Over hansvanderveeke

Liefhebber van (vakantie)fietsen, (panorama)fotografie, Jack Vance boeken en alles wat bijzonder is.

De best verborgen schatten van Nederland (23)

Noot:
Deze blog maakt deel uit van een serie van artikelen over bijzondere plekken in Nederland. Het overzicht van alle plekken kun je vinden op mijn website. Daar kun je ook info-boekjes, kaartjes en gpx (route) bestanden downloaden.

Maandag 22 juni 2020

Ook deze post-corona-lockdown willen we graag weer op stap. Daarom begin ik zo langzamerhand weer meerdaagse fietstochtjes en Pieterpad wandelingen te plannen. Maar het vrije gevoel is er wel een beetje af. Kon je vroeger, als fietser, altijd zo bij een camping komen aanwaaien, dat is nu voorbij. Trekkersveldjes zijn gesloten en, omdat half Nederland nu op vakantie gaat in eigen land, moet je tegenwoordig je plek van te voren boeken. Ik heb dat dan ook gedaan en daardoor verandert het karakter van de tocht wel. In plaats van een trektocht, wordt het nu meer een standplaatstocht. Maar goed, het zij zo. We genieten er niet minder om en in de kop van Noord-Holland en Texel plan ik twee fietstochten waarbij we ons in Rusland, India en op Paaseiland wanen en langs een aantal mooie verborgen schatten komen.

Kerk Andijk

Stel dat je in Andijk woont en gereformeerd bent. Je gaat naar een houten kerk op palen die bij storm staat te schudden in de wind. Met de bollen heb je een hoop geld verdiend en het steekt je dat de katholieke kerk in het aanpalende dorp Wervershoof veel groter en mooier is.
Dan stap je over de zonde van hoogmoed heen en huur je de bekende Groninger architect Egbert Reitsma in. Die laat je een gebouw neerzetten waar niemand omheen kan. Veel bakstenen, veel glas in lood en veel expressieve driehoeken. Volgens sommigen het hoogtepunt van kerkbouw in de expressionistische bouwtrant van de Amsterdams school.

De toren moet een inspiratie zijn geweest voor de NASA die vervolgens zijn raketten op dezelfde manier ontwerpt. Het is een joekel van een kerk die degelijkheid  uitstraalt. Er kunnen 1200 mensen in en met name de binnenkant is prachtig door zijn ruimte met paraboolvormig gewelf. Helaas is de kerk gesloten (wat is dat toch met de gastvrijheid van God?) maar het schijnt er ook erg kleurig te zijn. Een aantal jaren na de bouw vond men dit iets vrij en werd alles met bruin overgeschilderd. Gelukkig kwam men later weer tot inkeer en nu zijn de oude kleuren hersteld. Je kunt hier een indruk krijgen van die binnenkant.

Nog wat andere feitjes; de kerk is in 1929-1930 gebouwd. Hij staat op 275 palen van 14 meter. Hiervan zitten er 56 onder de toren die 45 meter hoog is. Ook toen al was financiële planning een puinhoop. In plaats van de geschatte 125.000 gulden, werd het 185.000 gulden. Meer informatie kun je op Wikipedia vinden.

De kerk van Andijk ligt iets buiten de route en we komen er met de auto langs. Voor de volgende schatten heb ik een fietsrondje gepland. Dat is toch de mooiste manier om ze te bezoeken.

We fietsen eerst naar Winkel (de eerste winkel in Winkel die we zien heet geen winkel maar shop) om gelijk in de prijzen te vallen.

Dinsdag 23 juni 2020
76 km

Het Nederlands Kremlin

Toen Ger Leegwater op 40-jarige leeftijd gescheiden was, begon hij zich te vervelen. Hij kocht een stukje land in de buurt van Winkel en begon te bouwen met materialen die hij her en der vond. Het werd een obsessie en nu, 35 jaar later, staan er een paar bijzondere gebouwen in de polder en waan je je in Rusland.

Het is een privé-tuin dus ook de bezichtiging is op afspraak. Ik heb al wat heen en weer zitten mailen maar het is niet gelukt om tot een afspraak te komen. Als we er zijn, staat er op grote borden dat het gesloten is. Maar het hek staat open en ik kan het niet nalaten om naar binnen te lopen. In de schuur annex smederij vind ik een man. Onder de spinnenwebben, vlekken op zijn kleren en bezig met wat ijzer. Het blijkt Ger te zijn. Nadat ik een bijdrage doe voor de broodnodige materialen verandert alles en kunnen we gewoon de tuin in.

Het is lastig om geen sympathie voor Ger te voelen. Een bijzondere man die over van alles (dikke vrouwen, schoonfamilie, Italiaanse kunst, de Coronacrisis en Griekse mythologie) een mening heeft. Zijn passie is het bouwen van dit soort follies. Hij staat blij op als hij weer aan een torentje mag werken. Dat hij een bijzondere man is en ten volle geniet van  het leven is aan zijn filmpjes te zien die hij met zijn vrouw maakt. En zoals hij in de filmpjes is, zo is hij ook in het echt.

Het helpt dat hij vroeger smid is geweest. Hij kent de materialen en weet hoe ze vervormd kunnen worden. Zo klust hij dag-in, dag-uit aan zijn creaties. Vaak figuren uit de (Griekse) mythologie. Een van zijn opmerkelijkste uitspraken is; ‘Ik heb helemaal geen tijd om dood te gaan, dit moet eerst af.’ Hij heeft een uitgebreide site met informatie, foto’s, filmpjes en interviews. Andere informatie vind je hier. Gewoon een keer langs gaan. En ook al is hij niet open, vanaf de weg er omheen is ook genoeg te zien.

Hierna fietsen we door naar Kolhorn. Het landschap doet denken aan Noord-Groningen maar is toch anders. Enerzijds is er de leegte en de weidse uitzichten. Anderzijds zie je in Groningen weinig stolpboerderijen en fiets je niet op dijkjes. We hebben er prachtig weer bij en genieten met straaltjes.

Kolhorn

Rik Zaal roemt Kolhorn om zijn prachtige straatjes. Het dorpje, uit de veertiende eeuw, heeft geen bezienswaardigheden maar het is zelf de bezienswaardigheid. Aangewezen als rijksbeschermd dorpsgezicht. We naderen het via de ringdijk waardoor je het in de diepte ziet liggen. Het heeft inderdaad een paar schattige straatjes maar het grootste deel van het dorp is niet bijster interessante nieuwbouw. Is het de moeite waard? Dat mag je zelf beoordelen aan de foto’s. De leuke straatjes zijn overigens alleen lopend te bereiken. Wat ik nog het meest bijzonder vind is dat het tot 1844 aan de Zuiderzee lag. Nu lijkt het pal midden in Noord-Holland te liggen. Het IJsselmeer is 15 kilometer verderop. Wikipedia heeft een pagina over Kolhorn.

Kapel bij Keins

Iets boven Schagen ligt het gehucht Keins. In de 15e eeuw spoelden hier de golven nog tegen de dijk en een van de dingen die het meenam was een Mariabeeldje. Waar kwam dat beeld vandaan? Het spannende verhaal is dat het met een kanonskogel van een Portugees schip is afgeschoten. Aannemelijker is dat het van het Portugese schip Ariadne is afgeslagen toen het voor het Vlie was verongelukt. Ze maken het beeld schoon in een put en vanaf die tijd gebeuren hier wonderen met het water uit de put. Er wordt een kapelletje voor gebouwd en dat trekt mensen:

Wonderbare gunsten waren het loon deze devotie, en deden weldra ganse scharen van gelovigen toevloeien om er hunne noodwendigheden aan de ‘Troosteres der bedrukten’ te openbaren.

In de reformatie (1586) wordt de kapel vernield door de woesteling Taet Gerritszen en het beeld verdwijnt. Bijna 350 jaar (1930) later komt hetzelfde beeldje ineens weer boven water (deze keer figuurlijk bedoeld). Het wordt gevonden in een sloot in de Wieringermeer. Een waarlijk mysterie. Wat is er in de tussentijd gebeurd met het beeld? Tijdelijk in een zwart gat verdwenen? Je zou er een boek over kunnen schrijven.Er wordt een nieuwe kapel gebouwd met een replica van dit beeld. En daar zitten we nu naar te kijken.

En de put is er ook nog. Weliswaar afgesloten maar er staat in de kerk een emmertje met wonderwater. Zoals gewoonlijk smeer ik wat op mijn rug want je weet maar nooit. En ook deze keer wordt ik teleurgesteld.

Maar het verhaal is nog niet klaar. In een visioen ziet wichelroedeloper Wigbolt Vleer dat hij naar Keins moet. Op de Afsluitdijk begint zijn wichelroede al te trillen en bij Keins slaat de roede helemaal op hol. Het blijkt dat Keins op de Michaëlslijn ligt. Deze zogenaamde leylijn loopt van Santiago de Compostela, via Carnac en Le Mont Saint Michel, naar Hargen en de Keins en verder naar Oosterland op Wieringen, Harlingen en Wijnaldum, Sylt en Stockholm om vervolgens 4000 km van zijn beginpunt te eindigen in Archangelsk. Op leylijnen ervaart men de positieve kracht en kalmerende werking van aardstralen. Vandaar dat het plekje bij de put een weldadige rust uitstraalt. Het kan niet op want in totaal werden vanuit de put 132 leylijnen aangetroffen. Hiermee is de waterput op de Keins het sterkste leycentrum van Nederland. Mijn telefoon begint spontaan op te laden en we besluiten onszelf ook te regenereren met een bammetje bij de put. Geheel verfrist, uitgerust en opgeladen kunnen we verder.

Hierna moeten we een lang stuk overbruggen. Het is heerlijk om weer te fietsen. De zon schijnt, we hebben de wind in de rug en het landschap is aangenaam. Onderweg doen we nog de nodige caches en zo naderen we ongemerkt Medemblik. Daar is het druk en omdat de brug eruit ligt, moeten we een stuk omfietsen om bij Kasteel Radboud te komen. Dat is niet erg want zo zien we ook nog wat van Medemblik.

Kasteel Radboud

In Coronatijd kun je ook niet zomaar een museum binnenlopen. Er moet gereserveerd worden. Gelukkig kan dat een half uurtje van tevoren. Dat reserveren heeft ook voordelen. Stonden de andere bezoekers vroeger op je tenen, nu kun je alleen door het kasteel dwalen. Het kasteel, uit 1288, staat aan de oostkant van de ingang van de haven. Het is een van de kastelen die Floris V liet bouwen om de west-Friezen onder de duim te kunnen houden. Officieel heet het kasteel Medemblik maar de legende is dat het gebouwd is op de funderingen van de burcht van koning Radboud van de Friezen, die volgens de Divisiekroniek (1517) van Cornelius Aurelius in Medemblik zijn koninklijk woonstede zou hebben gehad.

Al in de 16e eeuw verloor het zijn functie en verviel daarna compleet. Er heeft ook nooit een adellijk geslacht gewoond om het onderhoud te kunnen en willen doen. In de 19e eeuw is het weer opgeknapt en nu is het eigendom van de Nationale Monumentenorganisatie. Interessant feitje is dat vlak voor de Tweede Wereldoorlog de Nachtwacht hier een tijdje veilig heeft gestaan.
We kunnen rustig alles bekijken. Je kunt goed zien dat het later opnieuw opgebouwd is. Het is veel te netjes en modern. Daardoor mis ik een beetje het ruige kasteel gevoel. Er staan wat harnassen en op zolder is een tentoonstelling van piraten en plunderaars. Je krijgt een audiotour mee met veel informatie. Voor informatie en het boeken van je bezoek kun je terecht op de website.

Tegen de wind in fietsen we het stuk terug naar de camping. We hebben daarvoor een mooie route die grotendeels over een steenslagpad door de velden en natuurgebieden loopt. Compleet met uitkijktorens.

We hebben een mooi schaduwplekje op de camping en de luxe van de auto. In de super hebben we voor €0,65 een zak ijsblokjes gekocht en daardoor heb ik zelfs koud bier. Het lijkt wel even vakantie.

Woensdag 24 juni 2020
21 km

De volgende dag verkassen we richting Den Helder. Alle boerderijen langs de duinen lijken wel een camping te zijn geworden. We vinden een kleintje iets boven Julianadorp. Vanuit hier doen we eerst een fietstocht naar Den Helder om de Lange Jaap en de hindoetempel te bekijken. In Den Helder heb ik als kind gewoond. Ik was te klein om daar wat van te herinneren maar we gaan toch even kijken of het huis er nog staat.

Lange Jaap

Door de duinen loopt de LF1 fietsroute. Al snel zien we de Lange Jaap opdoemen in de verte. Ik ben gek op vuurtorens, het symbool van de zee en met zijn rode kleur een archetype vuurtoren.

Lange Jaap is ontworpen door vuurtorenkeizer Quirinus Harder en in 1877/1878 gebouwd uit 1088 gietijzeren platen (506 ton) die met bouten aan elkaar bevestigd zijn.  Het is, met zijn 55 meter, de hoogste, nog werkende, vuurtoren van Nederland (een tijdje was dat deze). In eerste instantie werd het licht gegenereerd door olielampen (Argands) voor een stilstaande lens. In 1903 werd er een draaiend lenzenstelsel van gemaakt dat dreef in een bak met kwik. Bij een harde storm schudt de toren heen en weer en spat het kwik in het rond. Geen fijne werkomgeving. De twee schitteringen in tien seconden waren op 36 km afstand te zien.

In 1942 werd het licht elektrisch. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd de toren onklaar gemaakt. In 1945 kwam er noodverlichting en in 1949 een nieuw lenzenstelsel met vier schitteringen in 20 seconden. Waarom dit anders is dan twee schitteringen in tien seconden is me niet duidelijk. Pas in 1965 is de kwikbak vervangen door een kogellager. Het licht van de vuurtoren is op 54 kilometer afstand te zien en de toren werd in 1988 een rijksmonument.

Langs de noordzee fietsen we verder naar Den Helder. Het is inmiddels heet en druk. Van de Corona is weinig te merken. In de stad is het even zoeken naar mijn voormalig woonhuis. Inmiddels is de nummering veranderd maar uiteindelijk vind ik het terug. Samen met wat herinneringen. We eten een ijsje en gaan weer op pad.

