Santiago en het einde van de wereld.

Wat voor een rups het einde van de wereld is, is voor een vlinder het begin.

Nu we in Santiago zijn, lijkt het me goed een klein beetje historie te geven over deze pelgrimsreis. Onderstaande informatie heb ik uit het boekje van Clemens Sweermans, de maker van de routeboekjes.

St. Jacob was naar Spanje geweest om het geloof te verkondigen. In het jaar 44 is hij teruggekeerd naar Jeruzalem. Een slechte beslissing, want hij verloor daar zijn hoofd. Zijn volgelingen waren ook niet zo slim en stapten, met zijn lijk,  in een bootje zonder roer en dreven aan land bij Iria Flavia, in de monding van de Rio Ulla, het huidige Padron. Daar moesten ze een draak verslaan en stieren temmen. Pas toen mochten ze verder landinwaarts om de apostel te begraven op een grafveld in Amoa, het huidige Santiago, alleen maar om jarenlang vergeten te worden.

In 813 had de kluizenaar Pelayo, na een avondje doorzakken, een droom waarin hij werd gewezen op het vergeten graf. De heuvel waar Jacobus lag werd door sterren verlicht, vandaar de naam Compostella. (Campus Stellea betekent ‘veld van sterren’). Allerlei belangrijke mensen gingen zich ermee bemoeien en er kwam een kerkje (wat later een kathedraal werd).

Naast de sukkel met schelp en waterzak die je meestal ziet, is St. Jacobus ook bekend als de Matamoros, oftewel de Morendoder. Op een essentieel moment in de strijd tegen de Moren kwam hij te paard en besliste de strijd. Stoere vent zo.

Mensen kregen hier lucht van en de eerste pelgrims dienden zich aan. Om boete te doen voor een misdaad, het krijgen van een gunst of om religieuze redenen. De route heet dan nog de Sterrenweg. En als wij denken dat we het moeilijk hebben, vroegaah was het nog veel erger. Moren, Noormannen en bandieten vielen eeuwenlang de pelgrims lastig. Onder de regering van Keizer Karel de Grote werd het beter voor de pelgrims. Er werden wegen aangelegd, Moren, Noormannen en bandieten werden verdreven en er werden kloosters en abdijen gebouwd voor de opvang.

Pelgrims gaan gekleed op een van de volgende manieren; Een zware mantel, een hoed met brede rand, een stok en een water- en broodzak is de ene manier. De andere manier is stijlvol gekleed in een grijze driekwart broek, dito sneldrogend shirt en Vaude fietstassen voor water en brood (zie hier). Vroeger sliepen de pelgrims in portalen van kerken (als misdadiger moest je eerst een aflaat halen voordat je de kerk in mocht) en refugios. Tegenwoordig zijn het hotels, Airbnb, Booking.com of simpele auberges. Deze laatste moet je zien als een soort hostels met slaapzalen waar je met een geloofsbrief (credential, dat papier waarop wij de stempels verzamelen) terecht kon.

De Codex Calixtinus noemt vier belangrijke routes door Frankrijk. Drie daarvan komen bij St. Jean-Pied-de-Port samen om via Roncevalles (de Roelantspas) de Pyreneeën over te gaan. Dit is de Navarra route. Een oudere route loopt via Oleron- Ste. Marie en de Col de Somport. Deze heet de Aragon route en dat is de route die wij nemen. Beide routes komen weer bij Pamplona samen en gaan daarna verder via de meest gebruikte route, de Camino Francés (of Camino Real = Koningsroute). Daarnaast zijn er nog meer routes zoals de Romeinse route en de meer noordelijk gelegen kustroute. Kun je het nog een beetje volgen? Ik niet en ik ben blij dat ik een GPS heb met daarop waar we langs moeten fietsen.

Nu is de Santiago route Europees cultureel erfgoed. Door de massale trek van de pelgrims (soms kwamen er wel 4000 pelgrims op een dag langs) is er veel uitwisseling geweest van culturen, (bouw)kunst en kennis. Overigens waren de meeste pelgrims analfabeet maar door de rijk versierde kerken en glas-in-lood ramen konden ze toch plaatjes kijken. Met name het laatste deel, door Spanje, kent veel culturele hoogtepunten. En dat hebben wij nu allemaal bekeken.

Dag 55:

Nu de Santiago-mijlpaal erop zit hebben we zomaar twee hele dagen vrij genomen van het fietsen. We hebben een mooi appartementje op 10 minuten lopen van het grote plein (Praza do Obradoro) voor de kathedraal. Mevr. van der Veeke begint met uitslapen, maar ik heb belangrijker zaken aan mijn hoofd. Ik loop er de laatste weken bij als een landloper, dus ik wil eerst naar de kapper. Het is wat lastig uit te leggen wat ik wil en zelfs de foto’s van een eerdere knipbeurt helpen niet maar het eindresultaat ben ik (en, veel belangrijker, Mevr. van der Veeke) tevreden mee,

Het regent de hele dag door maar ’s middags nemen we toch nog even een kijkje bij de kathedraal. We hebben geluk en pech. Geluk omdat de buitenkant eindelijk uit de steigers is en die kunnen we mooi zien. Pech omdat ze nu de binnenkant vol met steigers hebben gebouwd waardoor je niets, en met name St. Jacobus, niet goed kunt zien. Je kunt er nog wel even achter langs lopen en het beeld omarmen, zoals alle pelgrims doen.

Daarnaast brand ik (voor de zoveelste keer) een kaarsje voor een (oud) collega van me. Renske Vera is een jonge vrouw. Een fijne collega, altijd stond ze klaar als database beheerder. Altijd vrolijk en en levenshouding waar je jaloers op kan zijn. Ik heb groot respect voor haar. Maar de ziekte met de grote K heeft heer geclaimd. Het ging vrij redelijk maar de laatste berichten, die ik van haar krijg, zijn niet positief. Ik hoop dat ze dit nog leest.

Aan het einde van de dag zitten we, samen met Ria, lekker te borrelen bij een leuk café (Casino) in de stad. En daarna eten we in een Spaanse cafetaria waar ze een uitstekend menu del dia serveren (Cafe Candliejas). Beide punten heb ik op de kaart aangegeven. Ria gaat morgen richting Finisterre en daarna naar huis. Dus het is een soort van afscheidsmaal.

Dag 56:

Vandaag regent het nog steeds, maar minder vaak dan gisteren. Wij doen nog een rondje door de stad. Santiago is een mooie compacte stad, een beetje zoals Groningen. En het is eveneens een studentenstad, dus gezellig. De meeste gebouwen staan er mooi bij en het is leuk slenteren door Santiago. Overal zijn blije mensen, overal zijn souvenirwinkels maar we komen ook voor het eerst weer bedelaars tegen We gaan eerst naar de markthallen. Dat is leuk, maar niet bijzonder. Daarna gaan we naar het Museo do Pobo Galego. Dit is het antropologische- en volksmuseum van Galicië.

Het is gevestigd in het voormalig Santo Domingo klooster. Het is een prachtige tentoonstelling die alle aspecten van het Spaanse, en specifiek, het Gallische leven laat zien. Het mooist vind in de helix trap in het klooster. Het zijn drie trappen die verweven zijn in een draaiing.

Verder slenteren we door de stad om alles nog een (laatste) keer te bekijken. Zo komen we bij het Museo das Peregrinacions. Deze laat in een tentoonstelling het pelgrimeren in het algemeen, het pelgrimeren naar Santiago in het bijzinder en de groei van Santiago zien. Een uiterst boeiende tentoonstelling die de moeite waard is. En met je compostolaat betaal je maar de helft (€1,20) dus dat kan geen struikelblok zijn.

Het einde van de dag en de avond is het lekker loungen in ons luxe appartement. Morgen weer op de fiets richting Finisterre. Ik heb er nu alweer zin in.

Dag 57:

We zijn nog niet klaar met onze Santiago-reis. Voor ons houdt deze pas op bij Finisterre, het einde van de wereld. Daarheen fietsen hebben we in twee stukken gesplitst. Op het kruispunt in de route waar we afbuigen (Olveiroa) naar Portugal heb ik een Auberge geboekt. Daar laten we onze spullen staan en gaan op en neer naar Finisterre. Dat is dan ongeveer 65 kilometer. En dan hebben we vandaag ook 62 kilometer. Maar het zijn geen leuke kilometers vandaag. Om Santiago uit te komen moeten we langs grote, drukke wegen. Op een gegeven moment zitten we zelfs op een vierbaans snelweg waar we alleen op een smalle strook kunnen fietsen terwijl het verkeer langs ons heen raast. Na ongeveer 10 kilometer wordt het een tweebaansweg waar ze nog altijd met 100 km/uur langs komen. Wij noemen dit hesjes-wegen. Hier doen we onze bouwvakkers hesjes aan om beter zichtbaar te zijn.

Door het verkeer is er weinig aandacht voor het landschap. Het is wel mooi, maar het sneeuwt een beetje onder door het verkeersgeweld. Het zij zo, ik denk ook dat het niet anders kan. De grote weg zoekt de gemakkelijkste route. Zodra je hiervan afwijkt, wordt het meteen klimmen. En naar het einde van de wereld zijn ook maar weinig wegen.
Toch is er nog wel wat te zien. Bij het oversteken van de Rio Tabre zien we verderop de Ponta Vella liggen. Volgens sommigen een meesterwerk in de Romaanse bouwkunst.

Na A Pereira wordt de weg gelukkig wat rustiger. Het is wel fijn asfalt en dat maakt het op en neer klimmen wat gemakkelijker. Ik kan merken dat de rust het lichaam goed heeft gedaan. Het klimmen gaat een stuk gemakkelijker.

Bij Brandomil komen we nog een mooie brug tegen. Het onderstel is nog uit de Romeinse tijd, want vroeger liep hier een Romeinse weg. Er is een nieuwe brug op gebouwd en die ligt er als een plaatje bij. En met Mevr. van der Veeke erop wordt hij alleen maar mooier.

Zo komen we vrij gemakkelijk op ons overnachtingsadres. Een mooie, moderne auberge met alle faciliteiten. Morgen ronden we de Santiagoreis af.

Dag 58:

Vandaag is de langste dag en dat wordt gevierd met prachtig weer. Eigenlijk een van de mooiste dagen, qua weer, die we gehad hebben tot nu toe. Vandaag fietsen we op en neer naar Finisterre, oftewel het einde van de wereld. Ik heb het wat onderschat want met 74 kilometers en 1356 hoogtemeters (de meeste tot nu toe) is het een flinke kluif. Maar goed, we doen het gewoon en het blijkt een prachtige dag te zijn. Eigenlijk meer hoogtepunt dan de aankomst in Santiago.

We klimmen eerst een stukje. En daarna is het een lange afdaling naar Cee. Het is lang geleden dat we op zeeniveau waren en voor het eerst zien we dan ook daadwerkelijk de zee want Cee ligt aan het water.

Cee, maar eigenlijk meer Concubion aan de overkant.

Na Cee moeten we weer de landtong over en daar ligt natuurlijk een berg. Maar als we daar overheen zijn, zien we het plaatsje Fisterra en links daarvan Cabo Finisterre liggen.

Fisterra was eigenlijk een vissersdorpje maar door de Camino en de stroom pelgrims is het nu meer een toeristisch oord geworden. Je struikelt er over de albergues, de souvenirwinkeltjes en de horecagelegenheden.  Maar je komt er doorheen als je naar het einde van de wereld wilt. Dit is niet het meest westelijke puntje van Europa (daar komen we later nog in Portugal) maar het is een goede tweede. Wij hebben nog één vakje over op onze pelgrimspas en daar komt de laatste stempel.

De kaap is al sinds prehistorische tijden een mythologische rituele plaats. Er zijn minstens drie zonnen-altaren gevonden waar bij zonsondergang offers werden gebracht met als thema ‘herboren worden’. Hier lag het einde van de sterrenbaan, de voorloper van de camino. Walvissen brachten een eer aan Sta Maria, in deze omgeving ligt de mysterieuze stad Doyo bedolven en Romeinen bouwden er een zonnealtaar. Kortom het is een magische plek waar je geweest moet zijn. Voor ons zit de magie niet in deze dingen maar in het feit dat hier kilometerpaal 0 van de camino staat.

Op dit punt staat ook de vuurtoren. En als je daar omheen loopt dan kom je op de uitstekende rots in zee die de kaap moet voorstellen. Hierna zie je eigenlijk alleen maar water. Maar als je de andere kant op kijkt, zie je waar we vandaan komen. We maken daar nog een paar foto’s en eten er een meegebracht broodje. Dat wordt opgemerkt door de lokale bevolking, die een hapje mee komt eten.

Hiermee ronden we onze camino af. Wat ons betreft is het klaar ondanks dat we in Portugal nog regelmatig de Portugese camino tegen zullen komen. Maar dan fietsen we van Santiago af, in plaats van er naartoe. Het was een prachtige tocht en ik kan hem iedereen aanraden, als je de tijd ervoor hebt en voor neemt.

Hiermee eindigt onze pelgrimsreis naar Santiago. We gaan hierna richting Portugal. Er zullen dan minder blogs komen want het schrijven, informatie zoeken, foto’s uitzoeken en bewerken en het plaatsen kost elke dag best veel tijd. Het begint haast op werk te lijken. Waarschijnlijk ga ik straks naar één blog per week. Maar goed, het bloed kruipt waar het niet gaan kan, dus we zien wel.

Laatste loodjes

A good traveler has no fixed plans, and is not intent on arriving – Lao Tzu

Dag 51:

Vandaag hebben we de laatste grote klim in de Santiago route op het programma staan. We gaan nog één keer naar iets boven de 1300 meter. Een klim van 700 meter. Dat is 100 meer dan de klim van eergisteren en 100 minder dan de klim naar de Somport. We zijn lekker uitgerust maar tegen de kou doe je niets. Het is weer 6 graden als we opstaan. Erg afwijkend van mijn verwachtingen van Spanje, maar het zij zo.

De weg is erg rustig, af en toe komt er een auto langs. We zitten op de oude weg, er loopt een nieuwe snelweg parallel en die zien we soms boven ons en soms onder ons.

Gestaag klimmen we omhoog. Bij Las Herrerias denken we aan de koffie te kunnen maar de wandelroute duikt naar beneden naar het dorp en de fietsroute gaat er omheen. We willen graag de hoogte houden dus dan maar een eigen koffie. Daarvoor vinden we een perfect plekje in de zon.

Bij Puerto Pedrafite komen we Galicië binnen. Hier halen we alsnog de koffie in. We zitten inmiddels op 1100 meter en het is al 12 uur geweest. Het gaat gestaag, maar niet hard. Puerto Pedrafite is het begin van Galicië en hier ligt ook een waterscheiding.

Vanaf hier vloeit het water naar het westen. Het landschap verandert ook. Omdat het hier meer regent, is het groener. Meer bossen en weiden. Van oudsher (6e eeuw vóór Christus!) vestigde zich hier een Keltische cultuur en die is nog steeds behouden gebleven, ondanks de overheersing door de Romeinen, De Germanen, de Westgoten en de Moren. We zien het aan de gestapelde stenen muurtjes, de tweetalige borden en horen het aan de gaida (kleine doedelzak) muziek. Een mooi voorbeeld is Cebreiro, waar we als eerste hoogtepunt doorheen komen.

Cebreiro is een dorpje met maar 20 huizen en een pré-romaans kerkje. Het bestond al in de 9e eeuw en kreeg in de 10e eeuw de titel van hospital voor pelgrims. Het kerkje is nog in zijn oorspronkelijke staat en heeft een prachtig genade-beeld van Santa Maria la Real. Ook is er de mythe van de heilige graal, die hier verstopt zou zijn. In de kerk staat dan ook een beker in een glazen kastje, maar het lijkt me sterk dat dit de echte is. Het dorpje is overigens een nationaal monument.

Een ander opvallend bouwwerk is de Palloza. Dit is een ovaal verblijf met een rieten dak wat deels ondergronds ligt. Het blijkt goed bestand tegen de extreme winterse omstandigheden hier. Onderweg zien we er overigens meer.

Bij Cebreiro nemen we een lange pauze met het Menu del Dia. Je zou denken dat hierna de afdaling begint, maar dat is niet waar. We dalen eerst een stukje, klimmen weer wat, dalen wat en klimmen dan naar 1335 meter bij Alto de Poio. Het hoogste punt van deze route. Daar staat een beeld van een zwoegende pelgrim tegen de wind in.

En vanaf hier is het een orgastisch heerlijke afdaling.  Mooi asfalt, een bijna lege weg en 690 meter die we naar beneden gaan.

Dat brengt ons in Triacastela. We wilden eigenlijk verder, maar Ria zit hier in een Auberge waar ze ook nog plaats hebben voor ons. Voor €8 per persoon krijgen we een stapelbed op een zaaltje van 4 stapelbedden. Dat is goedkoper dan de camping gisteren. We kiezen eieren voor ons geld, halen een pak Sangria in de aanpalende supermarkt en sluiten daarmee de dag af.

Dag 52:

Het was een onrustige nacht. In een Auberge deel je de kamer met andere reizigers. Bij ons kwamen vier Spaanse mannen erbij, die op de mountainbike de wandelroute fietsen. Het leek me twee vaders met hun zoons. In plaats van naar de centrale ruimte te gaan, hielden ze de hele avond een stand-up meeting op de kamer terwijl wij daar lagen te lezen. En nadat het licht uit ging, begon er een te zagen of zijn leven ervan af hing. De ramen trilden in de sponningen. De enige manier om dit te overleven was het luisteren naar muziek. Gelukkig werd het om half twee rustiger.
Dit duurde tot ongeveer half zes. Het plafond en de vloer boven ons is een en dezelfde plank. Om half zes beginnen de eerst lopers al te stommelen en in te pakken. Niet zachtjes, maar in polonaise. Ik weet zeker dat ik flarden van André van Duins ‘Er staat een paard in de gang’ hoorde, en het betreffende paard deed mee in de polonaise. Maar goed, dat is het Auberge leven en je moet het eens meemaken. Een voordeel is wel dat we vandaag vroeg op pad waren inclusief een ‘hug’ van onze herbergier Manu (Manuel).

We hebben eerst nog een stuk afdaling tegoed. Die brengt ons in Samos, een plaatsje dat totaal gedomineerd wordt door het Monasterio San Juan de Samos, een van de oudste kloosters van Spanje. Op dit moment wonen er nog maar weinig paters, maar je kunt er als pelgrim ook overnachten. Jammer, gemiste kans, had ik wel willen doen.

Overigens is in Galicië de taal iets afwijkend van het normale Spaans, het Castilliaans. Iets wat ook voorkomt in de omgeving van Barcelona (de taal is daar het Catalaans) en uiteraard in Baskenland waar op borden naast Spaanse ook Baskische teksten staan. Het Galicisch (Galego) is een mix van Spaans en Portugees. Zo staat bijv. de letter ‘x’ in het Galego gelijk aan de letter ‘j’ in het Spaans. Xunta in het Galego is dus Junta in het Spaans, een term die de overheid aanduidt. En Sint Jacob heet er San Xacobeo. En het monasteria San Juan wordt hier San Xulian genoemd..

Saria is de volgende stad waar we doorheen komen. Het is een lelijke stad en voor we het weten zijn we er alweer uit, inclusief de omleiding omdat een brug eruit ligt. Ik kan er weinig over vertellen en nog minder van laten zien. Wel kijken we even op de markt in Paradela, de volgende plaats. Lokale specialiteit is de pulpo, grote inktvissen die gekookt en in stukjes geknipt worden. Sommigen eten het rauw maar dat gaat niet altijd goed.

We gaan door naar Portomarin, een stadje aan het stuwmeer in de Rio Mino. Helaas ligt het op een heuvel en moeten we flink klimmen om in het centrum te komen.

Het centrum oogt heel ordelijk met een strak stratenplan. Het is namelijk opnieuw opgebouwd toen het oude Portomarin in het stuwmeer verdween. Een aantal gebouwen is steen voor steen afgebroken en hogerop weer opgebouwd, waaronder de San Nicolas kerk die eruit ziet als een vesting.

Het landschap is wel groener dan de afgelopen dagen, maar er is ook duidelijk minder te zien. Geen verre uitzichten en zelfs als we op een heuvel zitten, is er weinig uitzicht door het struikgewas. We zijn wel even verbaasd over de Horreos. Ik dacht eerst dat het een soort van mausoleum was, maart het blijken karakteristieke graanschuren voor dit gebied te zijn. Ze komen overigens ook in Portugal voor.

Het wordt uiteindelijk een zware dag met veel hoogtemeters. Ook de laatste 13 kilometer blijkt flink klimmen te zijn. Ik had dat niet zo ingeschat op het profiel, maar het valt best wel tegen. Gelukkig hebben we een mooi B&B geboekt in het mini-dorpje Castromaior, iets van de weg af. Hier kunnen we even bijkomen. Santiago komt al aardig in zicht.

Dag 53:

Voor het eerst is het mistig als we opstaan. Voor de veiligheid doen we onze hesjes aan want we hebben vandaag een lang stuk langs drukkere N-wegen. Maar het eerste deel zitten we nog samen met de lopers op de route. Vanaf hier is het gewoon belachelijk druk. Het is minder dan 100 kilometer en de meeste lopers beginnen hier dus. Het zijn heel veel Amerikanen, Aziaten en Spanjaarden. En dan nog wat andere nationaliteiten. De sfeer is gemoedelijk het Bueno Camino klinkt dan ook regelmatig.

Er is niet veel te zien vandaag maar voor Ligonde is een stenen kruis uit de 16e eeuw. Alle wandelaars laten hem links liggen, maar ik vind de afbeeldingen erop bijzonder genoeg om even te stoppen. En als we dan stilstaan, dan stoppen de wandelaars ook meteen, nieuwsgierig waar we naar kijken. Aan de ene zijde is Christus afgebeeld en aan de andere kant Maria met haar dode zoon. Een beeld met veel expressie.

Iets voor Paleis de Rei komen we op de N547 en daar blijven we op tot Melide. Het is een drukke weg met veel  verkeer. Gelukkig is het zondag, dus er is niet zoveel vrachtverkeer, maar het is gewoon minder leuk fietsen. Het landschap is aardig met wat bos en af en toe een dorpje. En daar is dan weer een kerkje, een pelgrimsbegraafplaats of een oude brug. Pas in Melide komt er wat leven in de brouwerij. Het kerkje in het begin van Melide heeft een bijzonder kruis. Geen Christus die eraan hangt, maar alledaagse voorwerpen, zoals een ladder, een hamer, een nijptang en een beker.

Melide zelf is druk. Al het verkeer loopt door het centrum en moet op elkaar wachten. Een soort van Onderdendam maar dan in het groot. Wij nestelen ons op een terras in het centrum om dit aan te zien en bestellen daarbij een Sangria en wat te eten. Zo zien we het Spaanse zondagsleven aan ons voorbij trekken.

Hierna is het nog 20 kilometer zwoegen naar onze overnachting. Het zijn weer veel korte klimmetjes vandaag die opgeteld tot boven de 900 hoogtemeters komen. Dat is meer dan de klim naar Cruz de Ferro. De mist is allang opgelost en het wordt Spaans warm. We tikken Arzua nog even aan, de laatste grote stad vóór Santiago. De landschappen beginnen weer wat open te raken en ondanks het zweten genieter we er wel weer van.

Het vinden van een overnachtingsplek hier was wat problematisch. Omdat er zoveel lopers zijn, zit alles snel vol. En de prijzen zijn verdubbeld. Maar bij een Casa in the middle of nowhere, dat niet eens zover van de route blijkt te liggen, lukt het nog om een mooie kamer te krijgen. Het is een bejaard echtpaar dat alleen Spaans spreekt. Met handen, voeten en Google Translate komen we een heel eind. In de riante tuin slijten we onze laatste uren. Morgen zijn we in Santiago.

Dag 54:

Omdat we gisteren geen boodschappen hebben kunnen doen, besluiten we eens een Spaans ontbijt te nemen. En, zoals we al dachten, is dit niet heel uitgebreid. We krijgen wat fruit en yoghurt, wat geroosterde stukjes stokbrood, wat jam en koffie. We kunnen er even op vooruit maar als ik dan een ontbijt koop, dan geef ik de voorkeur aan een Engels ontbijt.

Het is vandaag nog 30 kilometer maar met een hoop klimmetjes want in deze korte afstand halen we nog meer dan 700 hoogtemeters. De route kan ik alleen maar mooi noemen. We gaan grotendeels door het binnenland en door kleine dorpjes. We zien hier veel eucalyptusbomen die de neiging hebben om te vervellen. Op de grond liggen enorme stukken bast waardoor er nauwelijks wat anders groeit. Een ander probleem is dat deze bomen wat olieachtig zijn en dat een bosbrand hier een probleem is. Ook zien we dat veel van de huizen een soort eigen watertorentje hebben. Ziet er futuristisch uit met al die ufo’s op een paal.

Het duurt erg lang voordat we een glimp opvangen van de kathedraal van Santiago. Pas een kilometer of twee voor de stad, zie je net de puntjes van de torens.

Daarna is het door smalle straatjes klimmen naar het plein. Tegen 1 uur zijn we er. Mijn GPS track houdt op ergens aan de zijkant van de kathedraal die behoorlijk in de steigers staat. Ondanks het feit dat ik blij ben met het bereikte einddoel, denk ik wel ‘is dit het nou?’. We vraag een voorbijganger een foto te maken en beraden ons op het vervolg.

Maar we moeten nog om de kathedraal heen om op het plein te komen. En dat is veel mooier. En ook veel drukker. Ik maak foto’s van een andere fietser en hij maakt foto’s van ons. Er hangt hier een jubelstemming en het is heel leuk om hier een tijdje te blijven kijken. Want iedereen is blij dat hij of zij is aangekomen. En de een is daar wat emotioneler bij dan de ander,

We zijn blij dat we er zijn na 54 dagen, 2945 kilometers en 22435 hoogtemeters. Het voelt heel goed om dit op eigen kracht gedaan te hebben. Het lijf is tot heel wat in staat als je er de tijd voor neemt.

We zoeken het pelgrimsburo op om ons compostolaat te halen. En hier blijkt dat we niet de enigen zijn. We staan bijna twee uur in de rij voordat we aan de beurt zijn. En het is heel leuk om in de rij te staan want je staat daar met allemaal mensen die blij zijn dat ze het gehaald hebben. Sommigen hebben een kortere afstand gelopen of gefietst maar iedereen is in een fijne stemming.

Uiteindelijk krijg je een soort diploma (aflaat) waarmee al je zonden worden kwijtgescholden. Ik ben weer helemaal onschuldig.

Als laatste gaan we nog even een kopje thee drinken bij de huiskamer van het St. Jacobsgenootschap waar we lid van zijn geworden. Samen met wat andere fietsers en wandelaars wisselen we onze ervaringen uit.

Ik heb in Santiago een paar nachten een Airbnb appartementje geboekt. Hier gaan we eerst even bijkomen en vakantie vieren. En later gaan we Santiago nog eens goed bekijken. Deel 1 van onze reis is hiermee nog niet afgelopen. Later in de week gaan we door naar Finisterre, oftewel ‘het einde van de wereld’. Hier staat kilometerpaal 0 van de Santiago route. En dan hebben we hem echt helemaal gedaan.

Wild

One’s destination is never a place, but a new way of seeing things. – Henry Miller

Dag 45:

Ondanks dat we vandaag nog een kleine 50 kilometer fietsen, voelt het toch als een rustdag. Het traject is vlak en we hebben een klein duwtje in de rug. Al na 10 kilometer maken we een koffie aan de oever van de Rio Pisuerga. Deze vormt de grens met het vroegere koninkrijk van Leon. Tegenwoordig is het de provincie Palencia. De lopers moeten hier ook overheen en we zien er veel langs komen zo vroeg in de ochtend.

Bij Boadille del Camino is het druk. De Guarda Civil heeft een feestje en heeft zich hier verzameld. Het lijkt erop dat ze met de collega’s en families een etappe van de Camino lopen. Alles is uit de kast getrokken. Ik zie Guarda op de motor, in de auto, op de fiets en er cirkelt zelfs een helikopter boven ons. Ik realiseer me twee dingen; Mijn fiets heeft nog nooit zo veilig gestaan. En ik ben blij dat ik een helm draag. Want bij zoveel politie is er vast een pennenlikker bij die me anders bekeurd had.

Door de mensen zie je haast niet dit Boadilla del Camino meer te bieden heeft. De kerk van Santa Maria met bovenop meerdere ooievaars(nesten), die zich overigens niets aantrekken van een helikopter, en een gotische zuil van de rechterlijke macht uit de 15e eeuw. Misdadigers werden hier tentoongesteld als ze hun straf moesten uitzitten.

Bij Fromiste is het nog drukker. Het is een grotere stad en er komen zelfs bussen met toeristen heen omdat er zoveel te zien is. We komen eerst langs het Canal de Castilla. In tweehonderd kilometer overbrugt dit kanaal een hoogteverschil van 150 meter door 49 sluizen. Hier zien we er een paar. Het bijzondere is dat  ze gebogen lopen zodat er twee schepen naast elkaar geschut konden worden. Aan het kanaal is, in de 18e eeuw, bijna 100 jaar gebouwd en het is eigenlijk nooit af gekomen. Nu is het cultureel erfgoed.

In Fromiste zelf zijn meerdere kerken. We kijken eerst bij de San Pedro. Die begint net vol te lopen vanwege een bruiloft. Mooi om te zien hoe iedereen zich opgedirkt heeft hiervoor. Samen met de gasten stromen we stiekem de kerk nog even in om binnen te kijken.
De andere kerk waar we kijken is de kloosterkerk van St. Martin. In zijn pure vorm is dit een hoogtepunt van de romaanse bouwkunst. Bijzonder zijn de stenen figuren in de dakranden. We kijken er niet binnen want de Camino begint zo commercieel te worden dat je vanaf nu moet betalen om in de kerk te mogen kijken. En dat doen we niet want we hebben er al zoveel gezien.

In Villalcázar de Sirga torent de kerk ver boven het dorp uit. Ook daar gaan we even kijken maar de kerk is gesloten want er is een dorpsfeest. Ook aan de buitenkant is de kerk de moeite waard.

Carion des Condes is ons eindpunt van de dag. Camping El Eden heeft een mooi plekje voor ons als we tegen drieën arriveren. Het stadje heeft een lange pelgrimshistorie maar wij kiezen voor het luieren op de camping.
Ik probeer nog wel het lek in mijn matje te vinden. Want elke ochtend wordt ik op de grond wakker. Het gaat wel zo langzaam dat ik tot een uur of vijf goed lig, dus het is een heel klein gaatje. Ik spons het hele bed af maar kan hem niet vinden. Afijn, ik heb ik elk geval weer een schoon matje en lig morgen weer op de grond.

’s Avonds gaan we in het stadje wat eten. Op de Plaza Major is het druk. De hele stad komt hier flaneren, kletsen en eten. Ik denk omdat het zaterdag is. Wij eten paella op een terrasje en slaan het allemaal gade. Het is beter dan tv.

Van de weekdagen hebben we alle besef verloren. Feestdagen als Hemelvaart en Pinksteren gaan geruisloos langs ons heen. Die worden hier blijkbaar niet gevierd. We hebben geen idee meer of het woensdag of zondag is. Voor ons is er alleen nog gisteren, vandaag en morgen. En dat maakt het leven lekker simpel.

Dag 46:

We fietsen toch nog even terug het dorp in om naar de Santa Maria del Camino te kijken. Het portaal laat de sage zien van de 100 maagden die aan de Moren geschonken zouden moeten worden maar gered werden door een kudde woedende stieren. Ik had nog nooit 100 maagden gezien, dus ik was wel nieuwsgierig. Nou ik kan zeggen dat deze wel een face-lift en een likje verf kunnen gebruiken. Wat dat betreft staat de Santiagokerk , in het centrum, er beter bij. Jammer dat er zo’n foeilelijk afdak boven zit maar zo is het wel wat beter bestand tegen weer en wind.

De eerste 20 kilometer delen we deze keer de weg met de wandelaars. We komen er honderden tegen. Dat betekent ook 100 keer ‘Bueno Camino’ zeggen, vele malen bellen, als ze breeduit lopen, en hun minachtende blikken tolereren. Want een fietser staat lager in de camino-rangorde dan een wandelaar. Het leuk is wel dat Mevr. van der Veeke voldoende consternatie brengt met haar hoed. Emoties die ik heb langs zien komen zijn verbazing, afschuw, schrik, vermaak en bewondering.  Zo is er altijd wat te doen.

Ledigos laten we links liggen en zo komen we bij Sahagún. In 904 gesticht met de komst van een klooster. Meerdere malen door de Moren verwoest en weer opgebouwd. Daarna zeer welvarend geweest maar als we er nu doorheen fietsen, is daar niets van over. We komen binnen via een industrieterrein. Daarna door vervallen straten naar de Plaza Major. Dat is wel een aardig pleintje. Maar zodra je daar weer voorbij bent, is het weer armoe troef. Bij het verlaten van de stad komen we nog langs de resten van de grote San Benito abdij, maar die dwingt weinig respect af omdat hij ingebouwd is door een kermis. Het mooiste van Sahagún vonden we nog de graffiti en de klepperende ooievaars op de kerk.

Daarna hebben we een stuk van 31 kilometer over het Castilaanse hoogland. Het is hier leeg en verlaten en je kunt erg ver kijken. In het heilige jaar 1993 is hier een mooie wandelweg aangelegd van ongeveer 25 kilometer. Daarnaast zijn platanen geplant. Die zijn nu groot genoeg om er een mooie lange bomenrij van te maken. Wij rijden op de oude weg ernaast. Deze wordt nauwelijks meer gebruikt omdat ze een kilometer verderop, parallel, een snelweg hebben aangelegd. Het is heerlijk fietsen hier en met zulke wijdse blikken hebben de gedachten ook meer ruimte.

Hiermee halen we vandaag de 70 kilometer en eindigen in Reliegos. Een slaperig klein dorpje met een paar auberges, wat huizen en een alimentacion. Deze wordt gerund door een vrolijk mannetje dat nodig naar de tandarts moet. Maar hij heeft wel alles wat we zoeken, waaronder anderhalve liter Sangria. Hij is trouwens een representatief voorbeeld van de meeste Spanjaarden. Ze zijn aardig, belangstellend, in voor een grapje en innemend. Spanje heeft me positief verrast. Een fijn land om in te zijn.

In het dorp zou een zona acampada moeten zijn, een eenvoudige kampeerplaats. Wij kunnen hem niet vinden en het mannetje van de alimentacion wijst ons naar een picknickplaats voor wandelaars waar wel een kraan is. Bij gebrek aan beter zetten we hier de tent op.

Wel met de luxe van een picknicktafel. Hier koken we een eenvoudige maaltijd van pasta, vis en tomatensaus. En een sinaasappel na. Een mens heeft maar weinig nodig om tevreden te zijn. En ik kan melden dat anderhalve liter Sangria daar wel bij helpt. Er schijnen nog wolven in dit gebied te leven maar vlakbij staat de pelgrim die vannacht over ons waakt. Dus wat kan er mis gaan? Helemaal wild wordt het niet want ik zit ’s avonds in het tentje gewoon de laatste aflevering van GoT te kijken. En die aflevering is eigenlijk de enige teleurstelling van de dag.

Dag 47:

Ik heb prima geslapen, maar Mevr. van der Veeke lag niet helemaal gerust. Gelukkig is er niets spannender gebeurd dan een koude nacht. Het was helder en daardoor een temperatuur van 4 graden. We zijn gewoon weer terug op het niveau van enkele weken geleden. Ik draag meerdere lagen kleding en de eerste uren fietsen we met handschoenen aan.
In Mansilla de las Mulos kunnen we wat boodschappen doen. Hier splitst de fietsroute zich ook weer af van de wandelcamino. En dat vind ik jammer want het is toch wel gezellig met meer camino-gangers op straat. Je komt meer (open) horeca tegen en de openingstijden van de winkels zijn ook wat gunstiger. Én er zijn vaak mooie beelden onderweg te zien.

In Vega de Infanzones moeten we een keus maken. Willen we wel via Leon of niet? We kiezen voor het laatste ondanks dat Leon wel de moeite waard lijkt te zijn. Maar we merken dat we weinig zin hebben in een grote stad waar de voornaamste trekpleister de kathedraal is. En daar hebben we er nu al zoveel van gezien. We geven de voorkeur aan de rust en de ruimte en nemen de route onderlangs.

We komen hiermee ver buiten het camino-gebied en je ziet meteen wat voor positief effect de camino heeft. Daar zijn de dorpen redelijk tot goed onderhouden, er is leven en er is ruimte voor commerciële activiteiten. De dorpen waar we nu doorheen komen zijn verlaten en doods en er is niets te doen of te vinden. Geen bar, geen alimentacion en geen restaurant. In sommige dorpen is nog wat opleving doordat er bodega’s zijn, maar dat is dan ook alles.

In Villar de Mazarife komen de routes weer samen en we gaan door naar Hospital de Orbigo. Hier is een prachtige brug over de Rio Orbigo.

Hij lijkt erg lang deze brug maar de rivier heeft meerdere malen bewezen dat deze breedte nodig is. Van oorsprong Romeins en met 18 stenen boogjes is het een lust voor het oog. En natuurlijk is er een legende bij van Don Suero.

We hebben een lange dag vandaag. Dit doen we om gunstig voor de klim naar Cruz de Ferro uit te komen. Maar het laatste stuk valt tegen omdat de wind opsteekt en die hebben we pal tegen. Door op tijd pauzes in te lassen en rustig aan te doen, lukt het goed om de afstand te overbruggen zonder uitgeput te zijn. We hebben zelfs nog wat energie over om de bezienswaardigheden van Astorga te bekijken.

Het is een mooi stadje dat een knooppunt van routes is. Enerzijds natuurlijk de Camino, maar ook de Zilverroute, die vanuit Sevilla naar het noorden loopt, komt hier langs. Verder is het voormalig bisschoppelijk paleis een plaatje. Het is ontworpen door Gaudi die ook wat projectjes in Barcelona was gestart.

Ernaast staat de kathedraal. Ook al ben je net zo kerkenmoe als ik, het valt niet te ontkennen dat ze hier ook weer flink hun best hebben gedaan er wat moois van te maken. In de gevel is een klein getralied venster te zien met de tekst ‘Gedenkt mijn toestand, gisteren ik, vandaag gij’. Hier lieten vrouwen zich als boetedoening inmetselen en ze leefden van wat de voorbijgangers naar binnen gooiden.

Verder is Astorga bekend van de chocolade en de mantecada, een soort botercakeje die we eerder ook in Geraardsbergen (mattentaart) hebben gegeten.
Er is hier geen camping en we zijn weer eens toe aan een gewoon bed waarbij ik niet op de grond eindig, dus ik heb een hotel geboekt. Daar komen we lekker bij van een vermoeiende dagen kan alles weer opgeladen worden.

Dag 48:

Bijzonder dat zo’n hotelkamer bij binnenkomst als een vreemde aanvoelt en bij vertrek als een vriend. Op de een of andere manier, misschien door het verspreiden van je spullen, maak je de kamer ‘eigen’. We verlaten hem met weemoed. Het was goed toeven hier.

Vandaag staat in het teken van de klim naar de Cruz de Ferro. Dit is met zijn 1504 meter het hoogste punt van het Spaanse deel van de Camino. Daarom zijn we gisteren ook wat langer doorgegaan, zodat we vandaag min of meer meteen met de klim kunnen beginnen. Het eerste deel loopt nog gestaag omhoog en is goed te fietsen. Het is wel fris met 9 graden en een koude tegenwind. Gelukkig is er onderweg genoeg afleiding. We rijden eerst even Castrillo de los Polvazares binnen. Althans, dat proberen we want op die keitjes is niet te fietsen. Het is een karakteristiek voorbeeld van een dorp in de Maragateria streek. Kenmerkend zijn de smalle natuurstenen straatjes en vooruitstekende balkons. Zo vroeg in de ochtend ligt het in een rode gloed

Hierna klimmen we langzaam omhoog. We passeren Sta. Catalina de Somozo (waar we koffie drinken), El Ganso (met een scheef ooievaarsnest op de kerk), Rabinal del Camino (waar we nog een keer koffie drinken) en Foncebadon (waar niets te doen is). Door de klim op te knippen in stukjes lukt het goed om het vol te houden. We moeten tenslotte wel 600 meter omhoog. Hieronder wat foto’s van de klim.

Uiteindelijk komen we bij Cruz de Ferro. Dit simpele ijzeren kruis, bovenop een boomstam, staat bovenop een steenhoop dat de grens markeert tussen Maragateria en El Bierzo.

Pelgrims leggen hier in het algemeen een steen erbij op de hoop. Meestal wordt die van thuis meegenomen en dit symboliseert het afleggen van ‘een last’ en daarmee het ingaan van een nieuwe levensfase. Ook ik heb een steen meegenomen van thuis zoals je in de eerste blog hebt kunnen lezen. Die voeg ik toe aan de bult. Hiermee laat ik wat achter en begin ik wat nieuws.

Als wij er aankomen, zijn we bijna alleen. Later komen er hele groepen, zelfs met een bus, die het monument bevolken. Tijd voor ons om verder te gaan.

Helaas zijn we nog niet uitgeklommen. We dalen een stukje naar Manjarin. Hier heeft een groep, die zich Tempeliers noemt, een alternatieve auberge opgericht. Bij het verblijf krijg je een gratis hersenspoeling.

Vanaf hier klimmen we weer boven de 1500 meter en daarna begint de vrije val naar beneden. Het is erg steil maar je kunt niet heel hard door het slechte wegdek. Ik sta regelmatig met rokende remmen aan de kant te wachten op Mevr. van der Veeke. Die, op haar beurt, ook met rokende remmen aankomt. Gelukkig heb ik reserve blokjes mee. Maar de uitzichten zijn adembenemend en regelmatig moet er ook een foto gemaakt worden.

Bij El Acebo zien we weer wat beschaving. Door de camino is het dorp weer opgeknapt met de karakteristieke buitentrappen en de uitstekende balkons.

In Molinaseca bewonderen we de boogbrug en de San Nicolaskerk, die er als een vesting bijstaat.

Ons eindpunt van vandaag is Ponferrada. Een grotere stad dan ik gedacht had.  De naam komt van de granieten brug met de ijzeren leuning, die hier vroeger, speciaal voor de pelgrims, gebouwd is. Van die brug is niets meer over, maar het laatste bastion (12e – 14e eeuw) van de Tempeliers staat er nog wel. Het kan zo naar Disneyworld in Parijs.

De tempeliers was een ridderorde die oorspronkelijk was opgericht om de pelgrims te beschermen. Later werden ze een van de eerste bankinstituten ter wereld. Uiteindelijk zijn ze ten onder gegaan aan de alcohol. Hun laatste motto was dan ook ‘bibe plus quam vis destruit‘.


We konden mogelijk bij een auberge kamperen maar bij Cruz de Ferro heb ik toch weer een hotel geboekt. We zijn best moe maar vooral verkleumd door de tocht. Tot Ponferrada is de de temperatuur niet in de dubbele cijfers gekomen. En de inspanning warmde niet echt op omdat we zulke efficiënte fietsmachines zijn geworden. Om dan een avond bij de koude tent te moeten zitten, dat wil ik Mevr. van der Veeke niet aandoen. Ze heeft tenslotte weer een prachtige prestatie geleverd vandaag. Zo zitten we weer comfortabel en kunnen we zelfs de energie opbrengen om nog in de stad te gaan eten. Successen moeten tenslotte gevierd worden

Dag 49:

Als ik onder de douche sta, dan voelt het lichaam nog moe. De klim van gisteren en de vele kilometers de dagen ervoor hebben hun tol geëist van ons lichaam. Gelukkig hebben we vandaag een korte dag met maar 35 kilometer. Die brengt ons bij een camping die vlak voor de volgende klim ligt. We doen lekker rustig aan en zitten pas om 10 uur op de fiets. Al na 8 kilometer zitten we aan de eerst koffie en bij 15 kilometer de tweede. De koffie is hier spotgoedkoop én lekker. Daar kun je zelf niet voor maken. En zolang we op dezelfde route zitten als de wandelaars, zijn er gelegenheden genoeg.

Het Bierzo dal is groen. Er zijn hier fruitbomen, wijnvelden en groene bossen. En het is ook heuvelachtig. Het hoogteprofiel heeft me hierin een beetje misleid want ik verwachte eigenlijk een gemakkelijk stukje en nu zwoegen we weer omhoog en omlaag.

In Villafranca de Bierzo gaan we over op de laatste etappe van de Santiago-reis. Vanaf hier is het ongeveer nog 200 kilometer naar Santiago. Het is een mooi stadje dat eigenlijk door Franse migranten opgebouwd is nadat het tijdens de Reconquista vernield was. De Santiagokerk hier heeft een bijzondere functie. Onder de ‘Poort van vergeving’ konden de pelgrims die te ziek, zwak en misselijk waren om verder te gaan toch een aflaat van hun zonden krijgen. Wij kunnen gelukkig nog een stukje verder, zeker nadat we een menu del dia hebben weggewerkt. Voor €12 heb je dan een drie-gangenmenu met een drankje. Kun je niet zelf voor koken. Daarnaast kijken we even in het gerestaureerde Calle del Agua maar die valt wat tegen. Daar moeten ze echt wat beter hun best doen want we hebben veel mooier gezien.

Na dit dorp begint min of meer de klim naar Cebreiro op 1300 meter. We doen alleen de eerste 10 kilometer en dat gaan als stroop in een trechter in de winter. We kunnen maar een conclusie trekken; het lijf is weer moe en wil meer rust dan deze korte dag. We hebben geluk dat we een prachtig campingplekje vinden. Aan het einde van een doodlopende weg ligt een mooi veldje. Er is een kantine bij met wel 20 soorten bier. Helemaal goed. Hier kunnen we weer eens een wasje doen en morgen lekker bijkomen. Want verder is hier helemaal niets te doen.

Dag 50:

Zzzzzzz-gaap-zzzzz-spetter-spetter-smak-smak-slurp-zzzz-smak-smak-gaap-zzzzz-smak-smak-slurp-gaaap-zzzzzzz

Nomaden

Paradise is not a location. It is an attitude of the mind — Christopher Titmuss

Dag 40

We zijn weer op tijd op pad. Bij de Auberge in de tuin sliep het op zich prima, maar we hadden een erg vervelende lantaarnpaal naast de tent staan. Die had zo’n fel licht dat ik zelf met gesloten ogen zag dat hij aansprong en na 15 seconden weer uit. Dat gebeurde ongeveer elke minuut. Als je slaapt, dan heb je daar geen last van, maar als je wakker ligt, dan is dat heel vervelend. Maar los daarvan was het hier prima vertoeven.

We komen nu in een gebied waar de wegen kaarsrecht lopen. Vanuit Los Arcos kun je Torros del Rio zo’n beetje zien liggen.

’s Ochtends gaan we altijd eerst op zoek naar boodschappen voor de dag. Wat brood, kaas en worst. Dit moet op tijd want de vraag is wanneer we (weer) wat tegen komen. Daarnaast is alles gesloten tussen twaalf en vier. In de kleinere dorpjes moet je heel alert zijn op waar de winkel is, want je herkent hem vaak niet. Zo ook in Sansol. Ze hebben er van alles en je kunt er zelfs koffie drinken. Het is dan wel Senseo koffie, maar toch.

Veel van de dorpen zie je al van verre. Ze liggen op een heuvel in het landschap of gewoon een hoopje huizen bij elkaar. Vaak gecentreerd rond een kerk of een klooster of abdij. Dit is Torros del Rio waar we langs komen.

Logrono is eigenlijk de eerste grote Spaanse stad die we tegenkomen. Het doet me een beetje denken aan Madrid waar ik een half jaar heb gewerkt. Logrono is een mooie, welvarende stad. De gebouwen zien er netjes uit, er is weinig leegstand en er worden volop flats in de buitenwijken gebouwd. Logrono is nu de drukke hoofdstad van de Rioja, je kent het wel van de Spaanse wijn. We komen langs de Santa Maria de Palacio (uit de 13e eeuw) en wippen toch even naar binnen. Ook hier een overvloedige hoeveelheid goud. Als ooit de temperatuur gaat stijgen in Spanje, dan stroomt het goud hier van de muren in de straten en de goten. Je kunt de welvaart van een stad ook afmeten aan de parken. Wij komen door een mooi groen park waar de grasvelden ook overdag nog gesproeid worden. Leuke stad, dat Logrono.

Het nadeel van een grote stad is dat het er druk is en dat de wegen meer gericht zijn op de auto’s. Wij volgen een stuk de wandelweg die ons mooi de stad uit leidt en langs het stuwmeer. Het voordeel is dat hij lekker rustig is, maar we moeten er wel flink voor klimmen. Op zich niet erg, want dan heb je ook weer een afdaling.

In Navaretta houden we een lange stop. Daar komen we Ria ook weer tegen, die graag op zichzelf fietst. Het is weer ruim boven de 30 graden en dan heeft een terras in de schaduw met een koel drankje magnetische krachten. Wij doen dat in Navarrete waar we tegenover de monumentale kerk La Asunción zitten. Ook hier weer een partij goud waar the Pirates of the Carabean jaloers op zijn. Maar goed bewaakt door Jacobus. Wat je hier ook veel ziet is een liggend beeld van Jezus in een glazen kastje. Mensen raken die even aan. Waarschijnlijk een teken van devotie.

We eindigen vandaag op de camping in Najera. Deze ligt in een voormalige arena en het is een mooi plekje, ondanks dat de camping zelf behoorlijk gedateerd en verlopen is. In de super hebben we onze eigen tapas, wijn en bier gehaald. Zo brengen we een rustige avond door waar ik geen tijd heb voor het verslag. Als het donker wordt en de muggen de avond claimen, duiken we in de slaapzak. Het nomadenbestaan bevalt tot nu toe goed.

Dag 41:

Als we Navarreta verlaten zien we de grotwoningen nog liggen. Waarschijnlijk hebben hier vroeger mensen gewoond. Verder kan ik er niets van vinden op internet.

Vandaag is het vooral veel fietsen en er is niet zoveel te zien onderweg. Daarom zijn we blij als we een stenen puntmuts zien staan in het veld. Het blijkt een GuardaViñas te zijn. Een stenen hutje, specifiek uit dit gebied om te schuilen bij slecht weer.

De andere attractie van de dag fietst met ons mee. Mevr. van der Veeke heeft gisteren bij een Action-achtige winkel een sombrero gekocht voor €1,95. Daar heeft ze de bovenkant uit geknipt en  dit restant heeft ze op de fietshelm bevestigd. Zo heeft ze meer schaduw op het gezicht en hebben we bij elke stop aanspraak van de lokale bevolking. Het doet me denken aan een oude tv-serie van de vliegende non. Ik weet niet goed wat ik ervan moet denken. Is dit een geniale vondst waar iedereen straks mee fietst of denkt men dat ik met de dorpsgek uit Baflo op stap ben?

Santo Domingo de la Calzade is een grote plaats waar we doorheen komen. Hier maken we in een parkje in het centrum een boterhammetje. En dan kan gelijk de tent even drogen. Tijdens de siesta is het altijd erg rustig, dus niemand heeft last van ons.

Santo Domingo heeft ook weer een hoop geschiedenis. In de kerk wordt een levende haan en kip gehouden. Dit heeft te maken met een legende. Een familie met zoon was op reis naar Santiago. In dit stadje werd overnacht in een herberg en de dochter van de waard was niet vies van de zoon. Maar de zoon zag dat niet zitten, je bent tenslotte niet voor niets op weg naar Santiago. De dochter had wat moeite met deze afwijzing en verstopte haar tafelzilver in zijn tas om hem vervolgens van diefstal te beschuldigen. De straf daarvoor was ophangen en zo geschiedde. Vader en moeder helemaal in de mineur maar gaan toch –te voet- naar Santiago. Op de terugweg komen ze weer door Santo Domingo en de zoon blijkt daar nog steeds (uit) te hangen. En na zoveel weken aan de galg leeft hij ook nog. Pa en ma zoeken de rechter op die hun niet gelooft. Hij zegt dat de zoon net zo levend is als de gebraden kip op zijn bord. Blijkbaar was die niet goed aangebakken, want hij komt weer tot leven en vliegt weg. Grote consternatie, zoon krijgt pardon en een legende is geboren. Het laat mij wel met een hoop vraagtekens achter, maar daar denk ik nog over na.

Wij fietsen daarna met een grote boog naar Belorado om de drukkere N120 te vermijden. Er steekt een behoorlijke wind op en die hebben we tegen. Dit, in combinatie met de eindeloos lange wegen, brengt grote wanhoop bij me teweeg. Het is ronduit ploeteren. Ik geloof dat ik liever een steile berg op rijdt, dan dit. Want dan weet je dat je daarna een afdaling hebt. En bij tegen wind heb je niets wat je opbouwt. Ik zie het einde niet dichterbij komen en we doen over de 12 kilometers bijna anderhalf uur. Ik kom totaal gesloopt aan. Het voordeel is wel dat het door de wind niet te warm is. En we hebben vandaag een pension geboekt dus we hoeven geen tent op te zetten. Ria slaapt elders in de stad en zij zoekt een restaurant uit waar we voor €11 een culinair hoogstandje eten. Morgen is er regen voorspeld en zakt de temperatuur 15 graden. Ook dan gaan we de Tiera de Campos op, een soort hoogvlakte die bekend staat om zijn tegenwind. Ik hoop dat we daar niet teveel last van gaan krijgen.

Dag 42:

Geen wind maar wel regen, de hele nacht, en ook ’s ochtends regent het nog flink. We talmen wat omdat  we op een warme kamer zitten maar uiteindelijk moeten we er toch aan geloven. Ik heb weer vier lagen kleding aan, inclusief regenpak en regenschoenen. De temperatuur is 25 (!) graden lager dan gisteren en komt niet boven de 5 graden uit.
De route mijdt de drukke N120 en daar zijn we blij mee. We zitten er een stukje op en daar wordt je niet vrolijk van met al dat vrachtverkeer. En zeker niet in de regen. We kiezen een rustige weg door de groene Montes de Oca. Het is wel wat om maar dat hebben we er voor over.

De rest van de dag is het broek-uit-broek-aan weer. Je regent helemaal nat en je droogt weer op. Dan krijg je het in een klimmetje te warm, dus de regenbroek gaat uit. Niet snel daarna gaat het weer regenen en moet de regenbroek weer aan. Herhaal dit elk uur en je weet hoe onze dag eruit ziet.

Door de regen maak ik weinig foto’s en hebben we, behalve het landschap, weinig te zien. In San Juan de Ortega stoppen we even bij het klooster en de romaanse kerk. Meer om een broodje te eten dan om dit te bekijken.

Burgos is weer een grote stad. Ik heb een Airbnb geboekt op loopafstand van het centrum. We willen de kathedraal bekijken en een indruk van de stad krijgen. En dat lukt. Burgos is een stad met veel winkelstraten die autovrij zijn. Positief afwijkend van de andere (grotere) Spaanse steden die we gezien hebben. De kathedraal bekijken we via een bliksembezoek want het is bijna sluitingstijd. En dat is jammer want er is ontzettend veel te zien. We eten op authentieke Spaanse wijze in een tapasrestaurant. Je bestelt wat hapjes en drankjes aan de bar. Het is er erg druk met Spanjaarden en het eten is ook erg goed. Nu missen we alleen het avond-flaneren nog, want daar is het wat te koud voor vandaag.

Dag 43:

Het leuk van een Airbnd bij mensen thuis is dat je kunt zien hoe ze leven hier in Spanje. We zitten op een flatje, driehoog, bij Valerie. Ze heeft een heel klein woonkamertje, een keukentje en badkamer en drie slaapkamers. Daarvan verhuurt ze er twee. Omdat ze veel aan het werk is (als naaister), kunnen we het hele huis gebruiken. En vooral ’s ochtends is dat heel fijn. Zo kunnen we rustig opstaan en ontbijten. We vertrekken pas tegen tien uur. In Burgos gaan we langs de Decathlon want het gas is weer op. Ondanks dat het niet veel klimmen is, gaat het moeizaam vandaag. Daarom maken we er ook een relatief korte dag van.

Ik vraag me af wanneer je stopt om een toerist te zijn en een reiziger wordt. Bij de laatste gaat het meer om het onderweg zijn en minder om de dingen te zien. Ik heb het gevoel dat ik op het moment alleen maar ergens naartoe ga om er weer weg te kunnen gaan. Verder reizen lijkt belangrijker dan genieten van de dingen. De interesse voor de bezienswaardigheden is aan het afnemen. De zoveelste kerk met romaanse bogen en met goud bekleedt. En alweer een mooi landschap. Op een gegeven moment zie ik het niet meer en heb ik iemand anders nodig om te realiseren hoe bijzonder het is. Ik werkte in een prachtig gebouw maar ik had dat pas door als ik een bezoeker had die met open mond naar de prachtige (werk)omgeving zat te kijken. En eigenlijk is dat jammer, als de toerist in je verdwijnt. Er is nog zoveel moois te zien en het is goed je te blijven verwonderen. Mogelijk dat ook het slechtere weer van vandaag er invloed op had. En wat zeker meespeelt is de vermoeidheid. Als ik moe wordt, dan neem ik het allemaal niet meer op. Het is gewoon tijd voor een rustdag.

De landschappen waar we doorheen gaan, zijn prachtig. De geur van het land, het graan dat op de velden golft alsof het water is en de jubelende vogels. Door de afgelopen regen is het landschap kraakhelder en kunnen we heel ver kijken. Ondanks de vermoeidheid genieten we hier nog met straaltjes van.

Bij het naderen van Castrojirez rijden we onder de boog van het voormalige klooster van San Anton door. Het klooster is opgeheven en ze hebben de weg gewoon door de poort heen gelegd. Vroeger waren hier nissen waar ze brood en wijn voor late pelgrims neerlegden. De monniken waren goed in het bestrijden van de ziekte Antoniusvuur. Al in de 17e eeuw werd de orde opgeheven.

Castrojeriz ligt aan de voet van een heuvel met daarbovenop de restanten van een tempeliersburcht uit de 8e eeuw. De burcht heeft veel belegeringen doorstaan. Maar een aardbeving in 1755 was teveel en nu is het een ruïne.

Ik voel me al de hele dag niet goed. Duizelingen, rillingen en een knallende hoofdpijn. Ik denk dat ik gewoon griep heb. Goed dat we morgen een dagje rust nemen.

Dag 44:

De regen van de nacht heeft het tentje en de fietstassen weer lekker schoongespoeld. Het is hier nog steeds knap winderig. Westenwind, dus als we zouden gaan fietsen dan zouden we hem tegen hebben. Maar we gaan vandaag niet fietsen. Na een nacht koorts zou het ook een uitdaging worden. Het lijkt nu wat beter te gaan. Het lukt me zelfs om tot negen uur te blijven liggen.

Na het ontbijt lopen we even het dorp in. Het is ontzettend langgerekt (de hoofdstraat is twee kilometer lang) dus een flink stuk lopen. Maar het is fijn om even wat anders met de spieren te doen. Het is altijd al een belangrijke etappeplaats geweest van de camino. Vroeger had het acht hospitales, drie kloosters en zes kerken. Van de laatste zijn er nog drie over waaronder de Santa Maria del Manzano. Deze zie je prachtig liggen als je het dorp nadert.

Voor de rest zijn het wat verweerde straatjes en toch wel veel leegstand. Blijkbaar leveren de camino-gangers niet voldoende op om het complete dorp welvarend te houden. We zien wel dat de huizen langs de hoofdweg gerestaureerd en goed onderhouden zijn.

En wat ze hier hebben is nog een dorpsomroeper. Met een bel loopt ze door de straten. Als iemand het raam open doet, geeft ze de nieuwtjes door. We kunnen het niet precies verstaan maar we begrijpen wel dat Juan vandaag ziek is.

Het is lekker om een beetje bij te komen in de zon. De temperatuur is overigens niet zo hoog meer. Na de laatste hete dagen zitten we nu tussen de 10 en de 17 graden. En ’ s nachts ruim onder de tien. Ik slaap weer met een trui aan. Maar voor het fietsen is dit wel fijner dan de hitte. Als het goed is, draait de wind morgen. Een duwtje in de rug zou wel fijn zijn.

Zonnesteek

If you reject the food, ignore the customs, fear the religion and avoid the people, you might better stay at home – James Michener

Dag 36

We hebben het weer overleefd maar ik heb wel steeds gedoucht met het gordijn open. Je weet maar nooit. Vandaag lijkt het weer warmer te worden dan gisteren maar als we vertrekken ben ik blij dat ik mijn hemd en jasje nog aan heb. Beide gaan overigens gedurende de dag uit.
We halen wat pan en beleg en kunnen op stap. Voorlopig zitten we op de N240. Nog steeds niet heel druk maar wel regelmatig vrachtverkeer.
Berdun kun je niet missen zoals het op de heuvel ligt. Het schijnt een monument van middeleeuwse stedenbouw te zijn, maar wij kunnen de moed niet verzamelen om daar even omhoog te klimmen.

Verder verbazen we ons over de vreemde rotsformaties die hier zijn ontstaan. Het lijken wel gestort beton maar het is volkomen natuurlijk.

De N240 wordt op den duur vervangen door de nieuwe A21. Sommige stukken ervan zijn al klaar en dat haalt veel van het autoverkeer van de N240. De reden van de nieuwe weg is het stuwmeer van Yesa. Ze willen het peil ervan behoorlijk verhogen en dan komt de N240 onder water te staan. En niet alleen de weg, ook de dorpen en andere infrastructuur. Hiervoor werd de stuwdam verhoogd maar de berghelling blijkt te instabiel te zijn. Daarom wordt nu, vlak achter de bestaande, een nieuwe stuwdam gebouwd. Foutje, bedankt…

De route gaat wat op en neer en de zon brandt ongenadig op ons neer. Ik wist dat ik het zou gaan zeggen, maar had niet verwacht dat het zo snel zou zijn; Mag het ietsje koeler? Gelukkig krijgen we onderweg soms nog een aanmoediging. Het getal wordt steeds kleiner.

De zon en de klimmetjes van de afgelopen dagen doen ons besluiten om op tijd te stoppen. We hebben de afspraak om onze fietsvriendin Ria op zaterdag in Punta la Reina te ontmoeten. Dat is twee fietsdagen en we hebben er drie. Dus ook nog een rustdag. Die kunnen we op verschillende plekken nemen, maar we besluiten hem zo snel mogelijk te verzilveren. We zijn wel aan wat rust toe. In Sanguesa lijkt een leuke camping te zitten met een supermarkt vlakbij. Daarnaast is er in het dorpje genoeg te zien. We vinden een prachtig plekje op de camping en met deze temperaturen lijkt het net vakantie.

Dag 37

Vandaag even niet op de fiets. We liggen een half uurtje langer dan anders. Het is ’s ochtends nog even koel en de tent staat dan nog in de schaduw. Na het ontbijt gaan we even het stadje in. Het is een historisch pelgrimsstadje met wel drie kerken en twee kloosters. En een dag zonder kerken is een dag niet geleefd, dus we gaan er met frisse moed weer in.

De eerste kerk is de Santa Maria la Real uit de 12e eeuw. Ook hier weer een portaal met beeldhouwwerk. Toch is het het interieur dat onze monden laat openvallen. Zoveel bling-bling en zoveel reliëfschilderijen. En als topstuk een monstrans uit de 15e eeuw, een van de oudste in Spanje. Je kijkt je ogen uit. In de kerk zit een bejaarde man die me van alles probeert uit te leggen door met een lampje op onderdelen te schijnen. Ik knik en herhaal af en toe een woord. Ik versta er te weinig van maar hij is helemaal blij.

Het oogt inderdaad als een authentiek Spaans stadje. Veel oude gebouwen en ook de sfeer op straat is anders dan in Nederland. Men is meer op straat om het op straat zijn. In Nederland zijn we altijd onderweg ergens naartoe en hebben we nooit tijd. Wat ik ook leuk vind is de graffiti die ze op blinde muren hebben gemaakt. Zoveel boeiender dan een kale muur.

 De hoofdweg loopt dwars door het dorp en daar gaan we even doorheen. We drinken een bakkie koffie (1 euro) en er is een markt die als een magneet aan Mevr. van der Veeke trekt. Maar de afspraak is dat het in de tassen moet passen, dus uiteindelijk wordt er niets gekocht.

We kijken even bij de kloosters (die dicht zijn) en lopen dan langs de Santiagokerk (die wel open is). De Spanjaarden hebben het slim bekeken. Als je wat in de kerk wilt zien, dan heb je licht nodig. En dat krijg je door een euro in een kastje te gooien. Dan kun je vijf minuten kijken en dan gaat het weer uit. Ook de kaarsjes zijn elektronisch. Je gooit er een muntje in en dan floept een van de lampjes aan. Natuurlijk ook beter voor het milieu.

De Santiagokerk heeft Jacobus op de voorkant staan. En ook binnen is hij in de schilderingen te vinden, als je goed kijkt.

Vermoeid van zoveel kijk-inspanning lopen we terug naar de camping. Het is inmiddels alweer boven de 25 graden. Alleen in de schaduw is het een beetje uit te houden. Zo brengen we de rest van de dag door. Lunch, kopje thee, biertje en een goed boek. De supermarkt zit vlakbij dus voor ’s avonds halen we de ingrediënten voor een lekker maaltje. Het is lekker zo’n rustdag maar ik vind het ook weer fijn om morgen op de fiets te stappen.

Dag 38

De rustdag heeft ons goed gedaan, het fietsen gaat gemakkelijk vandaag, ondanks de flinke afstand en de hoogtemeters. Het landschap is afwisselend en mooi. We zitten op veel rustige wegen en er is genoeg te zien. Vanwege de warmte besluiten we eens te proberen een uurtje eerder weg te gaan. De wekker staat op 6 uur maar die horen we niet eens door het gekwetter van alle vogels. Voor 8 uur zitten we op de fiets. Het is nog heerlijk koel en rustig. Al vrij snel komen we bij de kloof van Lumbier. We gaan door een tunneltje dat pikkedonker is. De enige manier om er doorheen te komen is de zaklamp van de telefoon aan te zetten en te gaan lopen. Als we uit de tunnel komen, zien we een fantastisch landschap. De kloof is gevormd door het uitschuren van het water. Boven ons zien we de vale gieren zweven op de thermiek.

We passeren dorpjes als Indurain, Tabar, Turrilas en Ardanaz. De meeste liggen boven op heuvels. Voor ons een reden om er niet heen te gaan omdat de route al golvend genoeg is.

We gaan met een ruime boog onder Pamplona door. Ondanks dat we de kerken onderhand wel gezien hebben, kijken we toch even bij Santa Maria de Eunate, waar we langs komen. Het is een achthoekige kapel uit de 12e eeuw met 35 fijne boogjes. Van de oorsprong is weinig bekend. Een van de theorieën is dat de Tempeliers het gebouwd hebben. Een andere zegt dat bewoners van omliggende dorpjes het gebouwd hebben. Maakt niet uit, het is gewoon een sereen plekje waar het heerlijk toeven is in de schaduw.

Hierna voegen we ons bij de drukke route die van Saint Jean Pied de Porte komt. Dit merk je meteen. Drommen wandelaars bevolken de wegen. En ook de commercie is duidelijk anders. De camino is een industrie op zich. Maar het brengt ook een hoop gezelligheid met zich mee. Overal om je heen hoor je ‘Bon Camino’ en iedereen is even vriendelijk. Ons eindpunt van de dag is Puente la Reina. Het is een oud pelgrimsdorpje met een boogbrug over de Rio Arga, gebouwd voor de pelgrims op bevel van de koningin, waar het dorpje zijn naam aan ontleent.

Voor de camping moeten we een steil grindpad op. De enige keus is hier lopen en duwen. Bovenop is een camping en een auberge.  De camping heeft een mooi uitzicht over Puenta la Reina, een picknicktafel per plek en heel veel muggen per plek. We kunnen mee-eten bij de Auberge. Voor een tientje krijgen we een pelgrimsmenu dat ik alleen maar adequaat kan noemen.

Ondertussen heeft Ria zich bij ons gevoegd. Ondanks dat ze halfdood aankomt, zijn we blij met haar gezelschap. En ze heeft een pakketje voor ons meegenomen uit Nederland. Onze routeboekjes voor het traject na Lissabon en twee nieuwe fietskettingen. De laatste zet ik meteen op de fietsen, dan hoef ik ze niet mee te slepen. Ik hoop dat we hiermee onze reis kunnen uitfietsen. Het is best lang warm buiten, maar de vermoeidheid en de muggen lokken ons de tent in.

Dag 39

Het is al warm als we opstaan. Voor het eerst vertrek ik in korte broek en T-shirt. Voor Ria is het de eerste dag, dus die moet helemaal acclimatiseren.
Cirauqui is weer zo’n dorpje dat mooi op een heuvel ligt. Ook hier is weer een middeleeuwse boogbrug/Romaans kerkje/Pelgrimspleintje (* doorhalen wat niet van toepassing is), maar dat hebben we genoeg gezien, dus we laten het links liggen. Ondanks de weinig kilometers vandaag hebben we meer dan 600 hoogtemeters. Dat en een temperatuur van boven de 30 graden maakt het een inspannende dag.

In Estella (of Lizarra in het Baskisch, het is hier tweetalig, net als in Friesland) houden we een stop in de schaduw voor een boterham en een bakkie koffie. De laatste halen we bij een café want voor minder dan een euro zo’n lekker koffie is natuurlijk geen keus. Estella werd ook wel ‘Estella la Bella’ genoemd in de middeleeuwen. De pelgrims werden hier goed verzorgd en het water was helder. Ook nu is het nog een mooi plaatsje met kerken, paleizen, feesten en daverende stieren door de straten. Vandaag zijn het daverende fietsers want er is een wielerwedstrijd. Tijd voor ons om te vertrekken.

Iets verderop ligt het Monasterio de Irache. In 1050 konden pelgrims hier al terecht en de 12e-eeuwse kerk heeft twee kruisgangen die mooi gerestaureerd zijn. Het staat bekend om zijn Gregoriaanse gezangen. Maar dat boeit ons allemaal niet want er is hier een heuse wijnfontein!
Er zit hier ook een wijnbedrijf en die heeft voor de pelgrims twee kranen gemaakt. De ene tapt koud water en de andere rode wijn. Even overweeg ik hier de tent op te zetten, maar de dames willen verder.

Voor de rest ploeteren we ons in de hitte voort. Het mag voor mij wel een paar graden lager. Maar het landschap is prachtig, je ruikt de zoete geur van de brem en een verfrissend windje bij een afdaling maakt veel goed. Bij Los Arcos vinden we het welletjes. Bij een Auberge hebben ze een grasveldje waar je de tent op mag zetten. Dat doen we dan ook. Er is een automaat waar je voor €1 euro een blikje koud bier kan krijgen. Voor mij is dat bijna zo goed als een wijnfontein. Morgen zien we weer verder.

End of part 2

To my mind, the greatest reward and luxury of travel is to be able to experience everyday things as if for the first time, to be in a position in which almost nothing is so familiar it is taken for granted. – Bill Bryson

Dag 032:

We hebben afgesproken dat we om 9 uur de sleutel van het appartement overdragen aan Corinne en staan gepakt en gezakt klaar. Het weer zou vandaag droog zijn, dus het regenpak zit onderin. Maar helaas, het mag niet zo zijn. Als we willen vertrekken, regent het en niet zo’n beetje ook. Ik houd er de goede moed in, maar eigenlijk ben ik wel een beetje klaar met de regen en het koude weer. Dit is niet wat we verwacht hadden. Uiteindelijk ligt dit natuurlijk aan mijn eigen verwachtingen. Ik hoop dat het beter wordt. En dat is wat Corinne ons ook verzekert als ze ons uitzwaait.

Ondanks dat het zondagochtend is, is de D29 vrij druk. Meestal is het op zondagochtend wel rustiger maar misschien dat de Europese verkiezingen de drukte veroorzaken. In de dorpen waar we doorheen komen zijn  de stemburo’s (in de Mairies) open. In Peyhorade is de drukte van een andere orde. Het lijkt wel het circuit van Monaco, zoveel auto’s rijden rondjes om het plein waar we koffie drinken. Hier heeft het met de kerk te maken. Ze zoeken allemaal een plekje om te parkeren.

Sorde-l’Abbay is een monumentaal bouwwerk wat ook de stempel van Unesco werelderfgoed heeft. Het is overgebleven van de abdij uit de 12e eeuw. Het oogt meer als een vesting. Vroeger moesten de pelgrims hier met een bootje over de Gave d’Oleron gezet worden. De veerlui vroegen hier veel geld voor en lieten regelmatig een bootje kapseizen om de pelgrims van hun wereldse bezittingen te ontdoen.

Bij Caresse splitst de route zich. De meeste (fietsende) pelgrims gaan via de Navarra route naar Roncevalles. Wij blijven de oudste route via Oleron en de col-du-Somport volgen.
Athos-Aspis is het kortste dorpje dat ik tot nu toe ben tegengekomen. Je hebt het begin-bebouwde-kom bord. En 20 meter later het einde-bebouwde-kom bord. Zo racen we door deze plaats heen. Overigens kwamen de drie musketiers uit dit gebied.

Na de leegte van Les Landes zijn we blij met de dorpjes hier. Het zijn stuk voor stuk stadjes met een historie en ze zien er prachtig uit. We merken dat we meer in Baskenland komen want alle dorpen hebben een pelota veld. Ook worden de namen in het Euskara gespeld. Helemaal mooi is Sauveterre-de-Béarn. Het ligt op een rots boven de rivier en heeft nog een kerk uit de 12e eeuw en de overblijfselen van een vesting. In de diepte zien we de restanten van de Pont Fortifé of de Pont de la Legende liggen. De legende gaat over de gravin van Bearn die de waterproef moest doen.

In Laás willen we eigenlijk stoppen. Het is tenslotte het dorp waar Brigitte Bardot ook gewoond heeft.  Maar we hebben geen eten en in Laas is er op zondagavond ook geen restaurant open. Daarom houden we het bij een kopje thee op een kinderpartijtje en fietsen toch door naar Navarrenx. Onderweg komen we het ene prachtige dorpje na het andere tegen.

In Navarranx is een pelgrimsgîte in het voormalige Arsenaal. In een kroeg schrijf je je in en dan krijg je een kamer toegewezen. Nu we meer in het drukkere deel van de pelgrimsreis komen (de meeste mensen beginnen pas in of na de Pyreneeën) willen we wel eens weten hoe dat is. We komen op een slaapzaaltje met vier bedden. Eerst zijn we nog alleen maar later zijn alle bedden gevuld. Er is een douche, wc en een gemeenschappelijke keuken. Met z’n tweeën betalen we €26,10. Het voordeel is dat je binnen zit en geen natte tent hebt. Het nadeel is dat het overal naar zweet ruikt en je maar moet afwachten of er gesnurkt wordt. In Spanje zijn de slaapzalen nog veel groter en dan moeten de mannen en vrouwen ook gescheiden slapen. Ik weet niet of we het daar gaan doen want ik heb Mevr. van der Veeke ’s nachts het liefst naast me.

Navarranx is overigens een vestingstadje met nog een groot deel van de muren intact. Een beetje Boertange maar dan met veel dikkere muren. In 1537 is hier een vernieuwd militair ontwerp voor bedacht die meteen beproefd werd en stand hield. Ze staan er trouwens nog steeds. Ook de kerk St. Germain is bijzonder omdat hij tijdens de godsdienstoorlogen gespaard werd en nog mooi kleurig is van binnen. En natuurlijk staat St. Jacobus in de kerk. En ik kan daar het pelgrimslied leren.


We eten voor het eerst een pelgrimsmenu in de Auberge St. Jacques. Dit is een drie-gangen maaltijd voor een relatief laag bedrag. Het smaakt prima maar na afrekenen blijkt dat we behoorlijk afgezet zijn. Zo zie ja maar, vroeger lieten ze een bootje kapseizen om een pelgrim te kunnen beroven. Tegenwoordig gebeurt het gewoon met de pinpas.

Dag 33:

Gelukkig komen verwachtingen niet altijd uit. Want we hebben gewoon goed geslapen in de pelgrimsgîte. Geen gesnurk en hele stille kamergenoten. Voor herhaling vatbaar dus.

Ook vandaag beginnen we niet droog, maar terugkijkend op de dag, denk ik dat we niets te mopperen hebben qua weer. Eerst overbruggen we de twintig kilometer naar Oleron-St. Marie. Ik verwacht daar net zoiets als in St. Jean Pied-de-Port, maar dat is helemaal fout. Er is hier weinig te merken van de pelgrimsgekte die in Pietje-Por heerst. De route leidt ons naar de kathedraal van (natuurlijk) St. Marie die er opmerkelijk mooi bijstaat. Het portaal is ronduit fascinerend en er is heel veel te zien in de details van het beeldhouwwerk. Grappig om te zien dat de middenpilaar gedragen wordt door twee geketende Atlantiërs. Geen wonder dat het Unesco werelderfgoed is.

Hiermee sluiten we het tweede boekje van de Santiago route af. Deze is minder lang dan deel een en drie maar toch een mijlpaaltje.

De afgelopen 20 kilometer zijn we al wat gestegen. We zitten nu rond de 200 meter hoog, maar de Col du Somport zit iets boven de 1600 meter en dat is nog een eindje. Dat gaan we niet in een keer doen, we verdelen het over twee dagen. Vandaag kijken we hoever we komen en dan morgen de rest. De route verloopt door het dal van le Gave-d’Aspe, grotendeels via de D238 maar tot Escot kunnen we nog via een parallelweg die heerlijk rustig is. Inmiddels zien we de Pyreneeën al in de verte opdoemen, zij het dat de bovenste delen in de wolken zitten.

We passeren een aantal dorpjes maar Sarrance wil ik er even uitlichten. Het oogt niet als een speciaal dorpje, maar wij gaan binnendoor en dan kom je langs de abdijkerk. Een daarbinnen is meer bling-bling dan een serie top-40 rappers om de nek hebben hangen. Een mooi gedecoreerd altaar, veel reliëfpanelen en prachtige muurschilderingen.

Wij klimmen daarna nog wat door en komen steeds dieper de Pyreneeën in. Hierbij wordt het landschap steeds mooier en omdat we zo vroeg in het seizoen zijn, is er veel smeltwater in de rivieren. De weg is niet druk en langs grote delen is een extra strook waar we op kunnen fietsen. En het verkeer houdt ook hier veel rekening met fietsers. Wat ons wel opvalt is dat we geen enkele andere fietser tegenkomen. En ook nauwelijks wandelaars.

Bij Borce/Etsaut zijn de benen op. Het zijn eigenlijk twee dorpen aan beide kanten van de weg. Maar voor Borce moeten we een stuk klimmen, dus we kiezen voor Etsaut. Volgens het boekje zijn er twee pelgrimsgîtes; Een met 20 bedden en een met 50 bedden. We willen eigenlijk de kleine omdat die ons rustiger lijkt maar die kunnen we niet vinden. Dan maar naar de grote en daar zijn we de enige gasten. Het heeft wat vreemds om in de lege zalen en gangen te dwalen van dit spook-hostel. Gelukkig komt er ’s avonds nog iemand bij. Etsaut heeft ook een leuke kroeg waar we nog wat drinken. Daarna maken we een maaltijd en dan op tijd in bed. Morgen hopen we in Spanje te zijn.

Dag 34:

We verlaten onze slaapplek, ik sla linksaf en schakel terug naar de laagste versnelling. En daar blijft hij vijf uur in zitten. Vijf uur? Ja, vijf uur. Ik had uitgerekend dat we tussen de drie en vier uur zouden doen over de klim, maar hij blijkt vijf uur te duren, inclusief pauzes.
Hoe doe je zo’n klim van 1000 meter met een fiets van 20 kilo en 25 kilo bagage? Eigenlijk net als het eten van een olifant…in kleine stukjes. Uiteindelijk kom je er wel, maar het is een klim waarbij ik na een half uur en 100 hoogtemeters denk dat er geen eind aan komt. De laagste versnelling is in Nederland niet mee te fietsen maar hier ben ik er heel blij mee. Alhoewel ik regelmatig wilde dat er onder de laagste versnelling nog een –geheime- nog lagere versnelling zit.

We passeren Fort du Portalet in de nauwe doorgang van de Vallée s’Aspe. Na de tweede wereldoorlog hebben ze hier nog wat oorlogsmisdadigers vastgezet.

In Urdos halen we nog wat lekkers voor bij de koffie en daarna is het nog zes kilometer verder voor de weg zich splitst. Tot daar aan toe delen we de weg met de auto’s en vrachtwagens. Op zich geen probleem want ze houden goed rekening met je. Hierna mag het snelverkeer door de tunnel en wij moeten over de pas.

Na de afslag wordt het rustiger. Een enkele auto en wat motoren passeren. Voor de rest zijn we alleen. En zo vechten we ons een weg naar boven. Geduldig en gestaag. Het weer is grotendeels droog, maar koud. Daar hebben we geluk mee. Hieronder een kleine impressie.

Uiteindelijk komen we boven op de col du Somport (1640 m). De naam van de pas is een verbastering van het Latijnse summus portus wat ‘hoogste doorgang’ betekent. Het miezert en met zes graden is het best wel koud. Alles is hier gesloten en er is geen mens. We maken snel twee selfies, Mevr. van der Veeke trekt wat extra kleren aan en we storten ons naar beneden.

We zijn hiermee in Spanje aangekomen en dat vinden we een behoorlijke prestatie op de fiets. De afdaling gaat als een speer en ons gemiddelde gaat met sprongen omhoog. En het leuke is dat we in de verte de blauwe lucht zien. Met het oversteken van de Pyreneeën laten we de bewolking achter ons. Viva España!

Het eerste (verlaten skidorpen niet meegerekend) Spaanse dorp wat we tegenkomen is Canfranc-Estación. Hier staat een gigantisch station. Ooit was er een spoorlijn tussen Parijs en Madrid met een tunnel door de bergen. Hier stapten de passagiers over want de Franse spoorbreedte is natuurlijk niet hetzelfde als de Spaanse. Het is het een-na-grootste station in Europa. Tijdens de Spaanse burgeroorlog was de tunnel gesloten, om smokkelen tegen te gaan, maar later ging hij weer open. Totdat in 1970 een treinongeluk een brug aan de Franse kant vernielde. Deze brug werd niet herbouwd en dat was het einde van deze lijn. Wat mij betreft mogen ze er  een mooi fietspad van maken. Tegenover het station zit een café waar wij ons eerste Spaanse bakkie nemen om op te warmen. Koffie kost hier maar een euro en het is goede koffie. Ik voorzie een fijne tijd in Spanje.

We dalen verder af naar Jaca. De zon schijnt uitbundig maar de temperatuur is nog laag. Daarom heb ik in het centrum een kamer geboekt in een huisje uit de 13e eeuw. Er is wat misgegaan met de communicatie waardoor de eigenaar niet aanwezig is en we een uurtje moeten wachten. Goh, wat vervelend om op een Spaans terrasje te moeten zitten met een cerveza

Jaca is een gezellig klein stadje met een vijfhoekige citadel uit de 16e eeuw. Maar ook de Romaanse kathedraal uit de 11e eeuw is het bekijken waarde. Van binnen is er een hoop pracht en praal. Tegen de avond begint het te leven in de stad en we zoeken een gezellig tentje om te eten. Ik denk dat het ons wel gaat bevallen in Spanje,

Dag 35:

Voor het eerst sinds lange tijd is het strakblauw als we opstaan. We sliepen de slaap der vermoeiden en dat heeft ons goed gedaan. We hebben weer zin om op pad te gaan. Ik dump mijn oude fietskleding in een vuilnisbak en we gaan op zoek naar brood.
De ontbijtcultuur van Spanje is ons nog niet helemaal duidelijk, We hebben het idee dat de meeste Spanjaarden dat buiten de deur doen. Wij eten op de kamer wat fruit met muesli maar bij de bakker blijkt dat we daar ook een ontbijt van koffie en churros hadden kunnen nemen. Dat laatste dopen ze dan in een soort van vloeibare chocolade. Ik houd het nog even bij een café solo.

Vandaag gaan we naar Punta la Reina de Jaca. Er is ook een Punta la Reina zonder Jaca, daar komen we over een paar dagen. Als je rechtstreeks via de N240 gaat, dan is het een kilometer of 20. Maar dat doen we niet. We nemen een omweg om het klooster San Juan de la Peña te bekijken. Dat betekent wel dat we eerst de Puerto de Oreal (1080m) op moeten klimmen. Ondanks de zware klimdag gisteren doen de benen het nog goed en redelijk gemakkelijk overbruggen we deze 300 hoogtemeters.

Het landschap is duidelijk anders dan aan de Franse kant van de Pyreneeën. Zag je daar 50 tinten groen en hoorde je overal water lopen, hier is het wat droger en meer stenig. De bomen die er zijn, zijn meestal naaldbomen en er is wat lage begroeiing. De weg naar het klooster trekt weinig auto’s, dus we maken gewoon een bakje in de berm.

Na Puerto de Oreal dalen we 200 meter en klimmen we weer 300 meter. Daarmee komen we eerst bij het Monestario Nuevo. Deze is in de 18e eeuw gebouwd nadat de San Juan de la Peña tenonder ging. Je kunt het dagelijkse kloosterleven hier bekijken, maar wij gaan door naar la peña.

San Juan de la Peña is gebouwd onder een overhangende rots (peña = rots) en er is een legende over het ontstaan. Voor het klooster er was, waren er grotten waar men zich verschuilde voor de Moren. Later kwamen er kluizenaars die het klooster bouwden, gesteund door de vorsten van Navarra. Drie eeuwen lang  is hier de heilige graal verstopt voor de bezettende Saracenen. Ook liggen de koningen van Aragon hier begraven. Het is een prachtige plek waarbij het gebouw naadloos overgaat in de natuurlijke steen.

Er is bijzonder veel beeldhouwwerk bewaarde gebleven die Bijbelse en heidense taferelen weergeven. Hier een kleine collectie.

Het was loeikoud in het klooster dus we zoeken weer de warmte op. Ondanks dat het volop zonnig is, is het nog niet warm. Ik ben nog steeds blij met mijn hemd. Met name in de afdaling kan het fris zijn. Maar we genieten eerst nog even van de uitzichten hier op 1200 meter. We zien dat de wolken allemaal achter de Pyreneeën blijven hangen. Helemaal goed.

In Santa Cruz de la Serós vinden we een bankje in de zon om wat te eten en op te warmen. We hebben zicht op de vroegromaanse kapel van San Capricio. Deze is onderdeel van een Benedictijner vrouwenklooster. Bovenin de kerktoren zit een verborgen kapel waarin de nonnen zich terugtrokken in roerige tijden.

Via de N240 overbruggen we het laatste stuk naar Puenta la Reina de Jaca. Dat blijkt te bestaan uit een kruispunt van (grotere) wegen. Eromheen staan wat leegstaande flats. Ik heb een kamer geboekt in het enige hotel van de plaats. En we lijken ook de enige gasten te zijn. Norman Bates schrijft ons in. De kamer is verder prima maar het voelt wel weer vreemd om zo alleen te zijn.

Eindeloze wegen

Wandering re-establishes the original harmony which once existed between man and the universe – Anatole France

Dag 028:

We hadden het al een keer eerder meegemaakt maar nu overkomt het ons weer. We logeren bij een familie, maar als we opstaan en vertrekken is er niemand te zien. We doen natuurlijk wel stilletjes, maar ik kan me niet voorstellen dat men ons niet hoort, als we 10 tassen de trap afsjouwen. En het is ook niet in het holst van de nacht, maar om een christelijk half negen. Maar goed, we trekken de deur achter ons dicht en vertrekken.
En wat ik ook vreemd vind is dat je hier zomaar graven langs de weg ziet. Gewoon in de berm. Bij ons is het dan nog een herdenkingsteken, een kruisje en een lichtje. Maar hier staan er soms een, soms meer, van die enorme grafdozen vol met lijken. Bijzonder.

Het is vandaag eindelijk zoals we gehoopt hadden dat het zou zijn. Bij het opstaan een zonnetje en dan eerst in de koelte van de ochtend fietsen. Na tienen kan het jasje uit en na elven fiets ik in pelgrimstenue; T-shirt en korte broek.

We zijn weer zonder ontbijt vertrokken. In Targon kopen we niet alleen een stokbrood maar er gaan ook een paar warme appelgebakjes onder de snelbinder. En bij de eerste gelegenheid gaan die erin als koek.

Cadillac ken ik alleen als automerk. Maar het blijkt een stadje in Frankrijk te zijn dat er al sinds 1280 staat. Op zich zou het een mooi historisch centrum kunnen hebben als er niet overal blik staat geparkeerd. Het is zo storend dat ik nauwelijks een foto maak terwijl de Place de la Republique best het aanzien waard is. We kijken even in de kerk en fietsen door beide overgebleven poorten. Daarna steken we de Garonne over via een mecano brug.

Hierna komen we in Les Landes, een gebied van uitgestrekte (productie) bossen. Een deel is aangewezen als natuurpark. Tot Landiras is het nog redelijk druk met verkeer maar daarna zijn we grotendeels alleen. Het zijn lange rechte wegen door de bossen wat als voordeel heeft dat je een auto al een half uur van tevoren aan ziet komen. Er zijn weinig dorpen en nog minder voorzieningen.

Les Landes was oorspronkelijk een onherbergzaam gebied met moerassen en zandverstuivingen. De herders die hier schapen hoedden, deden dat op stelten. En ook huizen, schuren en kippenhokken stonden op palen. Onder Napoleon werden hier op grote schaal dennen geplant en met deze arbeiders ontstonden er kleine dorpjes .Via spoorlijntjes werd het hout afgevoerd. De spoorlijnen zijn allang opgeruimd. De dorpjes zijn er nog.

Veel campings zijn hier nog dicht, daarom hadden we een grote afstand op het programma. De camping in Hostens gaat pas per 1 juli open maar we gaan toch even kijken omdat we er vlak langs komen. Ze zijn de camping klaar aan het maken voor het seizoen en vinden het geen probleem als we een nachtje blijven staan. We zijn de enigen en hebben de beschikking over 12 toiletten en 12 douches. En we mogen er niets voor betalen. Zo hebben we een heerlijk luie middag in de zon. Voor mij is het zelfs wat te warm en ik zoek de schaduw op. Het is een mooie dag zo.

Dag 029:

Geen koude nacht, wel een vochtige door het gebrek aan wind en de heldere hemel. We staan op in de zon maar later in de dag betrekt het. Op zich niet erg, want het is fijner fietsen met 23 graden en geen zon.
Vandaag is een saaie dag. Als je denkt dat de Flevopolder leeg is, dat zou je hier eens moeten kijken. Zelfs de GPS heeft moeite met het weergeven van de tracks omdat de afstand tussen twee punten zo groot is vanwege de kaarsrechte wegen.

Het enige wat hier te zien is zijn kerkjes. We komen eerst langs die van Retis. Een eeuwenoud gebouwtje en je kunt duidelijk het portaal zien waar de pelgrims vroeger onder konden slapen. Hij is op slot, maar door het open hek ervoor kunnen we toch naar binnen kijken.
In Biganon staat het oudste kerkje van deze streek. Jammer dat hij gesloten is want binnen zijn mooie muurschilderingen. Naast de kerk staat de bron van Ste. Ruffine. Deze zou helpen tegen huidziekten, maar ik vind het erbinnen een vieze modderpoel.
Tenslotte komen we langs de kerk in Moustay. Ook deze is gesloten, dus we kunnen ook hier de muurschilderingen niet zien. Wel staat er een steen voor dat het nog 1000 km naar Santiago is. Dit geldt voor de wandelaars. Voor ons is het nog een paar honderd kilometer verder.

Hierna hebben we het wel gehad met het plezier en zijn het alleen nog kaarsrechte wegen door bossen. Her en der is een bos gekapt, het veld ontruimd en is er wat landbouw. Het doet me denken aan Finland met als enige verschil dat het hier asfalt wegen zijn, terwijl het in Finland steenslag wegen waren. Een voordeel is wel dat het vlak fietsen is en dat we lekker opschieten. Tot in de middag wanneer een tegenwind wat begint op te spelen.

We passeren plaatsjes als Pissos (waar een glasblazer en een pottenbakker zit, op dat niveau zitten we nu), Labouheyre (centrumfunctie van het gebied maar ik zou er nog niet dood gevonden willen worden), Escourse (daar mochten ze meer schapen houden) en eindigen in Onesse-et-Laharie.

De laatste is wel een aardig plaatsje met wat voorzieningen. Ook hier gaat de camping pas halverwege juni open maar we gaan toch even kijken. En niet voor niets, want we krijgen gewoon een plekje. De voorzieningen zijn minimaal en we moeten de normale 18 euro aftikken maar we vinden het kamperen gewoon lekker. En zeker als de camping zo leeg is, voelt het heel prettig.

Bij de super in het dorp haal ik wat te drinken en we koken gewoon ons eigen maaltje bij de tent. We hebben de beschikking over een tafel en stoelen, dus dat is een extra luxe. Mensen vragen wel eens hoe gastronomisch het onderweg is. Nou, niet dus. