoegende pelgrim tegen de wind in.

En vanaf hier is het een orgastisch heerlijke afdaling.  Mooi asfalt, een bijna lege weg en 690 meter die we naar beneden gaan.

Dat brengt ons in Triacastela. We wilden eigenlijk verder, maar Ria zit hier in een Auberge waar ze ook nog plaats hebben voor ons. Voor €8 per persoon krijgen we een stapelbed op een zaaltje van 4 stapelbedden. Dat is goedkoper dan de camping gisteren. We kiezen eieren voor ons geld, halen een pak Sangria in de aanpalende supermarkt en sluiten daarmee de dag af.

Dag 52:

Het was een onrustige nacht. In een Auberge deel je de kamer met andere reizigers. Bij ons kwamen vier Spaanse mannen erbij, die op de mountainbike de wandelroute fietsen. Het leek me twee vaders met hun zoons. In plaats van naar de centrale ruimte te gaan, hielden ze de hele avond een stand-up meeting op de kamer terwijl wij daar lagen te lezen. En nadat het licht uit ging, begon er een te zagen of zijn leven ervan af hing. De ramen trilden in de sponningen. De enige manier om dit te overleven was het luisteren naar muziek. Gelukkig werd het om half twee rustiger.
Dit duurde tot ongeveer half zes. Het plafond en de vloer boven ons is een en dezelfde plank. Om half zes beginnen de eerst lopers al te stommelen en in te pakken. Niet zachtjes, maar in polonaise. Ik weet zeker dat ik flarden van André van Duins ‘Er staat een paard in de gang’ hoorde, en het betreffende paard deed mee in de polonaise. Maar goed, dat is het Auberge leven en je moet het eens meemaken. Een voordeel is wel dat we vandaag vroeg op pad waren inclusief een ‘hug’ van onze herbergier Manu (Manuel).

We hebben eerst nog een stuk afdaling tegoed. Die brengt ons in Samos, een plaatsje dat totaal gedomineerd wordt door het Monasterio San Juan de Samos, een van de oudste kloosters van Spanje. Op dit moment wonen er nog maar weinig paters, maar je kunt er als pelgrim ook overnachten. Jammer, gemiste kans, had ik wel willen doen.

Overigens is in Galicië de taal iets afwijkend van het normale Spaans, het Castilliaans. Iets wat ook voorkomt in de omgeving van Barcelona (de taal is daar het Catalaans) en uiteraard in Baskenland waar op borden naast Spaanse ook Baskische teksten staan. Het Galicisch (Galego) is een mix van Spaans en Portugees. Zo staat bijv. de letter ‘x’ in het Galego gelijk aan de letter ‘j’ in het Spaans. Xunta in het Galego is dus Junta in het Spaans, een term die de overheid aanduidt. En Sint Jacob heet er San Xacobeo. En het monasteria San Juan wordt hier San Xulian genoemd..

Saria is de volgende stad waar we doorheen komen. Het is een lelijke stad en voor we het weten zijn we er alweer uit, inclusief de omleiding omdat een brug eruit ligt. Ik kan er weinig over vertellen en nog minder van laten zien. Wel kijken we even op de markt in Paradela, de volgende plaats. Lokale specialiteit is de pulpo, grote inktvissen die gekookt en in stukjes geknipt worden. Sommigen eten het rauw maar dat gaat niet altijd goed.

We gaan door naar Portomarin, een stadje aan het stuwmeer in de Rio Mino. Helaas ligt het op een heuvel en moeten we flink klimmen om in het centrum te komen.

Het centrum oogt heel ordelijk met een strak stratenplan. Het is namelijk opnieuw opgebouwd toen het oude Portomarin in het stuwmeer verdween. Een aantal gebouwen is steen voor steen afgebroken en hogerop weer opgebouwd, waaronder de San Nicolas kerk die eruit ziet als een vesting.