Hindoetempel Den Helder

Als je het niet weet, dan is hij nauwelijks te vinden. En je komt er ook niet toevallig langs. In een woonwijk, tussen scholen en kantoren staat een kleurig gebouw. In Den Helder was altijd al een hindoetempel. Pas in 2013 kreeg het er een kleurige toren (‘Raja Gopuram’) bij. Vijftien Indiase en acht Sri Lankaanse kunstschilders zijn hier een tijd mee bezig geweest. De motieven moeten bewoners beschermen tegen kwaad. Ze hebben er een mooie locatie voor een feestje van gemaakt..

Het grootste deel van de dag (08:00–10:00, 11:30–13:30, 18:00–20:00) kun je hem bezoeken mits je een dag de spare-ribs en de hamburgers laat staan en je op blote voeten gaat. Natuurlijk weten wij het zo weer te plannen dat hij dicht is. Bijzonder om zoiets in Nederland te zien. De kleuren doen me beseffen dat we eigenlijk maar een grauw volkje zijn. Meer informatie hier.

De rest van de dag brengen we door op het strand. Het is bakken en braden daar. We hebben geen zwemkleding mee en gelukkig zit het FKK gedeelte naast de strandtoegang.

Donderdag 25 juni 2020
76 km

De volgende dag pakken we vroeg in en zorgen we dat we de boot van half negen hebben. In dit seizoen gaat de boot één keer per uur. Op het halve uur vanaf Den Helder en op het hele uur vanaf Texel. De Soepboermaffia heeft hier nog geen invloed op de prijzen. We kunnen voor het belachelijk lage bedrag van €5 oversteken, inclusief de fiets. Wel moeten we een mondkapje op.

Rik Zaal is redelijk lyrisch over Texel. Hij noemt het natuurwonder de Slufter, de Eierlandse duinen en de brede zandstranden. We gaan dat allemaal zien en meer. Na aankomst op Texel (waarom zeggen we eigenlijk op Texel maar in Groningen?) is het ’t gemakkelijkst om de Waddenkant te pakken (dus tegen de klok in). Hier zoeken we eerst een plekje voor het uitgestelde ontbijt. Het begint al warm te worden. Daarna zoeken we de eerste verborgen schat van de dag op.

Fort de Schans

Dit fort is in 1574 aangelegd. In die tijd was hier nog de buitengaatse ankerplaats van de Rede van Texel en die moest hij beschermen. Later groeide de schans uit naar een waar fort waar zelfs Napoleon aandacht voor had. Sterker, hij is er in eigen persoon geweest in 1811 en laat twee steunforten bouwen. Na de Franse tijd begint het verval en in 1930 graaft men een stuk af voor dijkverzwaringen. Eind jaren negentig neemt natuurmonumenten de restanten over en dit is wat er nu nog van overgebleven is. Wat begroeide heuvels en een kanon. We struinen wat rond. Omdat er inmiddels een grote dijk voor ligt, vind ik het moeilijk voor te stellen hoe het geweest is.

We blijven de dijk volgen en fietsen zo naar de noordkant van het eiland. Soms met de blik op de Waddenzee en soms naar het binnenland. Van alle Waddeneilanden geeft Texel me het minst het gevoel op een eiland te zijn omdat het zo groot is.

Bij de Schicht staan we even stil. Dit is het monument voor de versterkte zeedijken. Als je goed kijkt, zie je hun contouren in het monument. Bovenaan Texel ligt Cocksdorp. We zien het alleen uit de verte omdat we via de vuurtoren willen gaan. Hier is het druk. Veel fietsers, maar ook veel auto’s. Het lijkt wel of iedereen hier naar het strand wil. Wij fietsen een beetje verder en gaan bij paal 28 het strand op. Zo zien we meteen een stukje van de Eijerlandse duinen.

We verlaten het strand en gaan meer richting het binnenland. Hierbij komen we langs het duingebied van de Slufter. Het is een door duinen omsloten strandvlakte die in verbinding staat met de zee waardoor de invloed van eb en vloed aanwezig is. Hierdoor ontstaat een kwelderlandschap. De slufter is eigenlijk de naam van de kreek/kreken die door het gebied stromen. Tegenwoordig wordt ook op andere plaatsen van slufters en sluftervorming gesproken om door de duinen ingesnoerde strandvlaktes aan te duiden, waar de invloed van eb en vloed aanwezig is. Het zijn toponiemen; ze zijn afgeleid van De Slufter op Texel.
Je kunt er niet met de fiets doorheen maar je kunt er wel goed wandelen. Voor ons is het te heet en we hebben nog twee missies op het programma.

De Slufter.

De Moai van Texel

Het zijn inmiddels tropische temperaturen waarbij we ons in Spanje wanen. We fietsen naar de Eilandgalerij, vlakbij het vliegveld. Hier staat een heel speciaal beeld.

In 1721 vertrekken drie schepen vanuit de rede van Texel om het onbekende Zuidland te vinden. Dat vinden ze niet maar wel een onbekend bewoond eiland. En omdat het Pasen is, noemt Jacob Roggeveen het ‘Paascheyland’. Wij kennen het van de enorme stenen hoofden die lijken te horen bij enorme ingegraven lijven. Ze worden Moai genoemd.

In 1972 zoeken de bewoners van Paaseiland al contact met Texel. Het ligt dan wat gevoelig omdat Paaseiland nog bij Chili hoort. In de jaren negentig wordt dit contact vernieuwd door de Texelse kunstenaar Niek Welboren. Dit heeft als resultaat dat een van de beste beeldhouwers van Paaseiland, Bene Aukara Tuki Pate, naar Texel komt. Daar staat een stuk tufsteen van 6000 kilo gereed. Als de kunstenaar klaar is, staat op Texel ook een Moai. Hij heet de dromer van Rapa Nui. Zijn kijkrichting is de plek waar zijn broeders staan. Een prachtig beeld.

De galerij hoeft niet open te zijn om het beeld te bezoeken. Het staat gewoon voor de deur. Maar als de galerij wel open is, dan heb je een bonus. Binnen hangen veel tekeningen en schilderijen en staan er beelden. Het is een oud schooltje en een klaslokaal is nog authentiek ingericht. Heerlijk om even terug te keren naar je jeugd. Maar het mooiste is de serene tuin met prachtige beelden. Een oase van rust. Hier moeten wel leylijnen lopen, zo inspirerend is het. Meer informatie over de galerij vind je hier.

De kemphaan

In het gidsje van Natuurmonumenten lees ik dat er op Texel een speciaal soort molentjes staan. Dit zijn volledig houten wipwatermolentjes. Bij een wipmolen is het hele bovenhuis met staart draaibaar. Bijzonder is dat deze niet gebruikt worden om water uit de polder te krijgen maar om water in de polder te krijgen zodat het een waterreservaat voor vogels kan worden. De molen waar we gaan kijken heet de Kemphaan. Deze molen is bij de bouw in 1934 uitgerust met stroomlijnwieken, een met de hand omklapbare staart, een houten vijzel en een achtkantige toren. In 1957 krijgt de molen een nieuwe vierkante toren en een vaste staart. Een jaar later is het gestroomlijnde wiekenkruis vervangen door langere houten roeden met een oud-Hollands wieksysteem. In 1969 neemt een elektrisch aangedreven gemaal met stalen vijzel de taak van de molen over. Sindsdien is De Kemphaan niet meer in gebruik. En dat is te zien.

We moeten er een weiland voor in maar van de molen is weinig over. Zelfs de wieken zijn weg. Een beetje een teleurstelling dit. Verderop zie ik nog een paar molentjes staan waarvan de wieken nog wel aanwezig zijn. Maar daar kunnen we alleen van afstand naar kijken.

Inmiddels gutst het zweet door de bilnaad en zijn we toe aan wat vocht. We zoeken een strand op bij paal 12 om het einde van de middag nog even mee te pakken. In de zon zitten is te heet dus we confisqueren een parasol op het terras. Dat is iets teveel genieten want we vertrekken veel te laat. We moeten racen om de boot te halen. Maar goed, dat lukt net dus efficiënter kan het grote genieten niet. Texel heeft ons verrast. Het is een eiland waar je prima kan zijn. Relatief rustig en goedkoop te komen. Het enige nadeel voor ons is dat het zo ver rijden is. Maar we komen zeker terug.

Een jaar later

Vandaag, precies een jaar geleden, trokken we de deur achter ons dicht, stapten we op de fiets en reden we Baflo uit. Om 140 dagen later pas weer terug te komen. Het was de reis van ons leven. Hoe anders was het geweest als we dit jaar waren gegaan. Of de Corona uitbraak was één jaar eerder. Dit pleit er des te meer voor dromen niet te lang uit te stellen.

Maar goed, onze reis is klaar. De fotoboeken zijn af, het lichaam is weer helemaal uitgerust en de herinneringen zijn gemaakt. Onderweg schreef ik blogs over wat we meemaakten, wat we zagen en hoe we de dingen ervoeren. Mocht je dat (nog) eens na willen lezen dan is deze link een mooi startpunt.

In deze blog blikken we even terug. Wie mij een beetje kent, weet dat ik graag cijfers verzamel en dat heb ik onderweg ook gedaan. Je leest hier over afgelegde afstanden per dag en hoe snel dat ging. Verschilt dat per land? En wat gaven we eigenlijk uit? Per dag en in totaal? Is kamperen goedkoper in Spanje of Portugal? En wat ging er allemaal stuk?
Je leest het allemaal hier.

Het is niet de afstand of de hoogte, maar het gaat om de manier waarop je er gaat komen.

In totaal fietsten we 6880 kilometer door 7 landen. Hieronder een tabel met de belangrijkste gegevens met betrekking tot afstand en snelheid (detail info hier). Op sommige dagen fietsten we in meerdere landen. Het land waar de gegevens aan toegekend zijn, is het land waar we overnachtten.

Klik op de tabel om hem groter te zien.

Ik vroeg me af of het land waar je fietst invloed heeft op dit soort gegevens. Om dit inzichtelijker te maken heb ik een paar gegevens in een grafiekje gezet. Ik heb Luxemburg hieruit gelaten omdat één dag niet een goed beeld geeft. Wat dat betreft zeggen Duitsland en België ook minder met maar vier fietsdagen. Toch heb ik deze laten staan.

Klik op de grafiek om hem groter te zien.

In Portugal fietsten we per dag gemiddeld het minst aantal kilometers. En in Nederland het meest. Frankrijk en Spanje komen ongeveer hetzelfde uit, De enige verklaring van de lagere waarden van Portugal, die ik kan bedenken, is dat er in Portugal zo veel moois te zien was. We hebben daar veel stil gestaan en gezeten om naar de zee te kijken. En ons vergapen aan de prachtige azulejo’s en de kerken. En misschien waren we toen al wat moe.

Wat betreft hoogtemeters (dat is het gemiddeld aantal meters dat we moeten klimmen per dag) scoort Spanje hoger dan Portugal. Dat kan zijn omdat we in Portugal gemiddeld minder kilometers per dag fietsten. Maar voor mijn gevoel was Portugal gewoon vlakker. Zeker langs de kust. Met name op de Camino moesten we in Spanje vaak en veel klimmen. Frankrijk krijgt een groot deel van de hoogtemeters doordat we de col du Somport opgeklommen zijn.

Nederland scoort in beide gevallen het laagst. Ons land is vlak en heeft goede (fiets) wegen. En we fietsten een deel met andere mensen (Loes, Kees en Corrie). Dan maken we langere dagen en fietsen we meer en sneller door.

Dat we in Nederland meer doorfietsten is ook in deze overzichten te zien. Het bewogen gemiddelde is de gemiddelde snelheid die je hebt als je aan het fietsen bent. Bergop gaat dat langzamer, met wind mee sneller. Dat in Portugal het bewogen gemiddelde laag is kan aangeven dat het in Portugal toch zwaarder fietsen was. Ik kan me niet herinneren dat we veel wind tegen hadden. Wel moesten we langs de kust voor elk dorp afdalen en weer omhoog klimmen. En waarschijnlijk dat inmiddels ook de vermoeidheid een rol ging spelen. Alhoewel de Spaanse kilometers natuurlijk bestaan uit een deel vóór en een deel ná Portugal. En het deel na Portugal waren we ook vermoeid.

Het totaal gemiddelde is het aantal kilometers op een dag gedeeld door de totale tijd, inclusief rustpauzes. Daar zie je dat dit voor Frankrijk, Spanje en Portugal niet heel veel scheelt maar er wel kleine verschillen tussen zitten. In Spanje deden we het rustiger aan en maakten we in het tweede deel vaak korte dagen. In Portugal ging het nog rustiger. Steeds meer te zien, denk ik.Op de heenweg in Frankrijk hadden we koud en nat weer. Dat nodigt ook niet uit tot lange pauzes.

Een kanttekening die ik wel moet maken is dat deze gegevens uit de GPS komen. Bij koffie- en lunchpauzes zet ik die vaak uit waardoor hij niet meer verder telt. Dus het eigenlijke totale gemiddelde ligt in werkelijkheid lager dan hier getoond. Meestal zaten we rond negen uur op de fiets en tussen vier en vijf zochten we de overnachtingsplaats op.

Ik wil overal naartoe, maar nergens zijn.

Klik op de tabel om hem groter te zien.

In totaal hebben we 140 overnachtingen gehad (als ik de laatste nacht thuis ook meetel). Hiervan hebben we precies de helft gekampeerd. De andere overnachtingen waren in hostels, Airbnb, hotels of bij familie en vrienden.

Zoals verwacht is kamperen het goedkoopst. Verrassend om te zien, vind ik, dat de gemiddelde prijs voor een camping in de verschillende landen niet zoveel verschilt. De campings in Spanje en Portugal zijn niet veel goedkoper dan in Nederland. Waarschijnlijk rekenen ze daar op buitenlandse toeristen die een hogere prijs gewend zijn. Twee keer kampeerden we (noodgedwongen) wild. Dit is erg goedkoop maar ook wat onrustig. En ik mis mijn douche na een dag zweten.

