End of part 2

To my mind, the greatest reward and luxury of travel is to be able to experience everyday things as if for the first time, to be in a position in which almost nothing is so familiar it is taken for granted. – Bill Bryson

Dag 032:

We hebben afgesproken dat we om 9 uur de sleutel van het appartement overdragen aan Corinne en staan gepakt en gezakt klaar. Het weer zou vandaag droog zijn, dus het regenpak zit onderin. Maar helaas, het mag niet zo zijn. Als we willen vertrekken, regent het en niet zo’n beetje ook. Ik houd er de goede moed in, maar eigenlijk ben ik wel een beetje klaar met de regen en het koude weer. Dit is niet wat we verwacht hadden. Uiteindelijk ligt dit natuurlijk aan mijn eigen verwachtingen. Ik hoop dat het beter wordt. En dat is wat Corinne ons ook verzekert als ze ons uitzwaait.

Ondanks dat het zondagochtend is, is de D29 vrij druk. Meestal is het op zondagochtend wel rustiger maar misschien dat de Europese verkiezingen de drukte veroorzaken. In de dorpen waar we doorheen komen zijn  de stemburo’s (in de Mairies) open. In Peyhorade is de drukte van een andere orde. Het lijkt wel het circuit van Monaco, zoveel auto’s rijden rondjes om het plein waar we koffie drinken. Hier heeft het met de kerk te maken. Ze zoeken allemaal een plekje om te parkeren.

Sorde-l’Abbay is een monumentaal bouwwerk wat ook de stempel van Unesco werelderfgoed heeft. Het is overgebleven van de abdij uit de 12e eeuw. Het oogt meer als een vesting. Vroeger moesten de pelgrims hier met een bootje over de Gave d’Oleron gezet worden. De veerlui vroegen hier veel geld voor en lieten regelmatig een bootje kapseizen om de pelgrims van hun wereldse bezittingen te ontdoen.

Bij Caresse splitst de route zich. De meeste (fietsende) pelgrims gaan via de Navarra route naar Roncevalles. Wij blijven de oudste route via Oleron en de col-du-Somport volgen.
Athos-Aspis is het kortste dorpje dat ik tot nu toe ben tegengekomen. Je hebt het begin-bebouwde-kom bord. En 20 meter later het einde-bebouwde-kom bord. Zo racen we door deze plaats heen. Overigens kwamen de drie musketiers uit dit gebied.

Na de leegte van Les Landes zijn we blij met de dorpjes hier. Het zijn stuk voor stuk stadjes met een historie en ze zien er prachtig uit. We merken dat we meer in Baskenland komen want alle dorpen hebben een pelota veld. Ook worden de namen in het Euskara gespeld. Helemaal mooi is Sauveterre-de-Béarn. Het ligt op een rots boven de rivier en heeft nog een kerk uit de 12e eeuw en de overblijfselen van een vesting. In de diepte zien we de restanten van de Pont Fortifé of de Pont de la Legende liggen. De legende gaat over de gravin van Bearn die de waterproef moest doen.

In Laás willen we eigenlijk stoppen. Het is tenslotte het dorp waar Brigitte Bardot ook gewoond heeft.  Maar we hebben geen eten en in Laas is er op zondagavond ook geen restaurant open. Daarom houden we het bij een kopje thee op een kinderpartijtje en fietsen toch door naar Navarrenx. Onderweg komen we het ene prachtige dorpje na het andere tegen.

In Navarranx is een pelgrimsgîte in het voormalige Arsenaal. In een kroeg schrijf je je in en dan krijg je een kamer toegewezen. Nu we meer in het drukkere deel van de pelgrimsreis komen (de meeste mensen beginnen pas in of na de Pyreneeën) willen we wel eens weten hoe dat is. We komen op een slaapzaaltje met vier bedden. Eerst zijn we nog alleen maar later zijn alle bedden gevuld. Er is een douche, wc en een gemeenschappelijke keuken. Met z’n tweeën betalen we €26,10. Het voordeel is dat je binnen zit en geen natte tent hebt. Het nadeel is dat het overal naar zweet ruikt en je maar moet afwachten of er gesnurkt wordt. In Spanje zijn de slaapzalen nog veel groter en dan moeten de mannen en vrouwen ook gescheiden slapen. Ik weet niet of we het daar gaan doen want ik heb Mevr. van der Veeke ’s nachts het liefst naast me.