Het landschap is wel groener dan de afgelopen dagen, maar er is ook duidelijk minder te zien. Geen verre uitzichten en zelfs als we op een heuvel zitten, is er weinig uitzicht door het struikgewas. We zijn wel even verbaasd over de Horreos. Ik dacht eerst dat het een soort van mausoleum was, maart het blijken karakteristieke graanschuren voor dit gebied te zijn. Ze komen overigens ook in Portugal voor.

Het wordt uiteindelijk een zware dag met veel hoogtemeters. Ook de laatste 13 kilometer blijkt flink klimmen te zijn. Ik had dat niet zo ingeschat op het profiel, maar het valt best wel tegen. Gelukkig hebben we een mooi B&B geboekt in het mini-dorpje Castromaior, iets van de weg af. Hier kunnen we even bijkomen. Santiago komt al aardig in zicht.

Dag 53:

Voor het eerst is het mistig als we opstaan. Voor de veiligheid doen we onze hesjes aan want we hebben vandaag een lang stuk langs drukkere N-wegen. Maar het eerste deel zitten we nog samen met de lopers op de route. Vanaf hier is het gewoon belachelijk druk. Het is minder dan 100 kilometer en de meeste lopers beginnen hier dus. Het zijn heel veel Amerikanen, Aziaten en Spanjaarden. En dan nog wat andere nationaliteiten. De sfeer is gemoedelijk het Bueno Camino klinkt dan ook regelmatig.

Er is niet veel te zien vandaag maar voor Ligonde is een stenen kruis uit de 16e eeuw. Alle wandelaars laten hem links liggen, maar ik vind de afbeeldingen erop bijzonder genoeg om even te stoppen. En als we dan stilstaan, dan stoppen de wandelaars ook meteen, nieuwsgierig waar we naar kijken. Aan de ene zijde is Christus afgebeeld en aan de andere kant Maria met haar dode zoon. Een beeld met veel expressie.

Iets voor Paleis de Rei komen we op de N547 en daar blijven we op tot Melide. Het is een drukke weg met veel  verkeer. Gelukkig is het zondag, dus er is niet zoveel vrachtverkeer, maar het is gewoon minder leuk fietsen. Het landschap is aardig met wat bos en af en toe een dorpje. En daar is dan weer een kerkje, een pelgrimsbegraafplaats of een oude brug. Pas in Melide komt er wat leven in de brouwerij. Het kerkje in het begin van Melide heeft een bijzonder kruis. Geen Christus die eraan hangt, maar alledaagse voorwerpen, zoals een ladder, een hamer, een nijptang en een beker.

Melide zelf is druk. Al het verkeer loopt door het centrum en moet op elkaar wachten. Een soort van Onderdendam maar dan in het groot. Wij nestelen ons op een terras in het centrum om dit aan te zien en bestellen daarbij een Sangria en wat te eten. Zo zien we het Spaanse zondagsleven aan ons voorbij trekken.

Hierna is het nog 20 kilometer zwoegen naar onze overnachting. Het zijn weer veel korte klimmetjes vandaag die opgeteld tot boven de 900 hoogtemeters komen. Dat is meer dan de klim naar Cruz de Ferro. De mist is allang opgelost en het wordt Spaans warm. We tikken Arzua nog even aan, de laatste grote stad vóór Santiago. De landschappen beginnen weer wat open te raken en ondanks het zweten genieter we er wel weer van.

Het vinden van een overnachtingsplek hier was wat problematisch. Omdat er zoveel lopers zijn, zit alles snel vol. En de prijzen zijn verdubbeld. Maar bij een Casa in the middle of nowhere, dat niet eens zover van de route blijkt te liggen, lukt het nog om een mooie kamer te krijgen. Het is een bejaard echtpaar dat alleen Spaans spreekt. Met handen, voeten en Google Translate komen we een heel eind. In de riante tuin slijten we onze laatste uren. Morgen zijn we in Santiago.