Voor een pelgrim hebben we relatief weinig in hostels/auberges gezeten. We kamperen liever en waren toch ook wat afgeschrikt door de luizenplagen die de hostels soms teisteren. De prijs voor de hostel is ook relatief hoog en dat komt omdat ik altijd probeer een privé-kamer te krijgen en die is duurder dan een bed op een slaapzaal.

We zaten 35 nachten in een Airbnb. Uit de cijfers valt af te leiden dat dit goedkoper is dan een hotel. De helft hiervan was tijdens rustdagen in grotere steden (Porto, Sintra, Avignon, Aken), dus relatief duur omdat we dan voor een heel appartement kozen zodat we zelf kunnen koken. De Airbnb bracht ons ook vaak op verrassende plaatsen bij mensen thuis. Booking.com deed dat ook soms. Dat vind ik erg leuk omdat je zo een kijkje bij de mensen thuis kunt krijgen en wat meer contact hebt.

Tenslotte de hotels. Deze waren het duurst en die koos ik als er geen andere mogelijkheden waren. Je ziet ook dat die best wel duur zijn. Maar dan had je soms de luxe van een airco en dat was in de hitte van Spanje en Portugal geen overbodige luxe.

Ik maak altijd een foto van onze overnachting. Hieronder een compilatie.

Noot: De compilatie is 30 Mb dus kan even duren om geheel te laden.

Geld is als mest; het is alleen goed als het wordt verspreid.

Ik kan precies bepalen wat zo’n reis nu eigenlijk kost. Maar het is lastig in te schatten waar dat geld nu precies in zit. Via de afschrijvingen over die periode, kan ik er deze keer wel een gooi naar doen. Als je de vaste lasten, van thuis, zoals belastingen, ziektekosten, energie, etc. niet meerekent dan hebben we gedurende die 140 dagen € 12.606 uitgegeven. Dat is per maand ongeveer € 2750, per week € 630 en per dag €90. Hierin zitten de kosten van het overnachten, het eten, de drankjes, vervoerskosten (pont, taxi, trein), musea en ook wat kosten die we thuis extra maken zoals de overbuurjongetjes die ik betaalde voor het bijhouden van de tuin en wat we onderweg aan spullen (fietsreparatie, kleding etc.) kochten.

Elke dag zijn we voor het ontbijt (fruit, yoghurt en muesli) ongeveer €5 kwijt. Hetzelfde bedrag zijn we ook voor de lunch kwijt (wat brood en beleg).  Elke dag hadden we wel een paar drankjes (bier en cider) die we meestal in de super kochten maar soms ook op een terras dronken. De prijs varieert daarom tussen de €5 en de €10. Als we zelf koken, dan zijn we ergens tussen de €15 en €20 kwijt. Maar in Spanje en Portugal name we vaak een Menu del Dia. Dat was niet duur maar voor twee personen moet je toch wel op €25-30 rekenen. In andere landen ben je zo €50 kwijt als je met zijn tweeën uit eten gaat. We hebben er niet op bezuinigd. Hieronder zie je het staatje met betrekking tot onze kook activiteiten.

En wat je niet moet onderschatten is de koffie onderweg. Normaal kook ik onderweg wat water en gooi er wat oploskoffie in. Kosten per kop ongeveer €0,05. In Spanje en Portugal was de koffie goedkoop (€0,75 – € 1,25) en erg lekker dus we namen dat vaak. Maar opgeteld is dat ook een behoorlijk bedrag. Dit zie je niet terug in onderstaand staatje omdat ik dat meestal contant moest betalen.

Het is ontzettend lastig om de kosten per land te bepalen. Want soms pinnen we in het ene land contant geld dat we in het andere land uitgeven. Een hotel in Frankrijk betaal ik met de credit card maar die wordt pas afgeschreven als we in Spanje zijn. Toch heb ik zo goed en zo kwaad mogelijk geprobeerd per land wat vergelijkbare uitgaven te bepalen. In onderstaand overzicht zie je de kosten per dag (of keer). De overige kosten is een totaal van wat we in dat land uitgegeven hebben.

Klik op de tabel om hem groter te zien.

Zoals gezegd is de koffie in Spanje en Portugal (3 bakjes per keer) geschat. De boodschappen in Spanje en Portugal zijn relatief goedkoper (waarbij België wat vertekend is, daar waren we maar kort en gingen we ook drie van de vier keer uit eten). Naast dit uitgegeven geld hebben we ook nog in totaal €4650 gepind en dus contant uitgegeven. Met name in Spanje en Portugal hebben we veel met contant geld gedaan.

Per dag € 90 is best veel. Dat kan een stuk goedkoper. Met wild kamperen bespaar je gemiddeld € 36 per dag. Ga je in een auberge op de slaapzaal, dan ben je meestal minder dan € 10 kwijt. Ga je nooit uit eten en koop je geen bier dan bespaar je zo‘n € 15 – € 30 gemiddeld per keer. En zelf koffie zetten bezuinigt ook.

Haalbaar moet onder de € 30-50 per dag zijn. Alleen campings (€ 17), zelf koken (€ 20), geen biertje en eigen koffie maken. Maar wij hebben in dit geval niet op een euro meer of minder gekeken.

Wie pech heeft, verdrinkt in een zitbad.

Veel mensen hebben, bij zo’n lange reis, de angst dat er van alles stuk gaat aan de fiets. Op zich viel dat bij ons wel mee. Ik had de fietsen voor die tijd na laten kijken bij onze fietsenbouwer, een nieuwe ketting en goede banden gegeven. In principe kan ik bijna alles zelf maken onderweg. Wat een probleem op kan leveren is een gescheurd frame of een kapot wiel. In het eerste geval zoek ik een lasser want de fietsen zijn van staal. In het tweede geval bel ik mijn fietsenbouwer en laat ik een wiel opsturen. Gelukkig gebeurde beide niet. Maar wat ging er wel mis onderweg?

In Frankrijk begon mijn trapper te kraken. Zelfs wat extra smering kon niet voorkomen dat de hele lagers aan gort gingen. Bij de dichtstbijzijnde fietsenmaker haal ik een paar nieuwe.

Ergens in Spanje krijg ik een kraak in de aandrijving. Via deductie kom ik op de trapas. Twee keer laat ik de cracks aandraaien maar de kraak blijft. Via een email-overleg met de fietsenbouwer concluderen we dat ik er zeker mee thuis kan komen. Later verdwijnt de kraak. Thuisgekomen blijkt dat de trapas wel aan zijn einde is maar dat dit niet de oorzaak was. Het geluid kwam van de speling van de crank(s) op de trapas. Daar was wat ruimte in gekomen die bij hogere temperaturen groter wordt omdat de een van staal is en de andere van aluminium.

In totaal heb ik 5 lekke banden gehad. Mevr. Van der Veeke geen. Ook hier zijn vrouwen dus in het voordeel. Twee van mijn lekken komen omdat de buitenband van het voorwiel versleten is en zo dun dat er zomaar wat doorheen prikt. Ik vervang hem in Avignon. Voor de rest zijn het fantastische fietsen en hebben ze ons overal zonder problemen gebracht. Zelfs als we door rivierbeddingen stuiteren met 25 kilo bagage geven ze geen krimp.

Ik ben er nog steeds van overtuigd dat zoals ik het doe je het moet doen, want anders zou ik het niet doen.

Ik ben van de uitgebreide voorbereiding maar welke dingen zouden we anders doen als met de kennis van nu nog zouden moeten vertrekken?

Een ding waar we geen rekening mee gehouden hebben, is dat als je zo lang onderweg bent, je chronisch moe wordt. De eerste maand gaat nog wel, de tweede ook. Maar daarna kom je in een situatie dat de batterij niet meer volledig oplaadt als je (wat) rust neemt. Als ik weer op een lange reis zou gaan, dan zou ik na elke twee tot drie maanden wat langer op één plek willen blijven. Het probleem hierbij is dat dan bij mij de verveling toeslaat. Ik kan dat alleen als ik op die plek wat te doen heb, bijvoorbeeld vrijwilligerswerk.

Iets anders waar je rekening mee moet houden is dat het klimmen met bagage een aanslag is op het lichaam. Dit telt op bij de vermoeidheid. Hou dus rekening met meer tijd als je veel hoogtemeters hebt. Een probleem hierbij is dat dit niet altijd te plannen is qua overnachting. Soms moet je gewoon door tenzij je kunt wildkamperen.

We weten nu wat hitte met je doet. In Portugal waren we redelijk vroeg in het seizoen. Maar in Spanje zaten we in de hitte waarbij de temperatuur overdag opliep naar 35-40 graden Celsius. Het liefst wil je vroeg vertrekken, maar de zon komt daar later op. Beter is om in Spanje en Portugal (maar ik denk dat het voor alle zuidelijke landen geldt) niet in juli/augustus te fietsen. Maar bij zo’n lange reis is dit lastig te vermijden.

En als laatste was de heimwee toch ook onderschat. Nu hadden we natuurlijk nooit ingepland dat ons eerste kleinkind een paar maanden voor vertrek geboren zou worden. Maar op een gegeven moment gaan de kinderen én het kleinkind aan een onzichtbare draad trekken. Misschien hadden we tussendoor toch een weekje naar huis moeten gaan. Alhoewel ik me afvraag wat dit met het reisgevoel doet.

Dan volgt nu de weersverwachting. Er worden middag-temperaturen verwacht van één uur `s middags tot zes uur `s avonds.

Het weer is een variabele waar we geen invloed op hebben. In de weken voor vertrek was het prachtig en warm weer in Nederland. Dat sloeg helaas om. Het eerste deel in Nederland hadden we veel wind en regen. En lage temperaturen. Eigenlijk ging dit door tot de Pyreneeën. Vaak werd de tien graden niet eens gehaald. Vaak moest het regenpak aan. Gelukkig beïnvloede dat onze stemming niet. Als we op de fiets onderweg zijn, dan zijn we blij.

Toen we de Pyreneeën overstaken en afdaalden naar Spanje werd de lucht al snel blauw. En eigenlijk hebben we dat weerbeeld, blauwe lucht en zon, gehad totdat we weer terug in Nederland kwamen. Tot Santiago was het vaak nog fris in de ochtend en werd het ’s middags pas warm. Zo ook langs de Portugese kust. We zaten toen nog een beetje in het voorjaar.

Na Lissabon gingen we dwars door Spanje naar Zaragoza. Het gebied heet de Extremadura en het kan daar heet worden. In de middag wel tussen de 35 en 40 graden Celsius.  We hebben daar ons ritme moeten aanpassen. Zo vroeg mogelijk op pad en zorgen dat je voor de ergste hitte (14 uur) een plek in de schaduw hebt. We wilden een lange siësta houden maar het probleem is dat je onderweg weinig plekken vindt waar je dat kunt doen. Zaragoza was helemaal een braadpan. Daar kun je in de zomer eigenlijk ’s middags niet op straat zijn.

Op de terugweg bleef het weer mooi en werden de temperaturen aangenamer. Pas zo rond Luxemburg begonnen we terug te verlangen naar de hitte.

To travel is to discover that everyone is wrong about other countries.

Tenslotte nog wat over de landen waar we doorheen zijn gekomen. Nederland en België wil ik weinig over zeggen. Dat was bekend terrein. Ook Frankrijk was bekend maar dit keer kwamen we door een grotendeels onbekend stuk. En we zaten deze keer op de Camino dus de nadruk lag op het kerkelijke. We hebben dan ook tientallen kleine en grote kerken gezien. Soms sober maar heel vaak uitbundig. Met name de kathedralen maakten veel indruk.

Bij de zuidgrens van Frankrijk moesten we over de Pyreneeën. Dat was vanaf de Franse kant heftig. Maar ook prachtig. Ik heb weinig van de Pyreneeën gezien maar dit nodigt zeker uit tot een nieuwe afspraak.

Op de terugweg komen we ook weer een lang stuk door Frankrijk. Eerst in het zuiden naar Avignon en dan vanaf Mulhouse naar Aken. En alhoewel het Frankrijk was, voelde het als Duitsland. Veel vakwerk, kleurige dorpjes en heel veel druiven.

Spanje is een verrassing. We hadden er een keer gefietst met Cycletours maar dat was in een toeristisch gebied bij Barcelona. Eerst zitten we nog op de Camino die hier pas echt begint te leven. Veel wandelaars, veel gezelligheid en mooie steden met prachtige kerken en kathedralen. De kers op de taart had Santiago de Compostella moeten zijn maar het echte einde voelde ik pas bij Finisterre.

Na Lissabon gingen we nog een stuk door Spanje. Nu meer het binnenland in de vorm van Extremadura. Het was er leeg en erg heet. Kleine dorpjes maar overal een bar (voor koffie) en een winkeltje. En we komen erachter dat Spanje echt niet vlak is. Veel klimmen en dalen. Maar dit geeft ook weer prachtige uitzichten. Hoogtepunten in dit deel zijn Badejoz, Guadalupe, Segovia en Zaragoza. Ook Spanje staat weer op de wensenlijst voor een bezoek.

Maar het meest heb ik genoten van Portugal. We fietsten een langs stuk langs de kust wat voor een kind van de zee altijd een genot is. Het mooie weer, de grote golven, de authentieke dorpjes en de vriendelijke mensen maken het reizen daar één groot feest. Ik ben daar een fan geworden van azulejo’s. Daarnaast waren de grote steden die we bezochten ook hoogtepunten. Ik heb hele goede herinneringen aan Porto en Sintra. Lissabon is ook prachtig maar het eendaagse bezoek was eigenlijk te kort. Naar Portugal wil ik graag nog vaker. Het stuk langs de kust wil ik nog wel eens doen. Lissabon wat beter bezoeken en het deel onder Lissabon hebben we nog niet gezien. Gelukkig hebben we nog zeeën van tijd.

Nogmaals, het was de reis van ons leven. En ik had geluk met mijn reisgezelschap. Om 140 dagen continu met elkaar door te brengen, moet je elkaar heel goed aanvoelen. Er is wel eens wrijving geweest maar ik mag me een gelukkig mens rekenen met Saskia als (reis)partner.

Ik sluit af met de selfie-parade. Dat is de foto die we (bijna) elke dag maakten. Deze heb ik achter elkaar gezet en worden telkens 2 seconden getoond. Ik hoop dat deze foto’s weergeven hoeveel we genoten hebben.

Noot: De selfie-parade is 30 Mb, laden kan dus even duren.

Coronawandeling

Binnen zitten is geen optie voor ons. Zeker niet als het mooi weer is. Wandelen kan altijd en op het Hogeland is ruimte genoeg om de gewenste afstand te houden. Recent hebben we  Waddenland routeland gevonden. Op dit moment zijn er nog maar een paar (wandel)routes maar hopelijk in de toekomst meer. Eerder deden we de route bij het Reitdiep die ons van Garnwerd naar Sauwerd bracht en terug. Afgelopen vrijdag kozen we voor de verhalen van het Zouteland. Bij Zouteland moet ik altijd aan Zeeland denken door de hit van Bløf maar hier in het hoge noorden hebben we ook een zout land.

Je downloadt de app op je telefoon, gaat naar het startpunt en vanaf daar wordt je begeleid door een route en onderweg poppen,op de juiste plaatsen, interessante weetjes op het scherm.

De theefabriek.

Wij starten in Houwerzijl bij de Theefabriek. Ooit had Houwerzijl een open verbinding met de zee en woonden hier alleen zeelieden en vissers. In de 18e eeuw kwam het in het binnenland te liggen vanwege de inpolderingen en werd het een gewoon boerendorp. De theefabriek is natuurlijk gesloten vanwege de Corona en het staat in de steigers. Nu is dé periode om onderhoud te doen. Het voormalige kerkje herbergt nu een theeschenkerij en het enige theemuseum van Nederland.

Alleen maar ruimte (klik om hem groter te zien).

Vanuit Houwerzijl gaan wij richting Zoutkamp. Je staat binnen no-time tussen de velden. Voor weidse gezichten moet je echt in Groningen zijn. En hier in Noord-Groningen helemaal. Nog niet zo heel lang geleden was dit gewoon nog wad/zee dat onderhevig was aan het spel van eb en vloed. Ik kan me goed voorstellen dat er maar weinig nodig is om naar deze staat terug te gaan. Ondanks de blauwe luchten en de zon is het fris. Er staat een straffe wind maar het is heerlijk om hier buiten te zijn. En je komt geen mens tegen dus de 1,5 meter wordt hier gemakkelijk 1,5 kilometer.

Reitdiep, uitzicht op Zoutkamp.

Bij het Reitdiep kunnen we niet verder en we volgen het water richting Zoutkamp. We hebben in het buitenland mooie uitzichten gehad maar gewoon hier naast de deur is het ook prachtig. Op een bankje drinken we koffie en zien in de verte Zoutkamp al liggen. We moeten door het Spookbos om in het dorp te komen. Het bos heeft deze naam gekregen omdat iemand ooit zijn buurman voor de gek wist te houden door zich als een spook voor te doen. Wij zien geen spoken maar alleen wat kinderen. Zelfs de kleine jongetjes dragen hier een oorbel met een scheepje. Als een drenkeling gevonden wordt met zo’n oorbel dan weet men dat het om een visser uit Zoutkamp gaat.

In de haven/De kleurige huisjes/Kaap Garmt.

Zoutkamp dankt zijn naam aan het feit dat hier in de late middeleeuwen nog zout werd gewonnen uit zoutveen. Daarna werd het een vissersplaats maar was het ook een militaire verdedigingsschans. De inwoners werden ‘Schelleviskoppen’ of ‘Vlintboksems’ genoemd. Na het afsluiten van de Lauwerszee ging de visserij hard achteruit. Toch zijn er nu nog steeds wat vissersboten met de code ZK in de haven aanwezig. De meeste doen wat onderhoud en we zien er ook een uitvaren naar de Waddenzee. Aan het feit dat er veel horeca is, kun je opmaken dat het hier vaak druk is. Nu is alles dicht en zien we enkel een hondenuitlater op straat. Gelukkig is de viskar bij de sluis wel open en daar scoor ik, op een afstand van anderhalve meter, een vers lekkerbekje. Staand op de sluis zie je de Kaap Garmt liggen. Een toren met daaronder een drenkelingenhuisje zoals op de Engelsmanplaat stond.

Panserpad.

Bij boerderij Panser (ik ga er automatisch Duits van praten) komen we op het Panserpad. Dit is een van de oude kerkenpaden die tussen de dorpen lag die wel en geen kerk hadden. De paden waren meestal maar één baksteen breed en gingen via de kortste weg recht door de weilanden. Het Panserpad liep tussen Zoutkamp (toen geen kerk) naar Vierhuizen (wel een kerk).

Hierbij komen we langs de boerderij Beusum. Vroeger stond hier de borg Bewsum die ergens in de 15e eeuw gebouwd was. Begin 18e eeuw is hij weer afgebroken. Een paar stenen in de gevel zijn de enige herinnering aan de borg. Wel zegt men dat het spookt op de boerderij. Vanuit de kwelders kwamen de ‘witte wieven’ naar de boerderij. Binnen spookt het ook want soms zie je de voormalige boerin in haar nachtgewaad langs zweven. En dat kan schrikken zijn.

De kerk van Vierhuizen.

Als je de wandeling doet, neem dan even de tijd om in Vierhuizen te kijken. Tot begin 20e eeuw lag dit dorpje (dat veel meer dan vier huizen heeft) nog aan zee. Het duurde lang voordat het ingepolderd was omdat de kerk van Zoutkamp en de kerk van Vierhuizen ruzie maakten over de grond.

Het 12e-eeuwse kerkje ziet er prachtig uit maar heeft een roerige geschiedenis. Zo dicht aan zee had het last van de natuurlijke elementen. Menig storm geselde het gebouwtje. Een jaar of tien geleden stond het op instorten maar omdat het aan het tv-programma ‘de Restauratie’ meedeed en won, kon het voor 1 miljoen euro gerestaureerd worden. En dat is te zien. Ook van binnen ziet het er prachtig uit.

De Chinese inktsteen/De steen van Klaas Jans.

Ook buiten is genoeg te zien. De Chinese kunstenaar Ping heeft hier met behulp van negen granieten blokken een platform gebouwd dat een Chinese inktsteen moet voorstellen. Het grootste deel zit onder de grond en ik ben er niet echt van onder de indruk. Voor mij ziet het eruit als een slordig stuk beton.

Veel leuker is de grafsteen van Klaas Jans. Hij werd maar 28 jaar. Zijn relaas staat in dichtvorm op zijn steen. Hij leed al jaren aan een liesbreuk en in de winter in 1787 schaatste (!) hij over het Reitdiep naar Groningen om daar de dokter op te zoeken. De dokter was niet thuis en onverrichterzake schaatste hij weer naar huis. De uitputting en de koorts deden hem de das om:

ik kwam zoo thuis
Doornat gesweet van pijn en kruis
Bij mijn geliefde vrouw en kroost.
Direkt na ’t bed, ‘k was afgeslooft.
Terstond gehaald twee ars om raad
Vlijt angewend, maar ’t was te laad.
Want ziet, geen kruid voor mij zij kenden
Moest ik den derden dag ten enden
Mijn leeftijd zijn, dus ben ik net
Ten tijnde dag in ’t graf gezet.
Vanwaar ik weer verijsen zal
Vaarwel geliefde, looft God al.

Bij het verlaten van Vierhuizen komen we langs het kerkhof dat gek genoeg niet bij de kerk ligt. Ze hebben een prachtig (onderhouden) hekwerk met symbolen van leven en dood die ons wijzen op de tijdelijkheid van het aardse leven. Van boven naar onder de uil (symbool van de nacht/dood), een zandloper met vleugels (de tijd vervliegt en de mens is vergankelijk), de zeis (gereedschap van de dood) en de ouroboros (symbool van de wedergeboorte).

Hierna wandelen we over de oude kwelderwal richting Ulrum. Dit is de opgehoogde oever van een riviertje dat vroeger door het wad liep. Vanaf de 9e eeuw werd deze wal bewoond en ontstond een rij van wierden waar later Vierhuizen, Ulrum, Leens en Wehe-den-Hoorn uit ontstonden. Het is een mooie route die grotendeels via kleine, verlaten weggetjes door de velden loopt. Geen coronaproblemen hier.

Via Niekerk komen we na 15 kilometer weer bij Houwerzijl. Hier kun je een extra lusje maken van 3 kilometer en dat doen we natuurlijk ook nog even. Hierbij komen we langs Vliedorp of wat daar van over is. En dat is bar weinig. Een heuvel waar vroeger de kerk op heeft gestaan en wat grafstenen.

Het dorpje ontstond in de 13e eeuw en was een plaats (vlie=vlucht) waar mensen bij hoog water heen konden gaan. Het was niet hoog genoeg om de Corona-, nee ik bedoel natuurlijk de kerstvloed van 1717 te weerstaan. 32 huizen, 48 mensen, 142 koeien, 29 paarden, 16 varkens en 194 schapen legden het loodje. Het dorp was al een tijdje aan het leeg lopen maar dit was de nekslag. In 1750 stond er geen huis meer en de kerk is in 1800 afgebroken. De begraafplaats bleef nog in gebruik tot begin 20e eeuw. Het is een magisch plekje.

Via een hoogholtje steken we de Houwerzijstervaart over. Hoogholtje is de Groninger naam voor de hoge bruggetjes. Wat ik niet wist is dat als ze van ijzer zijn, ze dan officieel een ‘hoogiezertje’ heten en bij beton een ‘hoogbetonje.

Bij de theefabriek pikken we de auto weer op. Groningen is prachtig en het is heerlijk om hier een frisse neus te halen. Zo kunnen we er weer even tegen.

Pieterpad (5)

Donderdag 16 januari 2020
Van Rolde naar Schoonloo (18 km)

In tegenstelling tot wat ik eerder dacht, kunnen we deze en de volgende etappe nog uitstekend vanaf huis doen. Tussen de begin- en eindplaatsen van de etappes komt elk uur bus 21 langs. We zetten de auto in Schoonloo, laten ons in een kwartier naar Rolde brengen en gebruiken de rest van de dag om terug te lopen naar de auto.

Hunebed D18

Het wordt vandaar een ‘bossige’ dag maar voordat het zover is, moeten we eerst Rolde nog uit. En daarbij vallen we meteen met onze neus in de boter. We komen, net buiten Rolde, hunebed D17 en D18 tegen. En ze zijn duidelijk door verschillende aannemers gebouwd. Waar D18 eruit ziet als een hunebed zoals we ons voorstellen, lijkt het alsof D17 door de Biereco’s is gebouwd.  

Hunebed D17.

Leuk detail van deze hunebedden is dat het markebestuur (zie verderop) deze in 1872 openbaar wilden verkopen als bouwafval maar de Gedeputeerde Staten van Drenthe protesteerde hiertegen. Uiteindelijk zijn ze voor 150 gulden aan het Rijk overgedaan. En dat is maar goed ook want het waren begin 1900 een van de weinige archeologische bezienswaardigheden van Nederland. Ze zijn heel veel bezocht en met name D18 is op heel veel foto’s terecht gekomen.

De route loopt vandaag over het Drents plateau, het land van Ellert en Brammert. Deze twee rovers (ze worden vaak als reuzen weergegeven)  zouden hier geleefd hebben van het beroven en vermoorden van reizigers. Een van de gevangen vrouwen zetten ze voor zich aan het werk en die zorgt, zoals gebruikelijk bij vrouwen, voor de ondergang van de twee. In Schoonoord (niet aan de route) hebben ze hier een mooi toeristisch-economisch model uit weten te maken.

We gaan langs de Koelandsdijk (gemeenschappelijke gronden voor hooi) en over het Rolderdiep. Als we de weg oversteken zien we de restanten van een oude spoorlijn Assen-Rolde (die uiteindelijk tot Gasselternijveen gaat) liggen. Deze is in 1977 geheel opgedoekt en nu pas realiseren we ons dat het wandelpad over de oude spoorlijn loopt.

Over de spoorlijn (die er niet meer is).

Een ander kenmerk van het plateau is dat het nat is. Heel nat. Het is eigenlijk een omgekeerd bord met leem en keien waar het water nauwelijks weg kan. Hierdoor is het lange tijd een geïsoleerd en onherbergzaam gebied geweest. Ideaal voor Ellerts en Brammerts typen. Pas vanaf 1920 is Staatsbosbeheer met de ontginning begonnen. In die tijd waren er nauwelijks bossen in Drenthe. Er werden hier mensen ‘te werk gesteld’ om vakken van 300 bij 300 meter te beplanten met bomen. Zwaar werk dat door landlopers, dronkenlappen en criminelen uitgevoerd werd. Die kwamen bijvoorbeeld uit Veenhuizen waar een prachtig boek en dito voorstelling van gemaakt is. Als je gelegenheid hebt, is het zeker de moeite waard om het Pauperparadijs te gaan bekijken.
Gelukkig hebben we goede schoenen aan waardoor we ons weinig aantrekken van de plassen en de modder maar des te meer genieten van de natuur en de stilte.

Goede schoenen noodzakelijk.

Het Andersche diep is een beekdal waarin het gelijknamige riviertje meandert en gaandeweg het regen- en kwelwater verzameld. Dit stroomt via het Rolderdiep in de Drentse Aa. Het stuk langs de Westerlanden en door de Zondagsbroek is mooi. Het gebied is in pacht uitgegeven en die mensen laten er gedurende een groot deel van het jaar Charolais koeien rondlopen. Omdat deze dieren de neiging hebben om weg te lopen (zou ik ook doen als ik telkens zulke natte voeten kreeg) zijn er wat pittoreske hekjes geplaats wat altijd een mooi fotomomentje oplevert.

Zo denk je de wilde beesten buiten te houden.

Het Andersche diep is een zogenaamd Dotterbloemgrasland. Door de goede kwaliteit van het water bloeit de dotterbloem hier volop. Helaas pas vanaf april dus wij zien voornamelijk verlopen gras en de plantjes zonder bloemen. Ook de Beenbreek, het Duizendknoopfonteinkruid en de Zonnedauw en Moeraswolfsklauw zijn hier in de betere maanden te vinden. Reden genoeg om een keer terug te komen in de zomer.

Geen bloemen, alleen droog gras.

Hier steken we ook het Andersche diep over. Vroeger was hier alleen een doorwaarbare plaats, ook wel een voorde genoemd. Deze term komt nog in veel plaatsnamen voor. Denk aan Coevorden. Het isee n plek waar het water wat minder diep is zodat je over kunt steken. Om te voorkomen dat karren wegzakten in de modder, werden er stenen in het water gelegd. En die hadden ze hier genoeg.

Ook nu kun je hier nog oversteken met behulp van een touw. Erg romantisch maar wij kiezen toch voor het bruggetje dat 20 meter verderop ligt.

Wij geven de voorkeur aan droge fouten.

Wij verruilen de waterige landen voor het bos en komen in boswachterij Gieten. Hier leer ik een nieuw scrabblewoord; compensatiebos. Eigenlijk net zoiets als vliegschaamte maar nu gaat het over land. Omdat de supermarktketen de Spar elders in Drenthe een distributiecentrum bouwde werd hier een sparrenbos (gelukkig bestond er een boom gelijk aan hun naam) geplant ter compensatie. Maar deze sparren zijn een uitzondering want we zien voornamelijk loofbossen. Die hebben nu hun blad op de grond liggen en dat maakt het een stuk lichter dan de donkere sparrenbossen.

Geen compensatiebos voor ons.

We blijven een tijdje in de bossen en komen langs een markesteen die vroeger de grens aangaf tussen de marken van Drouwen en Grolloo. Andere termen in dit verband zijn dingspelen en etten. Ik had in de vorige blog al beloofd hierop terug te komen en deze steen is een mooie aanleiding.

Landschap Drenthe (zoals de provincie vroeger genoemd werd) bestond uit zes dingspelen. Daarom zitten er zes sterren in de vlag van Drenthe.  Een ding was een rechtszitting die, tot 1580, drie keer per jaar werd gehouden. Een dingspel was dus een rechtsgebied. Elk dingspel werd bestuurd door etten. Dit waren vertegenwoordigers van de dorpsbesturen van de marken. Marken waren een soort van collectief van boeren die het gebruik van gemeenschappelijke gronden reguleren. Tegenwoordig zou je dit, denk ik, een dorp noemen. Gemeenschappelijke gronden moet je hier ook al met een korreltje zout nemen. Ook toen was het al zo dat ‘some pigs are more equal than others’ dus het werd niet gelijkelijk verdeeld. Maar het was het meest democratische wat uit de aanwezige feodale organisatie te halen viel.  De marke regelde ook sociale zaken, zoals een dorpsfeest, bijstand en hulpverlening. Pas in 1886 (Markewet) kon men deze lokale bolwerken van macht opheffen. Tegenwoordig hebben we nog het noaberschap wat in de buurt komt van het marke-idee. Een marke was ook een gebiedsaanduiding wat vaak afgebakend werd met een markant punt in het landschap, al dan niet kunstmatig in de vorm van een (grote) steen. Want prikkeldraad hadden ze toen nog niet.

Grensmarkering oud (steen) en nieuw (prikkeldraad).

Via het Meindersveen komen wij op het Grolloërveld. Grolloo zijn we wel met de bus doorheen gekomen maar niet te voet. Jammer, want ik graag even de hoofdstad van de Drentse blues willen zien. Het is de geboorteplaats van Cuby and the Blizzards. Met hun langspeler Groeten uit Grollo (toen werd Grollo nog met één o gespeld) schreven ze geschiedenis van de Nederlandse blues. Het nummer Somebody will know someday staat nog gegrift in mijn geheugen. Mooi om even over te mijmeren op een bankje.

Blues-mijmerbankje.

Ik vind het altijd leuk als je langs de weg ziet waar je mee bezig bent en of je vooruitgang boekt. Wegwijzers, markeringen of andere manier die inzichtelijk maken dat je daadwerkelijk ergens naar op weg bent. Of vandaan loopt. Het is maar hoe je het bekijkt. Langs de Koestukkenweg staat dit bankje. We hebben er nu een zesde van de route opzitten (letterlijk en figuurlijk).

We zijn er bijna…

Nog een woord wat ik niet kende is strubbenbos. Dit is een, meestal eiken, bosje bij een dorp dat hout levert voor dagelijks gebruik zoals ovenhout, gereedschap, palen en meubels. Het wordt ook wel een geriefbosje genoemd. Hier zou je ook andere associaties bij kunnen hebben, maar goed. Vlak voor Schoonloo loopt de route er doorheen. Gelukkig zien we niemand hun gerief halen en lopen we er alleen. Dat brengt ons in Schoonloo.

Bosje voor uw gerief.

Schoonloo heeft niets met de propere mensen die er wonen te maken. Schoon betekent in dit verband kaal of leeg. En loo staat natuurlijk voor bos. Dus het was van oorsprong een bos met een droge, kale bodem. Gelukkig is er nu Café Hegeman. Niet alleen kun je hier de auto mooi parkeren, je kunt er ook een droge en dorstige keel lessen. Tegenover het café staat de Trekkerskei. Deze kei, van 25 ton, werd in 1966 bij de ruilverkaveling gevonden en stond eerst in Rolde. Nu dus hier. Waarom en hoe heb ik niet kunnen vinden. Schoonloo is, tot mijn verbazing, ook de plek waar een enorme zoutkoepel onder de grond ligt. Maar daar zien we niets van want er is nog nooit wat aan ontginning gedaan. Verder is er niets in Schoonloo wat ons overtuigt om te blijven. We strepen deze etappe af en keren weer huiswaarts.

De trekkerskei in Schoonloo.

Pieterpad (4)

Dinsdag 7 januari 2020
Van Zuidlaren naar Rolde (18 km)

Het dreigt één dag mooi te worden deze week en dat is vandaag. Een uitstekende reden om nog een etappe van het Pieterpad te lopen. Het is de laatste keer dat we vanuit huis in één dag op en neer kunnen gaan. Hierna gaan we waarschijnlijk meerdere etappes aaneengesloten doen met een overnachting tussendoor. Maar zo ver is het nog niet. Eerst naar Zuidlaren en dat doen we onwaarschijnlijk snel. Daarom lopen we om kwart over negen al over de Brink in Zuidlaren. Deze keer nemen we iets meer tijd om dit dorp te bekijken.

Zuidlaren is onder andere bekend van de Zuidlaardermarkt oftewel de paardenmarkt. De grootste van Europa. Al in de 13e eeuw werd deze gehouden maar de eerste geschreven vermelding is pas in de 17e eeuw te vinden. De markt is op de derde dinsdag in oktober en er komen rond de 150.000 mensen en 2000 paarden, die hier verhandeld worden. (De paarden dan, niet de mensen.)  Reden genoeg om er na 800 keer een standbeeld voor neer te zetten en als je het Pieterpad loopt, kun je er nauwelijks omheen.

Zuidlaren is ook bekend van Berend Botje van het gelijknamige kinderliedje. De route van het Pieterpad loopt er niet langs maar we lopen er graag een stukje voor om want zijn monument staat ook in Zuidlaren. We zien een beetje een sullig Popeye-achtig figuurtje.

De algehele stelling is dat Berend Botje eigenlijk de zeeheld Lodewijk van Heiden is die uit Zuidlaren kwam, en op zijn 9e al op zee zit. Toen ik 16 was sleutelde ik voornamelijk aan mijn brommer en droomde van meisjes maar hij wordt op zijn 16e een luitenant ter zee. Als hij 22 is, komt hij in dienst van de Russische Tsaar en wordt bevelhebber over de Russische vloot. In een van de laatste zeeslagen met zeilschepen weet hij de Grieken te helpen tegen de Turken. Ze waren zo blij met hem dat hij zelfs een eigen Griekse postzegel krijgt. Na al die veldslagen was hij wat moe en keerde terug naar Zuidlaren waar hij met zijn bootje regelmatig op het Zuidlaardermeer te zien is. Maar Drenthe blijkt toch wat te landelijk voor hem. Iets wat ik me goed kan voorstellen als je zeeslagen gewend bent. Hij vertrekt naar Amerika, net zoals het versje verhaalt. Uiteindelijk gaat hij naar Talinn (Estland) waar hij ook zijn laatste adem uitblaast. Al met al doet het beeldje in Zuidlaren hem weinig recht vind ik.

Als we Zuidlaren uitlopen komen we ook langs Dennenoord. Eind 19e eeuw werd hier een tehuis ter verzorging van Krankzinnigen en zenuwlijders gesticht. Hier zitten de mensen met glanzende amygdala’s en overspelige dendrieten. Ze werden verzorgd in een soort van gezin met een surrogaat vader en moeder. En natuurlijk mochten ze niet van het terrein. Er stond een groot hek omheen en de bewoners kregen bepaalde kleding zodat je ze meteen als gekken kon herkennen als ze ontsnapt waren. Daarom was het gesticht ook zelfvoorzienend. Niemand hoefde weg.

Ik heb nooit geweten dat het zo groot was. Het bestaat uit meerdere paviljoens, een watertoren en een heel park erbij. We lopen er dwars overheen en kunnen een paar van de bijzondere gedichten lezen die hier hangen. Waarschijnlijk geschreven door bewoners van het park. Ook zien we een beeld dat we meteen als een Anita Franken herkennen. Anita kenden we van het sporten en omdat ze bij ons 25-jarig huwelijk een beeldje van ons gemaakt heeft. Hier staat een wat groter beeld ter nagedachtenis aan de helletocht aan het einde van de Tweede Wereldoorlog. Toen werd het hospitaal gevorderd door de Duitser en moesten de patiënten via een helse reis naar Franeker. Velen overleefden het niet.

Vandaag zitten we veel in de natuur. Als we Zuidlaren en Westlaren verlaten komen we in de bossen en over de heide en zien we tot Rolde nauwelijks meer bebouwing. Om onze tocht wat op te luisteren hebben Mevr. Van der Veeke en ik elk een eigen missie op ons genomen. Ik zou graag de bomen willen herkennen maar dat is in dit jaargetijde knap lastig. Mevr. Van der Veeke wil graag vogelgeluiden herkennen maar bij wat research blijkt dat de vogelpopulatie grofweg voor 50 procent uit eenden bestaat en voor de andere helft uit meeuwen. Die moeten te herkennen zijn, lijkt me.

De Drentse Aa heet hier inmiddels het Schipborgse diep en we zien hem hier mooi kronkelen door het landschap. Iets verderop komen we ook nog over het Anlooër diepje, een zijbeek van de Drentse Aa maar je zou mij ook goed kunnen wijsmaken dat het de Drentse Aa is. In juni schijnen hier orchideeën te bloeien maar nu zien we alleen maar zompig gras.

Het Pieterpad loopt over de Gasterse duinen. Heel vroeger was dit allemaal heide en vennen maar door overbegrazing en druk verkeer (!) is het stuifzand geworden. De wielen van de karren reden de heide stuk waardoor het zand omhoog kwam en de meeste vennen gedempt werden. Als ik hier loop, dan waan ik me in het verleden. Volgens mij moeten de mensen toen hetzelfde gezien hebben als ik. Alleen heide, zand, karrensporen en geen tekenen van beschaving. Het is prachtig hier.

Klik op de foto om hem groter te zien.

Als we de duinen verlaten komen we hunebed D10 tegen, vlak boven het dorpje Gasteren. Het hunebed werd tijdens de renaissance Duyffelskutte, ’s Duyvels Kut of De Kut van de Duivel genoemd. Nou ja, het is maar waar je opgewonden van raakt. Het hunebed is niet compleet want er missen twee dekstenen.

Gasteren is wederom een esdorp met een centrale brink en bestaat slechts uit een paar huizen. We hopen even binnen te kunnen zitten met een bakje koffie maar helaas. De pannenkoekenboerderij is door de week gesloten.

Daarom gaan wij door naar het Balloërveld. Dit is een groot stuk woeste heide van 367 hectare. Vroeger werd dit al bewoond en archeologisch gezien is hier een hoop te doen. Er zijn 40 grafheuvels uit de late steentijd, bronstijd en ijzertijd, urnenvelden en een raatakker (celtic field). Veel later is het een tijdje (1918-2006) gebruikt voor legeroefeningen en de zandpaden waar de tanks over reden liggen er nog steeds. Het is hels zwaar lopen door dat losse zand en we worden er best moe van. Gelukkig hebben we genoeg afleiding van het landschap met vennen en een pingoruïne. Pingo’s zijn heuvels die ontstaan omdat het ijs de bodem omhoog duwt. In Alaska en Groenland kun je ze nog in het wild vinden. Als het ijs smelt, zoals hier in Nederland al lang geleden gebeurt is, dan zakt de heuvel in en ontstaat er een kratervormig meertje. Tegenwoordig wordt het Balloërveld bewoond door Drentse heideschapen, het enige Nederlandse ras met hoorns. En er schijnen ook wat hooglanders rond te zwalken, maar beide zien we niet.

Het torentje van Rolde komt al in zicht als we weer een archeologische locatie tegenkomen. Tenminste zo lijkt het. Het zijn veel grote stenen in een cirkelformatie. Maar het is helemaal niet oud. Het is van deze tijd. Een kunstwerk als markering van het Pieterpad.  Bedenker van dit markeringsteken is Pieterpad-wandelaar Jilles Bodegom uit Assen. De uitvoerder van het idee is kunstenaar Arie Fonk uit Rolde, hij gebruikte er zestig zwerfkeien voor, die samen goed zijn voor veertig ton. De grootste steen, met daarop de afstanden tot Pieterburen en de Sint Pietersberg in Maastricht, weegt zes ton. De kei is aan de rand van het Balloërveld bij Gasteren opgegraven. In de steen zit een plaat waarop staat hoever het wandelen is naar de Sint-Pietersberg in Maastricht en naar het Groningse Pieterburen.

Hierna is het nog een klein stukje naar Rolde. De route loopt eigenlijk ten noorden van Rolde langs, maar wij gaan naar het centrum om de bus te pakken. Rolde is een van de zes dingspelen, maar daarover later meer. Rolde schijnt ook het dorp van Bartje te zijn, maar hier is weinig van te zien. We nemen de bus naar Assen en komen daar wel Bartje tegen als we naar het museum lopen. Het is een beeldje met gewelddadige geschiedenis. Het origineel is van steen maar dat bleek erg kwetsbaar. Daarna is er een bronzen versie gemaakt die meerdere malen van zijn sokkel geroofd is, met name door oudejaarsverenigingen.

In Assen nemen we nog even een kijkje in het Drents museum. Daar is tot 22 maart 2020 een tentoonstelling van kunstenaars die het Drentse landschap hebben geschilderd. Het is extra leuk om dit te zien omdat we zojuist door dit landschap zijn gelopen. Veelal werd het liefelijke plattelandsleven weergegeven. Je moet je dan voorstellen een herder of, nog liever, een herderinnetje die op een landerige voorjaarsdag wat schapen hoedt op een bloemrijk veld. Topstuk is een schilderijtje van van Gogh die juist de andere kant liet zien. Het was een hard en zwaar leven op dit schrale platteland. Als je in Assen de bus of trein pakt, dan is het zeker de moeite waard om deze tentoonstelling nog even mee te nemen.

Pieterpad (3)

Zondag 29 december 2019
Van Groningen naar Zuidlaren (21 km)

De weermannen hadden beter beloofd, het blijkt vandaag toch een koude, grijze dag te zijn. Mutsenweer. Maar goed, wel droog, dus eigenlijk prima om te lopen. We zitten nog steeds op bekend terrein als we Groningen uit gaan. Dit gaat voornamelijk langs de Drentsche Aa, die hier nog het Hoornse diep heet. Dat is dit meanderende riviertje, dat voor de afwatering van het Drents Plateau zorgt, wel gewend want in Drenthe krijgt het bij elk dorp een andere naam en is bekend onder Anreeper Diep, Deurzer Diep, Looner Diep, Taarlose Diep, Oudemolense Diep, Schipborgse Diep en Westerdiep. What’s in a name, zullen we maar zeggen?

Het Groningse deel van deze rivier is niet natuurlijk gevormd, maar gegraven. Ik had me dit nooit gerealiseerd maar een aantal namen in de stad zijn afgeleid van dit riviertje. Je ziet dit in het Hoge- en Lage der A (in de loop der tijd is er een ‘a’ afgevallen) en natuurlijk de A-kerk. Ook zijn delen opgenomen in het Noord-Willemskanaal dat sinds 1861 Groningen een waterweg verbinding geeft met de rest van Nederland.

Wij meanderen lekker mee langs het Hoornse meer. Dit is ontstaan toen men zand nodig had voor de aanleg van snelwegen en een nieuwbouwwijk bij Groningen. Daarna is het een recreatiegebied geworden. Bij mooi weer ligt half Groningen aan de Hoornse Plas te bakken en te braden. Even tikken we het Noord-Willems kanaal aan en daar zien we de Clio toren, een van de 9 stadsmarkeringen van Groningen. Deze geeft de oudste toegangsweg naar Groningen aan. Elke automobilist die Groningen nadert ziet hem. ’s Avonds branden een aantal vlammen, naargelang de dag in de week. De 1040 slaat op het geboortejaar van Groningen en licht elke avond om twintig voor elf (ja…valt het kwartje?) op.

Wij volgen de Aa verder en komen bij het gehucht Nijveensterkolk. Inmiddels is het Hoornse meer het Paterswoldse meer geworden. Deze laatste is ontstaan in de 17e eeuw door de afgraving van veen. Het schutsluisje maakt het mogelijk om van het Paterswoldse meer naar het Noord-Willemskanaal, en dus de rest van Nederland, te komen. Het geheel is in 1927 aangelegd en geeft een mooi zicht op de poldermolen de Helper. Dit was niet de oorspronkelijk plaats van de molen. Hij zorgde ooit voor de (vijzel) bemaling van de polder Helpman, ten zuiden van Groningen, dat nu een woonwijk is. In de jaren zestig van de vorige eeuw was dat niet meer nodig en zat hij in de weg voor de A28. Toen hebben ze hem hierheen verplaatst.

Bij Haren steken we het Noord-Willemskanaal over en verlaten we voorlopig even de Aa maar niet het water. We lopen tussen de Wolddelen door waarvan Sassenhein wel de bekendste is. We hopen bij Saskia en Hein een koffie te kunnen scoren maar ze zijn helaas dicht. Gelukkig staan de terrasstoelen er nog wel en kunnen we met een fraai uitzicht toch een eigen bakje drinken.

Inmiddels hebben we de Groninger klei verlaten en komen meer in de zanderige gebieden van de Hondsrug. Deze verhoging tussen Emmen en Groningen is ontstaan in de voorlaatste IJstijd en liep heel vroeger door tot Baflo. Het is geen stuwwal omdat hij in de lengte ligt. Waarschijnlijk was het een spleet in de gletsjer die over het land schoof en zo ruimte gaf voor een verhoging. Je loopt er iets hoger mee in het landschap maar voor ons betekent het met name zand onder de schoenen en dat loopt wel lekkerder dan asfalt.

We worden niet alleen geboeid door de oude tijden. Ook van de nieuwere geschiedenis is genoeg te zien onderweg. De spoorbrug bij Onnen lijkt wel gemaakt van meccano. In 1870 werd het spoor aangelegd tussen Groningen en Assen. In 1920 kwam hier een groot rangeer terrein en werd deze brug gebouwd. Zo zie je ze tegenwoordig niet meer. Grappig detail is dat je in de brug nog kogelgaten kunt vinden die de Engelse Spitfires erin schoten in de Tweede Wereldoorlog.

Het leuke van wandelen is dat ik nu op plaatsen kom waar je niet met de auto en de fiets komt. We gaan eerst door de Appélbergen, een voormalig militair oefenterrein maar nu een natuurterrein met veel flora en fauna. Het schijnt dat je hier nog de adder tegen kunt komen. Het is een populair wandelgebied en het is er druk op deze zondag. Iedereen wil er na de kerstdagen nog even uit. Daarna komen we door het Noordlaarderbos. Soms zeggen ze dat het leven een tranendal is. Nu weet ik waar dat dan precies is..

We verlaten bijna de provincie Groningen maar op de valreep pikken we nog wel even het enige ‘wilde’ Groninger hunebed mee. Deze heeft de naam G1 en is de meest noordelijke van alle hunebedden. Later is er nog een in Delfzijl (G2) gevonden maar die is opgegraven, getemd en in het zeeaquarium in Delfzijl gezet. Vermoedelijk zijn er meer geweest maar zijn de stenen hiervan voor andere doeleinden gebruikt. Als ze te groot waren om te verplaatsen, werden ze opgeblazen. Gelukkig hebben we G1 nog en het is een fraaie representatie van hun soort. Hij ligt mooi in een verhoogd bosje omgeven door akkers.

Over hunebedden valt een hoop te vertellen maar Wikipedia kan dat veel beter. Wat ik wel grappig vind is dat de kennis van de hunebedden vrij recent is. Tot in de 19e eeuw was men nog in de veronderstelling dat ze door een reuzenvolk, de Huynen, gebouwd waren. Want gewone mensen konden die stenen echt niet tillen. En ze werden bewoond door Witte Wieven. Deze theorie werd met name door Dominee Picardt uitgedragen. Pas later, toen de archeologie zich meer ontwikkelde, kwamen we tot de inzichten van nu en kwamen er ook betere theorieën over de bouw.

Vlak voor Zuidlaren komen we onze eerste Drentse hunebedden tegen. Deze liggen vlak langs een huis. Wisten zij veel dat ze dit op een prehistorisch kerkhof bouwden? Een gietijzeren bordje wijst de weg naar een kermis van stenen. Het Trechterbekervolk bouwde ze zo’n 5000 jaar geleden. Ze heten zo omdat ze gebruik maakten van trechtervormige bekers. Ik vraag me af hoe ze ons over 5000 jaar noemen? Het smartphonevolk?  Of het vervuilersvolk? We zullen het nooit weten.

Alhoewel de hunebedden nu open ruimtes lijken, waren ze vroeger bedekt met modder. Ik blijf het indrukweekend vinden om zoveel grote stenen bij elkaar te vinden. Deze zwerfstenen zijn in de IJstijden hierheen geduwd vanuit Scandinavië en sommige mensen vinden dat ze terug naar hun eigen land moeten. Ze gaan hierin zover dat ze deze zelf terugbrengen.

We zijn nu bijna bij Zuidlaren maar voor die tijd hebben we nog een leuke geocache. Voor wie niet weet wat dit is; Mensen verstoppen een ‘schat’, publiceren de coördinaten op internet en andere mensen kunnen hem dan opzoeken. Deze geocache heeft een leuke puzzel die je op moet lossen om bij de schat te komen. Door het ruiken aan potjes en de bijbehorende cijfers in de juiste volgorde te zetten, kun je het slotje open maken.

Zuidlaren is een esdorp. Oorspronkelijk waren dit een paar boerderijen rondom een open plek, de brink. Hier kon het vee staan, werden markten en bijeenkomsten gehouden en had een dobbe, een vijver waarin de dieren konden drinken. Zuidlaren is een mooi voorbeeld hiervan want hier zijn maar liefst zeven brinken. Vandaag zien we er niet veel van want als we gaan kijken hoe laat de bus naar Groningen gaat, komt hij er net aan. Zonde om te laten lopen want op zondag gaat hij maar één keer per uur. We nemen ons voor om Zuidlaren wat meer aandacht te geven bij de start volgende etappe, want hij eindigt nu wat abrupt. Wel zijn we blij dat de benen even kunnen rusten. Het was weer een mooie wandeldag van het Pieterpad.

Pieterpad (2)

Donderdag 12 december
Van Winsum naar Groningen (20 km)

‘Chaotisch’ is het beste woord voor de start van deze etappe. Ik kan het niet anders noemen. Nadat we met de bus van Baflo naar het zwembad in Winsum zijn gegaan, kruipen we door de bosjes om op de route te komen. Terwijl dit nergens voor nodig is, we kunnen ook 50 meter omlopen. Even verderop willen borden ons terug laten lopen. Zijn we helemaal voor niks door de bosjes gekropen. Ze zijn hier duidelijk aan het werk geweest, maar nu kun je er toch weer langs. En na de eerste afslag denken we dat we, aan de track te zien, verkeerd zijn gelopen. Die loopt door het weiland naar de Garnwerderweg en wij lopen via Schillingeham. Veel mooier en later blijkt ook dat dit de gewijzigde route is.

Het traject vandaag is grotendeels bekend. Ontelbare keren heb ik deze route al gefietst. Maar goed, nu doen we het een keer op de langzame manier. Ik kan melden dat het toch anders is dan fietsen.We beginnen met wat omtrekkende bewegingen om Garnwerd. Veel over fietspaden en omdat het winter is, zijn er niet veel fietsers onderweg dus we voelen ons vrij. Waar mogelijk gaan we even de dijk op voor het uitzicht. Dijken zijn hier veel want we zitten nog steeds in het Middag-Humsterland. Een landschap dat voornamelijk gevormd is door de waterloop van de Hunze toen het nog onder het eb en vloed regime viel. De dijkjes geven mooie uitzichten op het landschap en de restanten van de oude meanderende Hunze.

Garnwerd is een oud slapend wierdedorpje. Het kwam pas tot bloei toen het aan het Reitdiep kwam te liggen. Dat was in 1629 toen het Reitdiep uitgegraven werd. Ik vind dat onvoorstelbaar dat ze in die tijd zo’n kanaal hebben uitgegraven. Met de hand! Afijn, voor Garnwerd was het wel fijn. We willen eigenlijk koffiedrinken bij Café Hamming dat een authentiek interieur heeft. Maar die is pas om elf uur open. Gelukkig is bij Garnwerd aan zee wel op tijd de wekker gegaan. Ze serveren een heerlijke Velvet cake. En als we lopen, dan mogen we aan het lekkers.

Garnwerd heeft nog een mooie molen en claimt het smalste straatje van Nederland te hebben. Ook de gietijzeren ophaalbrug ziet er oud uit. Maar die is van 1933. Voor die tijd was er een voetveer. Dat kwam van de Wierummerschouw waar we later langs komen. Op een hete zomerdag ben ik ooit van deze brug gesprongen in het Reitdiep. Garnwerd blijft een plaatje, in welk seizoen je er ook komt.

We gaan terug over de brug en volgen de LF-fietsroute naar Wetsingerzijl. Zijl is het Groninger woord voor sluis. Deze zijl is al in 1634 gebouwd in het Sauwerdermaar. In 1867 is er een versie met 5 paar deuren gekomen. In 1929 ging hij buiten bedrijf en verviel. Nu hebben ze er 1 miljoen (!) euro in gestopt en is hij in zijn oude luister hersteld. Gewelfde gemetselde muren met ijzeren banden. Dit noemen ze ‘wulfmuren’.

Iets verderop is de Wetsingersluis. Waarom de ene een zijl heet en de andere een sluis, is me een raadsel. Deze is als schutsluis in het Reitdiep geplaatst om de stad te beschermen tegen hoog en zout water. Er zit een prachtige ijzeren draaibrug op. Voor ons doen ze hem net even open.

Oostum is de volgende stop. Het is een kerkje op een afgegraven wierde met een paar huizen eromheen. Je kan het geen dorp meer noemen. De kerk is een mooie stopplaats. Aan de achterkant staat een bankje waar je in de zon kunt zitten. En er is een openbaar toilet. Als wij er zijn, is de kerk open en kunnen we binnen ons bammetje doen.

Het kerkje is gebouwd in de 13e eeuw met drie traveeën (muurvakken). Toen in de 14e eeuw de toren werd toegevoegd kwam er een halve travee te vervallen. Het zadeldak op de toren is bijzonder omdat het dwars staat. Ongebruikelijk voor deze regio. De dakbedekking zijn overigens ‘monniken’ en ‘nonnen’. Halfronde pannen die beurtelings met de bolle en de holle kant naar boven liggen. Iets wat we eerder ook bij andere Groninger kerken zagen. Het is een van de meest gefotografeerde en geschilderde kerken van Groningen.

Via een Dode Laan (kortste weg naar het kerkhof, nu komen we er net vandaan) lopen we door de velden naar Wierummerschouw. Het woord schouw verwijst naar het feit dat hier vroeger een pontje was. Juist ja, het pontje wat later naar Garnwerd is gegaan. Hier moeten we een omleiding volgen. Omdat vorig jaar al de Paddenpoelsterbrug eruit is gevaren moeten we een stukje omlopen via de nieuwe brug bij Dorkwerd. Die Paddenpoelsterbrug is een soap op zich. Sommige boze tongen beweren dat het opzet was omdat ze van het van Starkenborghkanaal een scheepvaart-snelweg willen maken en dan ligt zo’n brug maar in de weg. Feit is in elk geval dat er weinig schot zit in de vervanging. Zelfs een noodbrug of een pontje voor de fietsers en wandelaars kan niet voor 2022 gerealiseerd worden. Ook de Tweede Kamer maakt zich er druk om. Wij kunnen er weinig aan veranderen dus we lopen gewoon om. Inmiddels begint het lijf langzamerhand te protesteren maar de stad komt in zicht en gelukkig hebben we nog wat afleiding.

Waar nu het nieuwe ICT/Kennis-gebied Zernike uit de grond gestampt wordt, stond vroeger het Galgenveld. Hier werden de misdadigers opgehangen als afschrikking voor de reizigers met snode plannen, die de stad binnen kwamen. Als herinnering staat er een metalen hand met gedicht.

Als we de wijk Selwerd binnenkomen, staat er het kunstwerk Levensloop. Alhoewel het heel toepasselijk lijkt, al die schoenen, voor het Pieterpad, het heeft er niets mee te maken. Het gaat over de vele (80) verschillende nationaliteiten die in deze wijk wonen.

Via een interessante route gaan we door de stad naar het station. Er is onderweg veel te zien maar voor ons, als Groningers, is het allemaal gesneden (Groninger) koek. We komen langs de Noorderbegraafplaats, door het Noorderplantsoen en langs de Noorderhaven. Allemaal mooi.

Maar de spieren en heupen willen op dit moment maar één ding en dat is naar huis gaan. Dus alle andere bezienswaardigheden laten we even links liggen en spoeden ons naar het station. Daar zijn ze al helemaal in kerstsfeer en dit maakt de stationshal er nog mooier op.

Ondanks dat deze etappe de bekende weg was, hebben we toch genoten. En na ’s avonds een uurtje gezeten te hebben, komt het lijf ook weer wat bij. Mooi dat we weer een stukje verder zijn en op naar het volgende traject!

Pieterpad (1)

Zondag 1 december
Van Pieterburen naar Winsum (12 km)

Kleine wolkjes verlaten mijn mond als ik adem. We kijken uit over een donkere massa klei en heldere luchten. De luchten zijn in de herfst op zijn mooist. Als in oudhollandse schilderijen. Complexe wolken, in de oneindige verte, met de belofte van regen. In het veld gakken de ganzen en voeren een evacuatie oefening uit. Met honderden stijgen ze op, cirkelen even boven ons en dalen weer neer. We lopen in het Middag-Humsterland, Groningse wierden- en marengebied, en sinds 2005 Nationaal landschap.

Ja, je leest het goed. We fietsen niet, maar we lopen. In de winter is het te koud om te fietsen en daarom heb ik deel 1 van het Pieterpad besteld en afgelopen zaterdag binnen gekregen.

In feite is elke dag geschikt om te beginnen, dus waarom vandaag niet. Ondanks dat er natte bytes mijn buienradar-app binnenstromen gaan we gewoon op pad. De eerste etappe is van Pieterburen naar Winsum. Twaalf kilometer. Dat moet zelfs voor ons, als notoire fietsers, te doen zijn.

Om in Pieterburen te komen nemen we de bus. Je kunt hier aan de provinciale weg bij Baflo instappen en 10 minuten later sta je bij het startpunt van het Pieterpad. Gemakkelijker kunnen we het niet maken.

Pieterburen kennen we al. Reden om meteen de rood-witte bordjes te volgen. Even langs de kerk, ‘Domies-toen’ en binnen no-time staan we met de schoenen in de modder en het hoofd in de ruimte.

Het Groninger land is relatief kort geleden land geworden. Lang was het hier zee met ambities. Pas zo’n 2500 jaar geleden begon men hier wierden op te werpen. Verhogingen in het landschap zodat je niet twee keer per dag natte voeten kreeg. De Romeinen noemden het boomloze baggerhopen en in feite waren het niet meer dan dat. Op de wierden werden hutten gebouwd en deze wierden groeiden van huiswierden tot dorpswierden. Kerken zijn onvermijdelijk en zo groeiden de dorpen zoals we die nu om ons heen zien. Want zeker de kerk en de doden (begraafplaatsen) moesten droog blijven. Sommigen waren wel vijf meter hoog.

In de 19e eeuw kwam men erachter dat die wierden eigenlijk bestonden uit vruchtbare grond want het groeide aan door aarde, mest en huisvuil. Een soort van composthoop naast de voordeur. Dat kon natuurlijk goed verkocht worden. Begin 19e eeuw werd het voor 55 cent de ton afgegraven en verkocht. Via modderschepen werd het afgevoerd en kijken wij tegen gemutileerde wierden aan. Tegenwoordig is men weer bezig dit te herstellen.

Het land wordt nu minder beheerst door de getijden. Was het vroeger de Hunze die de stad Groningen met de zee verbond. Na het ontbochten hiervan heeft het de naam Reitdiep gekregen. Dat water hier nog een grote rol speelt zie je aan de vele bruggetjes waarmee we het water oversteken.

We hebben hier vaak gefietst maar wandelen is toch anders. Het is prachtig om door de velden te lopen. Nog meer dan met het fietsen wordt je gedwongen te vertragen. Nog meer zit je in het landschap en nog meer worden al je zintuigen aangesproken.  Zonder moeite en voor we het weten komen we door Eenrum, een wierde-dorp pur-sang. Boven op de bult staat de kerk, uit de 13e eeuw. Voor het eerst zie ik hier ook de waterpompen staan waarvan de rode wel erg in het oog springt.

Langs de hoofdweg lopen we naar Mensingeweer. Vroeger liep hier de provinciale weg doorheen. Tegenwoordig is er een rondweg en daar is het dorp flink van opgeknapt. Bij de molen doen we een cache en via het hoogholtje steken we het water over. Het is hier heerlijk rustig nu. Onderweg komen we nauwelijks mensen tegen ondanks dat het, tegen verwachting in, prachtig weer is.

Langs Mensingeweerster loopdiep komen we in Winsum. Ik ben hier honderdduizend keer geweest maar kom toch in steegjes die ik niet eerder heb gezien. Winsum is een dubbeldorp dat, naast Winsum op de zuidelijke wierde, ook nog bestaat uit Obergum, op de noordelijkwe wierde. Beide delen worden verbonden door ‘de Boog’, midden in het dorp. Net als alle dorpen hier, is er in Winsum ook een haven. En in die haven de Jeneverbrug. Uit het boekje leer ik dat deze naam komt omdat er een café aan beide zijden was. Tegenwoordig zit er een Chinees dus misschien moet het nu de Pekingbrug worden.

Vanuit Winsum kunnen we de trein naar Baflo nemen. Maar dan moeten we nog een klein uurtje wachten. Het is maar 5 kilometer, dus dat kan er nog wel bij.  Enigszins stijf in de heupen komen we thuis. De eerste etappe zit erop. We kijken uit naar de rest. 

Zure melk

eindeloos wad
mijn wereld mijn thuis

stappen dwalen door de ruimte
stappen in het zwarte zand

linkervoet rechtervoet
linkervoet rechtervoet

eeuwig ritme
eb en vloed

— Luc ten Klooster

Als melk te lang stilstaat, dan wordt het zuur. En wat voor melk geldt, geldt ook voor ons. We moeten op stap. Elke bestemming is goed, maar sommige bestemmingen zijn beter dan anderen. Ons oog valt op Ameland. Een bestemming aan zee is altijd plus één voor mij. En wat het nog beter maakt is dat het deze maand Kunstmaand op Ameland is.

Kunst is altijd wat schimmig. Veel kunst vind ik de grootst mogelijke rotzooi dat op een rommelmarkt nog weggegooid zou worden. Maar goed, wie ben ik om daar een oordeel over te (kunnen) geven. Kunst wordt voor mij mooi als het je in het diepst van je ziel raakt. En geraakt worden willen we. Dus op naar Holwerd!

De veerboot is laat. We wachten in de hal op zijn aankomst. De ruimte wordt grotendeels gevuld door grijze bloemkolen. Een jeugdiger persoon heb ik de term fossiel horen noemen. Ons voorland. Ook het jouwe, mits je het geluk hebt om lang genoeg te kunnen wachten. Maar goed, hier zitten wij, als Coelacanthen, tussen. Want de enige mensen die tijd en geld  hebben om op een doordeweekse dag naar Ameland te gaan zijn drugsdealers en bejaarden. En wij horen zeker niet bij de eerste groep. Groot voordeel is wel dat we sneller zijn dan de rest. We staan dan ook als eerste bij de fietsverhuur en laten de rest daarna ver achter ons.

En we hebben geluk. Het wordt tegen verwachting in zowaar mooi weer. Het strand voelt altijd als thuiskomen. Misschien omdat ik ooit in een huis aan een boulevard van Katwijk aan Zee ben geboren. Ik zou uren kunnen slenteren langs de vloedlijn. Net als de strandlopertjes die overigens ook niet van natte voeten houden. Voetjes waaraan de achterteen mist zodat ze ook wel de drieteenstrandlopers worden genoemd.

Ook zien we veel zeesterren op het strand. Normaal gesproken zie je die nauwelijks. Zeesterren houden zich vast aan harde voorwerpen zoals mosselbanken, dijkstenen en scheepswrakken. Tijdens stormen moeten ze door het natuurgeweld hun ondergrond soms loslaten. Ook speelt de kou in de wintermaanden daarbij een rol. De dieren raken verlamd van de kou, waardoor ze zich niet meer goed kunnen vasthouden. Ze komen dan te zweven in het water. Bij een oostenwind ontstaat er een onderstroom richting land en spoelen ze massaal aan.

Maar goed, genoeg gelummeld aan het strand. Er moet kunst bekeken worden. In Hollum, Ballum, Nes en Buren zijn iets meer dan 40 plekken waar je wat kunt zien. Hierbij kom je op plaatsen waar je normaal gesproken niet komt. Zoals kerken (daar komen we nooit), bejaardentehuizen (nog niet aan toe) en cafés (daar komen we helemaal nooit). In twee dagen fietsen we het hele eiland af en zien meer kunst dan ons lief is. Daarbij is kunst, Kunst en rommel. Er zijn mensen die een houten karretje betimmeren, er een prijskaartje van €240 op hangen en het kunst noemen. Ik noem dat rommel. Of ik begrijp het niet. Maar er zijn ook prachtige voorwerpen in glas, fantastische schilderijen en mooie beelden. Het meest wordt ik geraakt door een uitzonderlijke foto expositie van Luc ten Klooster over Rixt van het Oerd.

Een eiland in de herfst is relatief leeg. Door de week is het nog leger. Heerlijk al die rust en ruimte. In de loop van de middag komt de mist opzetten en in het schemerduister fietsen we met vochtige wenkbrauwen de laatste kilometers naar huis. Bij de Spar halen we voor € 2,45 een fles Glühwein en trekken ons terug in het comfortabele appartementje terwijl Ameland verder opgeslokt wordt door de mist. Op tv vinden we een zender die oude nummers speelt uit de tijd van gillende gitaren en lang haar. Vroeger was alles beter maar tegenwoordig hebben we het ook niet slecht.

Hieronder een overzicht van een deel van de werken die we gezien hebben en die ik (meestal positief) opmerkelijk vind.

Home Sweet Home

We travel because we need to, because distance and difference are the secret tonic to creativity. When we get home, home is still the same, but something in our minds has changed, and that changes everything.

Dag 133:

We hebben besloten om een extra dag in Aken te blijven om de stad te bekijken en wat energie op te doen voor het laatste stukje naar huis. Aken geeft me een beetje hetzelfde gevoel als Groningen. Niet al te groot, studentenstad, oude gebouwen en een winkelstraat. Een gezellige stad. Je kunt mooi in één dag de bezienswaardigheden bekijken, als je geen musea doet. Want dan heb je een dag extra nodig.
In dit soort gevallen is Mevr. van der Veeke reisleider. Ze zoekt op internet uit wat we gaan bekijken en zoekt er wat achtergrond bij. Zo heeft ze een top-10 gemaakt en tegelijk een stadswandeling uitgezocht die ons bij de meest mooie dingen langs laat lopen.

Aken is natuurlijk bekend van Karel de Grote (7e-8e eeuw) die de stad als residentie had van het Karolingische rijk. Hij liet hier zijn paleis bouwen maar ook de eerste aanzet tot de Dom, die ook wel de Mariekerk genoemd werd. Aken is ook bekend van zijn thermische bronnen die ertoe geleid hebben dat het een kuuroord is geworden. Door de eeuwen heen zijn er vele grote namen geweest om hier in het hete water te plonzen. Wij hebben helaas geen tijd voor een kuur, maar we kijken wel even bij de Elisenbrunnen. Het water wat er stroomt stinkt naar zwavel en is heet.

Achter de bron is een leuk parkje met de fontein ‘Kreislauf des Geldes’, een opvallende beeldenpartij. Overal in Aken staan overigens beelden wat de stad erg de moeite waard maakt.

Daarna gaan we naar de schatkamer van de Dom. Hier hebben ze een (groot) aantal religieuze schatten en relikwieën verzameld. Het is een mooie collectie maar ik blijf er moeite mee hebben dat de kerk dit allemaal over de ruggen van de arme mensen heeft verzameld. Indrukwekkend vind ik de schilderijen en de relikwie van Karel de Grote.

Daarna gaan we de Dom in. Het eerste gebouw in Duitsland dat op de Unesco Werelderfgoed lijst kwam te staan. Ook dit is een toonbeeld van rijkdom en kunst. Het was lang geleden dat we in een kerk waren. Alles is in tip-top conditie en het is een feest voor het oog om hier rond te lopen. Mooi concept vind ik dat je niet mag fotograferen, tenzij je een kleine bijdrage (€1) betaalt. Sympathiek en zo harken ze toch een aardig bedrag binnen want iedereen wil er wel een euro voor betalen.

Voor de rest volgen we de stadswandeling en komen we langs een aantal markante punten. Het Rathaus staat aan de voorkant helaas in de steigers, maar de achterkant is ook mooi. Haus Löwenstein is het oudste gebouw (1345) in Aken maar ziet er nog prima uit. En van alle beelden in de stad is Poppenbrunnen nog wel een van de mooiste. Tenslotte heeft Aken een boel mooie winkels, iets waar Mevr. van der Veeke met name van geniet. Want op het winkelvlak is het de laatste maanden wat karig geweest. Nu kan ze dat allemaal even inhalen. Pech is wel dat al dat moois niet in haar fietstas past.

Dag 134:

Het is koud en bewolkt. Voor het eerst sinds maanden hebben we flinke plensbuien. Gisteren middag ook al maar toen zaten we binnen. Tijdens twee grote buien kunnen we gelukkig schuilen, dus we houden het redelijk droog.

Het landschap tussen Aken en Maastricht is flink heuvelachtig, dus we nemen afscheid van de route met een paar laatste klimmetjes. Al na een kilometer of zeven gaan we bij Lemiers over de grens. Niet eerder was ik zo lang in het buitenland. Een record van 128 dagen. Overigens zijn we maar een klein stukje in Nederland. Vlak na Maastricht gaan we weer de grens over naar België. In Maastricht hebben we eerder op de Markt een heerlijke wok gegeten. Als we er langs komen, zie ik dat hij er nog steeds zit. Mooie gelegenheid om alvast een warme maaltijd naar binnen te schuiven. Een soort van gezonde McDonalds want het wordt vers gemaakt met veel groenten.

Voor de weg naar huis is geen route. Ik heb via de routeplanner van de fietsersbond zelf een route naar het noorden gemaakt. Tenminste, ik heb opgeven wat ik wilde en hij heeft de route gemaakt. Ik had gekozen voor een autoluwe natuurroute en wordt niet teleurgesteld. Er worden prachtige fietspaden gekozen maar soms wat kunstmatig om drukke weg of dorp heen. Die lusjes slaan we natuurlijk over. We zitten eerst langs de Maas maar komen al vrij snel op een fietspad langs de Zuid-Willemsvaart. Mooi fietsen met als minpuntje dat we wind tegen hebben.

Eindpunt van de dag is Maaseik. Zo brengen we toch nog een nacht in het buitenland door. Na veel wikken en wegen besluiten we toch een B&B te boeken. De campings zijn er erg kaal en het weer is koud en nat. Zo zitten we toch weer luxe, met stroom en wifi in een warme slaapkamer. Het moet tenslotte wel leuk blijven.

Dag 135:

De overnachting in B&B de Koddige Kater is met ontbijt. We worden er flink verwend. Zelden heb ik zo’n lekker ontbijtje gehad met ‘scrambled eggs and bacon’. De Koddige Kater is een smaakvol ingericht pand met (eet)cafe. We zien dat dit maar één dag in de maand open is, De eigenaar vertelt ons over het ontstaan van het B&B. Het pand was een bouwval dat vanaf de grond weer opnieuw opgebouwd is. Al zijn geld ging erin maar vlak voor de opening werd een slopende ziekte bij zijn vrouw vastgesteld. Dat lijkt nu onder controle maar daardoor konden ze het niet zo exploiteren zoals ze wilden. Vandaar dat het bij die ene dag bleef. Jammer, de entourage verdient meer.

Wij verlaten in alle vroegte Maaseik. Op de markt nagestaard door de gebroeders van Eyck. Vrij snel komen we bij Thorn weer op Nederlands grondgebied. Dit gaat zonder merkbare grensovergang. In Thorn, het witte stadje, zijn we vaker geweest dus we fietsen er alleen doorheen.

Verderop komen bij het kanaal Wessem-Nederweert. Deze brengt ons en één rechte streep noordwaarts. Ze doen nog een poging om ons tegen te houden, maar dat gaat niet lukken. Het is de zoveelste afgesloten weg waar ze geen goed alternatief voor aangeven. Als fietser moet je het zelf maar uitzoeken, vaak door kilometers om te fietsen.

Voor de rest zitten we veel in de Limburgse bossen met hier en daar een klimmetje. Het weer is wat vriendelijker dan gisteren en het is mooi fietsen, over een mooie route, door een mooi landschap. Al vroeg in de middag zijn we in Deurne waar we de camping opzoeken.

Het leukste van de dag moet nog komen. Onze fietsvrienden Kees en Corrie fietsen dit weekend met ons mee. Kees zien we ’s middags al en Corrie komt ’s avonds pas want ze moest nog werken. We vinden het erg leuk dat ze een stukje met ons meefietsen. Dat voelt als een welkom onthaal in Nederland.

Dag 136:

Vandaag krijgen we een nog grotere verrassing dan gisteren. Onze goede vrienden Anko en Aukje, uit ons dorp, zijn in de buurt en stellen voor om ergens koffie te drinken. Het lukt een rendez-vous af te spreken. We vinden het ontzettend leuk om ze weer te zien en beseffen nu pas hoe lang we weg zijn geweest. Een hele fijne ontmoeting.

Maar goed, daarna moet er toch echt weer gefietst worden. Dat gaat met Kees en Corrie anders dan met z’n tweeën. Het tempo ligt nu een stuk hoger dan we gewend zijn om te fietsen, dus we moeten flink aanpoten. Dat doen we overigens zonder een spier te vertrekken.

En de pauzes met hun zijn véél langer en ook véél gezelliger. Kees is een wandelende encyclopedie en weet heel veel te vertellen van de omgeving waar we doorheen gaan.

Door het platteland van Limburg en Brabant meanderen we ons weer een weg naar de Maas. In Boxmeer doen we boodschappen en moeten we een tijdje schuilen voor de enige bui van de dag. Met koffie en brownies is dit geen straf. Bij Cuijk is het kermis en moeten we omrijden om bij de pont te komen. In Groesbeek vinden we een mooie kleine camping waar we als enigen op het trekkersveldje staan en het centrum binnen loopafstand zit.

Dag 137:

We kunnen de tent verrassend droog inpakken. Eerst gaan we naar Nijmegen waar we koffie drinken met kraakverse cheesecake. Hij werd gemaakt terwijl we wachten en smaakt goddelijk. Via de spoorbrug steken we de Waal over. Het deel hierna is het minste van de hele route. Er is hier veel bebouwing en weinig keus in fietspaden. In Elst doen we even boodschappen en lopen vast op de rommelmarkt. Bij Driel steken we de Neder-Rijn over via een voet/fietsveer.

Aan de overkant hebben we een lange lunch want we hebben afgesproken met andere fietsvrienden, Gaele en Loes, die van de jubileum bijeenkomst van de Wereldfietser komen. Loes heeft de eerste dagen van de tocht met ons mee gefietst. In de tussentijd heeft ze op de ukelele leren spelen. Niet zo goed als mijn favoriete ukelele-speelster maar goed genoeg om op te treden bij het wereldfiets-weekend. Met name Mevr. van der Veeke vindt het jammer dat ze dit gemist heeft want ze is nogal van het meezingen. Gelukkig geeft Loes, speciaal voor ons, een privé optreden zodat dit gemis slechts een herinnering is.

Door deze lange pauzes zijn er nog maar weinig kilometers gemaakt. We fietsen dus nog even flink door. Bij Wolfheze nemen we met spijt afscheid van Kees en Corrie. Het klikt erg goed met hun op allerlei vlakken en het is gezellig fietsen met hun.

Wij gaan nog een stukje noordwaarts over de Veluwe. Op een gegeven moment willen we door het Nationaal Park Hoge Veluwe van Otterloo naar Hoenderloo maar daar schijn je voor te moeten betalen. Twintig euro kosten die acht kilometer. Dat vinden we wat teveel en rijden om. Een minder leuke weg maar voor het geld dat we uitsparen kopen we later bier en bitterballen. Bij Hoenderloo willen we naar de natuurcamping, maar die ligt in het park. Naast de campingprijs moet je dan ook de entree in het park betalen. Dat doen we nog steeds niet dus we gaan op zoek naar een andere camping. Dat leek makkelijk maar de ene camping is gesloten en de andere bestaat gewoon niet. Gelukkig is er nog meer keus en vinden we er nog een. Het is al laat en in de schemering koken we ons potje. Weer een stukje dichter bij huis.

Dag 138:

Het was een heldere, dus weer een koude en natte nacht. En daarom ook een beetje kleumen bij het ontbijt omdat we nog niet in de zon kunnen zitten. Vandaag zitten we het grootste deel van de dag in het bos. Kudos voor de fietsrouteplanner dat er zo’n mooie route gemaakt kan worden. En omdat het maandagmorgen is, zien we niemand. Het is zo rustig in het bos, dat we meermalen de wilde zwijnen tegenkomen.

En voor de rest is het alleen maar erg mooi. Het compenseert een beetje de droogte van Spanje en we genieten enorm van het groen. Van saaie routes langs autowegen krijg je geen energie maar hier hebben we de neiging om steeds harder te gaan fietsen door de route die op en neer gaat en ook veel smalle bochtige paden. Heerlijk.

Pas bij Zwolle komen we weer tussen de mensen. Ook leuk om even door de stad te gaan. Vanavond slapen we bij onze fietsvriendin Ria en om bij haar te komen gaan we via het Haersterveer. Dit is een van de mooiste pontjes van Nederland. Door met twee klossen aan het touw te trekken en heen en weer te lopen, gaat het pontje naar de overkant. Nog helemaal handwerk dus.

Bij Ria komen is altijd feest. Ze verwent ons altijd enorm met drankjes (ze haalt speciale biertjes voor me!) en zet ons altijd een lekkere maaltijd voor. Een heerlijke douche en dito bed maken het af. Met Ria hebben we het Spaanse deel naar Santiago de Compostella gefietst. Daarna hebben we haar niet meer gesproken en hebben dus veel bij te praten. Het wordt dan ook iets later dan anders.

Dag 139:

Na een verwenontbijt nemen we afscheid van Ria. Het is nog ongeveer 130 kilometer naar huis en dat willen we in twee dagen doen. We zien wel hoe ver we vandaag komen. De buienradar dreigt met regen bij vertrek, maar het is een loos alarm. We houden het tot de middag droog.

De nattigheid zit hem niet alleen in de lucht. Ook het landschap is waterig genoeg. We blijven omgeven door water en hebben regelmatig een pont. Altijd leuk. We zitten een tijd in het nationaal park van de Weerribben en daarna komen we in het Drents-Friese Wold. De bossen zijn hier anders dan op de Veluwe. Minder oud en een andere tint groen. Zo buiten de vakantie en met niet heel mooi weer is het hier erg rustig. En ook een prachtige omgeving. Spanje was mooi, Portugal was genieten en Frankrijk prachtig. Maar in ons eigen land is het ook de moeite waard.

In de loop van de middag krijgen we wat last van buien. Het kamperen bij deze nattigheid trekt niet zo. We nemen een B&B in Appelscha en zitten de laatste avond heerlijk comfortabel in onze eigen studio. Dit heeft als voordeel dat we ook nog een keer ons eigen maaltje kunnen maken. We zijn er bijna.

Dag 140:

Het laatste stukje vandaag. Als we opstaan is het blauw maar de buienradar voorspelt niet veel goeds. Er gaat een grote storing over het land en we houden het niet droog. Het maakt ons niet uit. Vandaag komen we thuis!

Eerst gaan we koffiedrinken bij Wim (en Marjan) van Eeden in Veenhuizen. We komen er vlak langs en sinds ze er wonen hebben we hun prachtige huis en tuin nog niet kunnen bewonderen. Door het Drentse en, later, Groninger landschap snellen we naar huis. ‘Snellen?’ Ja, er staan een fikse wind en die hebben we in de rug. Dat schiet lekker op. Inmiddels is de regen ook gearriveerd en hebben we het regenpak aan. Het is eigenlijk de eerste echte regen die we in maanden hebben. En dat geeft meteen een probleem dat we al maanden niet gehad hebben. Om een broodje te eten moet het wel even droog zijn. Dat lijkt het niet te worden dus onze laatste lunch hebben we bij de McDonalds in Hoogkerk. Tegen twee uur rijden we Baflo binnen. Het was 140 dagen geleden dat we vertrokken. In de tussentijd hebben we bijna 7000 kilometer afgelegd en zeven landen gezien. Het is een heerlijk gevoel om weer thuis te komen tussen de eigen spullen. De overbuurjongens hebben de tuin spik-en-span bijgehouden en alles ziet er verzorgd uit. Ik verheug me op mijn eigen bed en de luxe die we thuis hebben ondanks dat we de afgelopen maanden prima zonder konden. Ik verheug me ook op het weerzien met kinderen en kleinkinderen.

Los hiervan hebben we een prachtige reis gehad waarin we veel gezien en gedaan hebben. We hebben andere culturen leren kennen, heel veel leuke en lieve mensen ontmoet en landschappen gezien die ik nooit zal vergeten. De reis is voorbij. Het was mooi zo.

Dit is de een na laatste blog van deze reis. Er komt er nog een met een evaluatie en cijfertjes overzicht. (Ik ben gek op getallen en ik heb van alles bijgehouden.) Ik hoop dat je met deze blog een indruk hebt gekregen van de reis, de landen en de mensen. Ik vond het leuk om te doen, ook al was het veel werk en had ik er niet altijd de energie voor na een dag fietsen. Tot de volgende reis.