Navarranx is overigens een vestingstadje met nog een groot deel van de muren intact. Een beetje Boertange maar dan met veel dikkere muren. In 1537 is hier een vernieuwd militair ontwerp voor bedacht die meteen beproefd werd en stand hield. Ze staan er trouwens nog steeds. Ook de kerk St. Germain is bijzonder omdat hij tijdens de godsdienstoorlogen gespaard werd en nog mooi kleurig is van binnen. En natuurlijk staat St. Jacobus in de kerk. En ik kan daar het pelgrimslied leren.


We eten voor het eerst een pelgrimsmenu in de Auberge St. Jacques. Dit is een drie-gangen maaltijd voor een relatief laag bedrag. Het smaakt prima maar na afrekenen blijkt dat we behoorlijk afgezet zijn. Zo zie ja maar, vroeger lieten ze een bootje kapseizen om een pelgrim te kunnen beroven. Tegenwoordig gebeurt het gewoon met de pinpas.

Dag 33:

Gelukkig komen verwachtingen niet altijd uit. Want we hebben gewoon goed geslapen in de pelgrimsgîte. Geen gesnurk en hele stille kamergenoten. Voor herhaling vatbaar dus.

Ook vandaag beginnen we niet droog, maar terugkijkend op de dag, denk ik dat we niets te mopperen hebben qua weer. Eerst overbruggen we de twintig kilometer naar Oleron-St. Marie. Ik verwacht daar net zoiets als in St. Jean Pied-de-Port, maar dat is helemaal fout. Er is hier weinig te merken van de pelgrimsgekte die in Pietje-Por heerst. De route leidt ons naar de kathedraal van (natuurlijk) St. Marie die er opmerkelijk mooi bijstaat. Het portaal is ronduit fascinerend en er is heel veel te zien in de details van het beeldhouwwerk. Grappig om te zien dat de middenpilaar gedragen wordt door twee geketende Atlantiërs. Geen wonder dat het Unesco werelderfgoed is.

Hiermee sluiten we het tweede boekje van de Santiago route af. Deze is minder lang dan deel een en drie maar toch een mijlpaaltje.

De afgelopen 20 kilometer zijn we al wat gestegen. We zitten nu rond de 200 meter hoog, maar de Col du Somport zit iets boven de 1600 meter en dat is nog een eindje. Dat gaan we niet in een keer doen, we verdelen het over twee dagen. Vandaag kijken we hoever we komen en dan morgen de rest. De route verloopt door het dal van le Gave-d’Aspe, grotendeels via de D238 maar tot Escot kunnen we nog via een parallelweg die heerlijk rustig is. Inmiddels zien we de Pyreneeën al in de verte opdoemen, zij het dat de bovenste delen in de wolken zitten.

We passeren een aantal dorpjes maar Sarrance wil ik er even uitlichten. Het oogt niet als een speciaal dorpje, maar wij gaan binnendoor en dan kom je langs de abdijkerk. Een daarbinnen is meer bling-bling dan een serie top-40 rappers om de nek hebben hangen. Een mooi gedecoreerd altaar, veel reliëfpanelen en prachtige muurschilderingen.

Wij klimmen daarna nog wat door en komen steeds dieper de Pyreneeën in. Hierbij wordt het landschap steeds mooier en omdat we zo vroeg in het seizoen zijn, is er veel smeltwater in de rivieren. De weg is niet druk en langs grote delen is een extra strook waar we op kunnen fietsen. En het verkeer houdt ook hier veel rekening met fietsers. Wat ons wel opvalt is dat we geen enkele andere fietser tegenkomen. En ook nauwelijks wandelaars.

Bij Borce/Etsaut zijn de benen op. Het zijn eigenlijk twee dorpen aan beide kanten van de weg. Maar voor Borce moeten we een stuk klimmen, dus we kiezen voor Etsaut. Volgens het boekje zijn er twee pelgrimsgîtes; Een met 20 bedden en een met 50 bedden. We willen eigenlijk de kleine omdat die ons rustiger lijkt maar die kunnen we niet vinden. Dan maar naar de grote en daar zijn we de enige gasten. Het heeft wat vreemds om in de lege zalen en gangen te dwalen van dit spook-hostel. Gelukkig komt er ’s avonds nog iemand bij. Etsaut heeft ook een leuke kroeg waar we nog wat drinken. Daarna maken we een maaltijd en dan op tijd in bed. Morgen hopen we in Spanje te zijn.

Dag 34:

We verlaten onze slaapplek, ik sla linksaf en schakel terug naar de laagste versnelling. En daar blijft hij vijf uur in zitten. Vijf uur? Ja, vijf uur. Ik had uitgerekend dat we tussen de drie en vier uur zouden doen over de klim, maar hij blijkt vijf uur te duren, inclusief pauzes.
Hoe doe je zo’n klim van 1000 meter met een fiets van 20 kilo en 25 kilo bagage? Eigenlijk net als het eten van een olifant…in kleine stukjes. Uiteindelijk kom je er wel, maar het is een klim waarbij ik na een half uur en 100 hoogtemeters denk dat er geen eind aan komt. De laagste versnelling is in Nederland niet mee te fietsen maar hier ben ik er heel blij mee. Alhoewel ik regelmatig wilde dat er onder de laagste versnelling nog een –geheime- nog lagere versnelling zit.

We passeren Fort du Portalet in de nauwe doorgang van de Vallée s’Aspe. Na de tweede wereldoorlog hebben ze hier nog wat oorlogsmisdadigers vastgezet.

In Urdos halen we nog wat lekkers voor bij de koffie en daarna is het nog zes kilometer verder voor de weg zich splitst. Tot daar aan toe delen we de weg met de auto’s en vrachtwagens. Op zich geen probleem want ze houden goed rekening met je. Hierna mag het snelverkeer door de tunnel en wij moeten over de pas.

Na de afslag wordt het rustiger. Een enkele auto en wat motoren passeren. Voor de rest zijn we alleen. En zo vechten we ons een weg naar boven. Geduldig en gestaag. Het weer is grotendeels droog, maar koud. Daar hebben we geluk mee. Hieronder een kleine impressie.

Uiteindelijk komen we boven op de col du Somport (1640 m). De naam van de pas is een verbastering van het Latijnse summus portus wat ‘hoogste doorgang’ betekent. Het miezert en met zes graden is het best wel koud. Alles is hier gesloten en er is geen mens. We maken snel twee selfies, Mevr. van der Veeke trekt wat extra kleren aan en we storten ons naar beneden.

We zijn hiermee in Spanje aangekomen en dat vinden we een behoorlijke prestatie op de fiets. De afdaling gaat als een speer en ons gemiddelde gaat met sprongen omhoog. En het leuke is dat we in de verte de blauwe lucht zien. Met het oversteken van de Pyreneeën laten we de bewolking achter ons. Viva España!

Het eerste (verlaten skidorpen niet meegerekend) Spaanse dorp wat we tegenkomen is Canfranc-Estación. Hier staat een gigantisch station. Ooit was er een spoorlijn tussen Parijs en Madrid met een tunnel door de bergen. Hier stapten de passagiers over want de Franse spoorbreedte is natuurlijk niet hetzelfde als de Spaanse. Het is het een-na-grootste station in Europa. Tijdens de Spaanse burgeroorlog was de tunnel gesloten, om smokkelen tegen te gaan, maar later ging hij weer open. Totdat in 1970 een treinongeluk een brug aan de Franse kant vernielde. Deze brug werd niet herbouwd en dat was het einde van deze lijn. Wat mij betreft mogen ze er  een mooi fietspad van maken. Tegenover het station zit een café waar wij ons eerste Spaanse bakkie nemen om op te warmen. Koffie kost hier maar een euro en het is goede koffie. Ik voorzie een fijne tijd in Spanje.

We dalen verder af naar Jaca. De zon schijnt uitbundig maar de temperatuur is nog laag. Daarom heb ik in het centrum een kamer geboekt in een huisje uit de 13e eeuw. Er is wat misgegaan met de communicatie waardoor de eigenaar niet aanwezig is en we een uurtje moeten wachten. Goh, wat vervelend om op een Spaans terrasje te moeten zitten met een cerveza

Jaca is een gezellig klein stadje met een vijfhoekige citadel uit de 16e eeuw. Maar ook de Romaanse kathedraal uit de 11e eeuw is het bekijken waarde. Van binnen is er een hoop pracht en praal. Tegen de avond begint het te leven in de stad en we zoeken een gezellig tentje om te eten. Ik denk dat het ons wel gaat bevallen in Spanje,

Dag 35:

Voor het eerst sinds lange tijd is het strakblauw als we opstaan. We sliepen de slaap der vermoeiden en dat heeft ons goed gedaan. We hebben weer zin om op pad te gaan. Ik dump mijn oude fietskleding in een vuilnisbak en we gaan op zoek naar brood.
De ontbijtcultuur van Spanje is ons nog niet helemaal duidelijk, We hebben het idee dat de meeste Spanjaarden dat buiten de deur doen. Wij eten op de kamer wat fruit met muesli maar bij de bakker blijkt dat we daar ook een ontbijt van koffie en churros hadden kunnen nemen. Dat laatste dopen ze dan in een soort van vloeibare chocolade. Ik houd het nog even bij een café solo.

Vandaag gaan we naar Punta la Reina de Jaca. Er is ook een Punta la Reina zonder Jaca, daar komen we over een paar dagen. Als je rechtstreeks via de N240 gaat, dan is het een kilometer of 20. Maar dat doen we niet. We nemen een omweg om het klooster San Juan de la Peña te bekijken. Dat betekent wel dat we eerst de Puerto de Oreal (1080m) op moeten klimmen. Ondanks de zware klimdag gisteren doen de benen het nog goed en redelijk gemakkelijk overbruggen we deze 300 hoogtemeters.

Het landschap is duidelijk anders dan aan de Franse kant van de Pyreneeën. Zag je daar 50 tinten groen en hoorde je overal water lopen, hier is het wat droger en meer stenig. De bomen die er zijn, zijn meestal naaldbomen en er is wat lage begroeiing. De weg naar het klooster trekt weinig auto’s, dus we maken gewoon een bakje in de berm.

Na Puerto de Oreal dalen we 200 meter en klimmen we weer 300 meter. Daarmee komen we eerst bij het Monestario Nuevo. Deze is in de 18e eeuw gebouwd nadat de San Juan de la Peña tenonder ging. Je kunt het dagelijkse kloosterleven hier bekijken, maar wij gaan door naar la peña.

San Juan de la Peña is gebouwd onder een overhangende rots (peña = rots) en er is een legende over het ontstaan. Voor het klooster er was, waren er grotten waar men zich verschuilde voor de Moren. Later kwamen er kluizenaars die het klooster bouwden, gesteund door de vorsten van Navarra. Drie eeuwen lang  is hier de heilige graal verstopt voor de bezettende Saracenen. Ook liggen de koningen van Aragon hier begraven. Het is een prachtige plek waarbij het gebouw naadloos overgaat in de natuurlijke steen.

Er is bijzonder veel beeldhouwwerk bewaarde gebleven die Bijbelse en heidense taferelen weergeven. Hier een kleine collectie.

Het was loeikoud in het klooster dus we zoeken weer de warmte op. Ondanks dat het volop zonnig is, is het nog niet warm. Ik ben nog steeds blij met mijn hemd. Met name in de afdaling kan het fris zijn. Maar we genieten eerst nog even van de uitzichten hier op 1200 meter. We zien dat de wolken allemaal achter de Pyreneeën blijven hangen. Helemaal goed.

In Santa Cruz de la Serós vinden we een bankje in de zon om wat te eten en op te warmen. We hebben zicht op de vroegromaanse kapel van San Capricio. Deze is onderdeel van een Benedictijner vrouwenklooster. Bovenin de kerktoren zit een verborgen kapel waarin de nonnen zich terugtrokken in roerige tijden.

Via de N240 overbruggen we het laatste stuk naar Puenta la Reina de Jaca. Dat blijkt te bestaan uit een kruispunt van (grotere) wegen. Eromheen staan wat leegstaande flats. Ik heb een kamer geboekt in het enige hotel van de plaats. En we lijken ook de enige gasten te zijn. Norman Bates schrijft ons in. De kamer is verder prima maar het voelt wel weer vreemd om zo alleen te zijn.