Dag 54:

Omdat we gisteren geen boodschappen hebben kunnen doen, besluiten we eens een Spaans ontbijt te nemen. En, zoals we al dachten, is dit niet heel uitgebreid. We krijgen wat fruit en yoghurt, wat geroosterde stukjes stokbrood, wat jam en koffie. We kunnen er even op vooruit maar als ik dan een ontbijt koop, dan geef ik de voorkeur aan een Engels ontbijt.

Het is vandaag nog 30 kilometer maar met een hoop klimmetjes want in deze korte afstand halen we nog meer dan 700 hoogtemeters. De route kan ik alleen maar mooi noemen. We gaan grotendeels door het binnenland en door kleine dorpjes. We zien hier veel eucalyptusbomen die de neiging hebben om te vervellen. Op de grond liggen enorme stukken bast waardoor er nauwelijks wat anders groeit. Een ander probleem is dat deze bomen wat olieachtig zijn en dat een bosbrand hier een probleem is. Ook zien we dat veel van de huizen een soort eigen watertorentje hebben. Ziet er futuristisch uit met al die ufo’s op een paal.

Het duurt erg lang voordat we een glimp opvangen van de kathedraal van Santiago. Pas een kilometer of twee voor de stad, zie je net de puntjes van de torens.

Daarna is het door smalle straatjes klimmen naar het plein. Tegen 1 uur zijn we er. Mijn GPS track houdt op ergens aan de zijkant van de kathedraal die behoorlijk in de steigers staat. Ondanks het feit dat ik blij ben met het bereikte einddoel, denk ik wel ‘is dit het nou?’. We vraag een voorbijganger een foto te maken en beraden ons op het vervolg.

Maar we moeten nog om de kathedraal heen om op het plein te komen. En dat is veel mooier. En ook veel drukker. Ik maak foto’s van een andere fietser en hij maakt foto’s van ons. Er hangt hier een jubelstemming en het is heel leuk om hier een tijdje te blijven kijken. Want iedereen is blij dat hij of zij is aangekomen. En de een is daar wat emotioneler bij dan de ander,

We zijn blij dat we er zijn na 54 dagen, 2945 kilometers en 22435 hoogtemeters. Het voelt heel goed om dit op eigen kracht gedaan te hebben. Het lijf is tot heel wat in staat als je er de tijd voor neemt.

We zoeken het pelgrimsburo op om ons compostolaat te halen. En hier blijkt dat we niet de enigen zijn. We staan bijna twee uur in de rij voordat we aan de beurt zijn. En het is heel leuk om in de rij te staan want je staat daar met allemaal mensen die blij zijn dat ze het gehaald hebben. Sommigen hebben een kortere afstand gelopen of gefietst maar iedereen is in een fijne stemming.

Uiteindelijk krijg je een soort diploma (aflaat) waarmee al je zonden worden kwijtgescholden. Ik ben weer helemaal onschuldig.

Als laatste gaan we nog even een kopje thee drinken bij de huiskamer van het St. Jacobsgenootschap waar we lid van zijn geworden. Samen met wat andere fietsers en wandelaars wisselen we onze ervaringen uit.

Ik heb in Santiago een paar nachten een Airbnb appartementje geboekt. Hier gaan we eerst even bijkomen en vakantie vieren. En later gaan we Santiago nog eens goed bekijken. Deel 1 van onze reis is hiermee nog niet afgelopen. Later in de week gaan we door naar Finisterre, oftewel ‘het einde van de wereld’. Hier staat kilometerpaal 0 van de Santiago route. En dan hebben we hem echt helemaal gedaan.

Wild

One’s destination is never a place, but a new way of seeing things. – Henry Miller

Dag 45:

Ondanks dat we vandaag nog een kleine 50 kilometer fietsen, voelt het toch als een rustdag. Het traject is vlak en we hebben een klein duwtje in de rug. Al na 10 kilometer maken we een koffie aan de oever van de Rio Pisuerga. Deze vormt de grens met het vroegere koninkrijk van Leon. Tegenwoordig is het de provincie Palencia. De lopers moeten hier ook overheen en we zien er veel langs komen zo vroeg in de ochtend.

Bij Boadille del Camino is het druk. De Guarda Civil heeft een feestje en heeft zich hier verzameld. Het lijkt erop dat ze met de collega’s en families een etappe van de Camino lopen. Alles is uit de kast getrokken. Ik zie Guarda op de motor, in de auto, op de fiets en er cirkelt zelfs een helikopter boven ons. Ik realiseer me twee dingen; Mijn fiets heeft nog nooit zo veilig gestaan. En ik ben blij dat ik een helm draag. Want bij zoveel politie is er vast een pennenlikker bij die me anders bekeurd had.

Door de mensen zie je haast niet dit Boadilla del Camino meer te bieden heeft. De kerk van Santa Maria met bovenop meerdere ooievaars(nesten), die zich overigens niets aantrekken van een helikopter, en een gotische zuil van de rechterlijke macht uit de 15e eeuw. Misdadigers werden hier tentoongesteld als ze hun straf moesten uitzitten.

Bij Fromiste is het nog drukker. Het is een grotere stad en er komen zelfs bussen met toeristen heen omdat er zoveel te zien is. We komen eerst langs het Canal de Castilla. In tweehonderd kilometer overbrugt dit kanaal een hoogteverschil van 150 meter door 49 sluizen. Hier zien we er een paar. Het bijzondere is dat  ze gebogen lopen zodat er twee schepen naast elkaar geschut konden worden. Aan het kanaal is, in de 18e eeuw, bijna 100 jaar gebouwd en het is eigenlijk nooit af gekomen. Nu is het cultureel erfgoed.

In Fromiste zelf zijn meerdere kerken. We kijken eerst bij de San Pedro. Die begint net vol te lopen vanwege een bruiloft. Mooi om te zien hoe iedereen zich opgedirkt heeft hiervoor. Samen met de gasten stromen we stiekem de kerk nog even in om binnen te kijken.
De andere kerk waar we kijken is de kloosterkerk van St. Martin. In zijn pure vorm is dit een hoogtepunt van de romaanse bouwkunst. Bijzonder zijn de stenen figuren in de dakranden. We kijken er niet binnen want de Camino begint zo commercieel te worden dat je vanaf nu moet betalen om in de kerk te mogen kijken. En dat doen we niet want we hebben er al zoveel gezien.

In Villalcázar de Sirga torent de kerk ver boven het dorp uit. Ook daar gaan we even kijken maar de kerk is gesloten want er is een dorpsfeest. Ook aan de buitenkant is de kerk de moeite waard.

Carion des Condes is ons eindpunt van de dag. Camping El Eden heeft een mooi plekje voor ons als we tegen drieën arriveren. Het stadje heeft een lange pelgrimshistorie maar wij kiezen voor het luieren op de camping.
Ik probeer nog wel het lek in mijn matje te vinden. Want elke ochtend wordt ik op de grond wakker. Het gaat wel zo langzaam dat ik tot een uur of vijf goed lig, dus het is een heel klein gaatje. Ik spons het hele bed af maar kan hem niet vinden. Afijn, ik heb ik elk geval weer een schoon matje en lig morgen weer op de grond.

’s Avonds gaan we in het stadje wat eten. Op de Plaza Major is het druk. De hele stad komt hier flaneren, kletsen en eten. Ik denk omdat het zaterdag is. Wij eten paella op een terrasje en slaan het allemaal gade. Het is beter dan tv.

Van de weekdagen hebben we alle besef verloren. Feestdagen als Hemelvaart en Pinksteren gaan geruisloos langs ons heen. Die worden hier blijkbaar niet gevierd. We hebben geen idee meer of het woensdag of zondag is. Voor ons is er alleen nog gisteren, vandaag en morgen. En dat maakt het leven lekker simpel.

Dag 46:

We fietsen toch nog even terug het dorp in om naar de Santa Maria del Camino te kijken. Het portaal laat de sage zien van de 100 maagden die aan de Moren geschonken zouden moeten worden maar gered werden door een kudde woedende stieren. Ik had nog nooit 100 maagden gezien, dus ik was wel nieuwsgierig. Nou ik kan zeggen dat deze wel een face-lift en een likje verf kunnen gebruiken. Wat dat betreft staat de Santiagokerk , in het centrum, er beter bij. Jammer dat er zo’n foeilelijk afdak boven zit maar zo is het wel wat beter bestand tegen weer en wind.

De eerste 20 kilometer delen we deze keer de weg met de wandelaars. We komen er honderden tegen. Dat betekent ook 100 keer ‘Bueno Camino’ zeggen, vele malen bellen, als ze breeduit lopen, en hun minachtende blikken tolereren. Want een fietser staat lager in de camino-rangorde dan een wandelaar. Het leuk is wel dat Mevr. van der Veeke voldoende consternatie brengt met haar hoed. Emoties die ik heb langs zien komen zijn verbazing, afschuw, schrik, vermaak en bewondering.  Zo is er altijd wat te doen.

Ledigos laten we links liggen en zo komen we bij Sahagún. In 904 gesticht met de komst van een klooster. Meerdere malen door de Moren verwoest en weer opgebouwd. Daarna zeer welvarend geweest maar als we er nu doorheen fietsen, is daar niets van over. We komen binnen via een industrieterrein. Daarna door vervallen straten naar de Plaza Major. Dat is wel een aardig pleintje. Maar zodra je daar weer voorbij bent, is het weer armoe troef. Bij het verlaten van de stad komen we nog langs de resten van de grote San Benito abdij, maar die dwingt weinig respect af omdat hij ingebouwd is door een kermis. Het mooiste van Sahagún vonden we nog de graffiti en de klepperende ooievaars op de kerk.

Daarna hebben we een stuk van 31 kilometer over het Castilaanse hoogland. Het is hier leeg en verlaten en je kunt erg ver kijken. In het heilige jaar 1993 is hier een mooie wandelweg aangelegd van ongeveer 25 kilometer. Daarnaast zijn platanen geplant. Die zijn nu groot genoeg om er een mooie lange bomenrij van te maken. Wij rijden op de oude weg ernaast. Deze wordt nauwelijks meer gebruikt omdat ze een kilometer verderop, parallel, een snelweg hebben aangelegd. Het is heerlijk fietsen hier en met zulke wijdse blikken hebben de gedachten ook meer ruimte.

Hiermee halen we vandaag de 70 kilometer en eindigen in Reliegos. Een slaperig klein dorpje met een paar auberges, wat huizen en een alimentacion. Deze wordt gerund door een vrolijk mannetje dat nodig naar de tandarts moet. Maar hij heeft wel alles wat we zoeken, waaronder anderhalve liter Sangria. Hij is trouwens een representatief voorbeeld van de meeste Spanjaarden. Ze zijn aardig, belangstellend, in voor een grapje en innemend. Spanje heeft me positief verrast. Een fijn land om in te zijn.

In het dorp zou een zona acampada moeten zijn, een eenvoudige kampeerplaats. Wij kunnen hem niet vinden en het mannetje van de alimentacion wijst ons naar een picknickplaats voor wandelaars waar wel een kraan is. Bij gebrek aan beter zetten we hier de tent op.

Wel met de luxe van een picknicktafel. Hier koken we een eenvoudige maaltijd van pasta, vis en tomatensaus. En een sinaasappel na. Een mens heeft maar weinig nodig om tevreden te zijn. En ik kan melden dat anderhalve liter Sangria daar wel bij helpt. Er schijnen nog wolven in dit gebied te leven maar vlakbij staat de pelgrim die vannacht over ons waakt. Dus wat kan er mis gaan? Helemaal wild wordt het niet want ik zit ’s avonds in het tentje gewoon de laatste aflevering van GoT te kijken. En die aflevering is eigenlijk de enige teleurstelling van de dag.

Dag 47:

Ik heb prima geslapen, maar Mevr. van der Veeke lag niet helemaal gerust. Gelukkig is er niets spannender gebeurd dan een koude nacht. Het was helder en daardoor een temperatuur van 4 graden. We zijn gewoon weer terug op het niveau van enkele weken geleden. Ik draag meerdere lagen kleding en de eerste uren fietsen we met handschoenen aan.
In Mansilla de las Mulos kunnen we wat boodschappen doen. Hier splitst de fietsroute zich ook weer af van de wandelcamino. En dat vind ik jammer want het is toch wel gezellig met meer camino-gangers op straat. Je komt meer (open) horeca tegen en de openingstijden van de winkels zijn ook wat gunstiger. Én er zijn vaak mooie beelden onderweg te zien.

In Vega de Infanzones moeten we een keus maken. Willen we wel via Leon of niet? We kiezen voor het laatste ondanks dat Leon wel de moeite waard lijkt te zijn. Maar we merken dat we weinig zin hebben in een grote stad waar de voornaamste trekpleister de kathedraal is. En daar hebben we er nu al zoveel van gezien. We geven de voorkeur aan de rust en de ruimte en nemen de route onderlangs.

We komen hiermee ver buiten het camino-gebied en je ziet meteen wat voor positief effect de camino heeft. Daar zijn de dorpen redelijk tot goed onderhouden, er is leven en er is ruimte voor commerciële activiteiten. De dorpen waar we nu doorheen komen zijn verlaten en doods en er is niets te doen of te vinden. Geen bar, geen alimentacion en geen restaurant. In sommige dorpen is nog wat opleving doordat er bodega’s zijn, maar dat is dan ook alles.

In Villar de Mazarife komen de routes weer samen en we gaan door naar Hospital de Orbigo. Hier is een prachtige brug over de Rio Orbigo.

Hij lijkt erg lang deze brug maar de rivier heeft meerdere malen bewezen dat deze breedte nodig is. Van oorsprong Romeins en met 18 stenen boogjes is het een lust voor het oog. En natuurlijk is er een legende bij van Don Suero.

We hebben een lange dag vandaag. Dit doen we om gunstig voor de klim naar Cruz de Ferro uit te komen. Maar het laatste stuk valt tegen omdat de wind opsteekt en die hebben we pal tegen. Door op tijd pauzes in te lassen en rustig aan te doen, lukt het goed om de afstand te overbruggen zonder uitgeput te zijn. We hebben zelfs nog wat energie over om de bezienswaardigheden van Astorga te bekijken.

Het is een mooi stadje dat een knooppunt van routes is. Enerzijds natuurlijk de Camino, maar ook de Zilverroute, die vanuit Sevilla naar het noorden loopt, komt hier langs. Verder is het voormalig bisschoppelijk paleis een plaatje. Het is ontworpen door Gaudi die ook wat projectjes in Barcelona was gestart.

Ernaast staat de kathedraal. Ook al ben je net zo kerkenmoe als ik, het valt niet te ontkennen dat ze hier ook weer flink hun best hebben gedaan er wat moois van te maken. In de gevel is een klein getralied venster te zien met de tekst ‘Gedenkt mijn toestand, gisteren ik, vandaag gij’. Hier lieten vrouwen zich als boetedoening inmetselen en ze leefden van wat de voorbijgangers naar binnen gooiden.

Verder is Astorga bekend van de chocolade en de mantecada, een soort botercakeje die we eerder ook in Geraardsbergen (mattentaart) hebben gegeten.
Er is hier geen camping en we zijn weer eens toe aan een gewoon bed waarbij ik niet op de grond eindig, dus ik heb een hotel geboekt. Daar komen we lekker bij van een vermoeiende dagen kan alles weer opgeladen worden.

Dag 48:

Bijzonder dat zo’n hotelkamer bij binnenkomst als een vreemde aanvoelt en bij vertrek als een vriend. Op de een of andere manier, misschien door het verspreiden van je spullen, maak je de kamer ‘eigen’. We verlaten hem met weemoed. Het was goed toeven hier.

Vandaag staat in het teken van de klim naar de Cruz de Ferro. Dit is met zijn 1504 meter het hoogste punt van het Spaanse deel van de Camino. Daarom zijn we gisteren ook wat langer doorgegaan, zodat we vandaag min of meer meteen met de klim kunnen beginnen. Het eerste deel loopt nog gestaag omhoog en is goed te fietsen. Het is wel fris met 9 graden en een koude tegenwind. Gelukkig is er onderweg genoeg afleiding. We rijden eerst even Castrillo de los Polvazares binnen. Althans, dat proberen we want op die keitjes is niet te fietsen. Het is een karakteristiek voorbeeld van een dorp in de Maragateria streek. Kenmerkend zijn de smalle natuurstenen straatjes en vooruitstekende balkons. Zo vroeg in de ochtend ligt het in een rode gloed

Hierna klimmen we langzaam omhoog. We passeren Sta. Catalina de Somozo (waar we koffie drinken), El Ganso (met een scheef ooievaarsnest op de kerk), Rabinal del Camino (waar we nog een keer koffie drinken) en Foncebadon (waar niets te doen is). Door de klim op te knippen in stukjes lukt het goed om het vol te houden. We moeten tenslotte wel 600 meter omhoog. Hieronder wat foto’s van de klim.

Uiteindelijk komen we bij Cruz de Ferro. Dit simpele ijzeren kruis, bovenop een boomstam, staat bovenop een steenhoop dat de grens markeert tussen Maragateria en El Bierzo.

Pelgrims leggen hier in het algemeen een steen erbij op de hoop. Meestal wordt die van thuis meegenomen en dit symboliseert het afleggen van ‘een last’ en daarmee het ingaan van een nieuwe levensfase. Ook ik heb een steen meegenomen van thuis zoals je in de eerste blog hebt kunnen lezen. Die voeg ik toe aan de bult. Hiermee laat ik wat achter en begin ik wat nieuws.

Als wij er aankomen, zijn we bijna alleen. Later komen er hele groepen, zelfs met een bus, die het monument bevolken. Tijd voor ons om verder te gaan.

Helaas zijn we nog niet uitgeklommen. We dalen een stukje naar Manjarin. Hier heeft een groep, die zich Tempeliers noemt, een alternatieve auberge opgericht. Bij het verblijf krijg je een gratis hersenspoeling.

Vanaf hier klimmen we weer boven de 1500 meter en daarna begint de vrije val naar beneden. Het is erg steil maar je kunt niet heel hard door het slechte wegdek. Ik sta regelmatig met rokende remmen aan de kant te wachten op Mevr. van der Veeke. Die, op haar beurt, ook met rokende remmen aankomt. Gelukkig heb ik reserve blokjes mee. Maar de uitzichten zijn adembenemend en regelmatig moet er ook een foto gemaakt worden.

Bij El Acebo zien we weer wat beschaving. Door de camino is het dorp weer opgeknapt met de karakteristieke buitentrappen en de uitstekende balkons.

In Molinaseca bewonderen we de boogbrug en de San Nicolaskerk, die er als een vesting bijstaat.

Ons eindpunt van vandaag is Ponferrada. Een grotere stad dan ik gedacht had.  De naam komt van de granieten brug met de ijzeren leuning, die hier vroeger, speciaal voor de pelgrims, gebouwd is. Van die brug is niets meer over, maar het laatste bastion (12e – 14e eeuw) van de Tempeliers staat er nog wel. Het kan zo naar Disneyworld in Parijs.

De tempeliers was een ridderorde die oorspronkelijk was opgericht om de pelgrims te beschermen. Later werden ze een van de eerste bankinstituten ter wereld. Uiteindelijk zijn ze ten onder gegaan aan de alcohol. Hun laatste motto was dan ook ‘bibe plus quam vis destruit‘.


We konden mogelijk bij een auberge kamperen maar bij Cruz de Ferro heb ik toch weer een hotel geboekt. We zijn best moe maar vooral verkleumd door de tocht. Tot Ponferrada is de de temperatuur niet in de dubbele cijfers gekomen. En de inspanning warmde niet echt op omdat we zulke efficiënte fietsmachines zijn geworden. Om dan een avond bij de koude tent te moeten zitten, dat wil ik Mevr. van der Veeke niet aandoen. Ze heeft tenslotte weer een prachtige prestatie geleverd vandaag. Zo zitten we weer comfortabel en kunnen we zelfs de energie opbrengen om nog in de stad te gaan eten. Successen moeten tenslotte gevierd worden

Dag 49:

Als ik onder de douche sta, dan voelt het lichaam nog moe. De klim van gisteren en de vele kilometers de dagen ervoor hebben hun tol geëist van ons lichaam. Gelukkig hebben we vandaag een korte dag met maar 35 kilometer. Die brengt ons bij een camping die vlak voor de volgende klim ligt. We doen lekker rustig aan en zitten pas om 10 uur op de fiets. Al na 8 kilometer zitten we aan de eerst koffie en bij 15 kilometer de tweede. De koffie is hier spotgoedkoop én lekker. Daar kun je zelf niet voor maken. En zolang we op dezelfde route zitten als de wandelaars, zijn er gelegenheden genoeg.

Het Bierzo dal is groen. Er zijn hier fruitbomen, wijnvelden en groene bossen. En het is ook heuvelachtig. Het hoogteprofiel heeft me hierin een beetje misleid want ik verwachte eigenlijk een gemakkelijk stukje en nu zwoegen we weer omhoog en omlaag.

In Villafranca de Bierzo gaan we over op de laatste etappe van de Santiago-reis. Vanaf hier is het ongeveer nog 200 kilometer naar Santiago. Het is een mooi stadje dat eigenlijk door Franse migranten opgebouwd is nadat het tijdens de Reconquista vernield was. De Santiagokerk hier heeft een bijzondere functie. Onder de ‘Poort van vergeving’ konden de pelgrims die te ziek, zwak en misselijk waren om verder te gaan toch een aflaat van hun zonden krijgen. Wij kunnen gelukkig nog een stukje verder, zeker nadat we een menu del dia hebben weggewerkt. Voor €12 heb je dan een drie-gangenmenu met een drankje. Kun je niet zelf voor koken. Daarnaast kijken we even in het gerestaureerde Calle del Agua maar die valt wat tegen. Daar moeten ze echt wat beter hun best doen want we hebben veel mooier gezien.

Na dit dorp begint min of meer de klim naar Cebreiro op 1300 meter. We doen alleen de eerste 10 kilometer en dat gaan als stroop in een trechter in de winter. We kunnen maar een conclusie trekken; het lijf is weer moe en wil meer rust dan deze korte dag. We hebben geluk dat we een prachtig campingplekje vinden. Aan het einde van een doodlopende weg ligt een mooi veldje. Er is een kantine bij met wel 20 soorten bier. Helemaal goed. Hier kunnen we weer eens een wasje doen en morgen lekker bijkomen. Want verder is hier helemaal niets te doen.

Dag 50:

Zzzzzzz-gaap-zzzzz-spetter-spetter-smak-smak-slurp-zzzz-smak-smak-gaap-zzzzz-smak-smak-slurp-gaaap-zzzzzzz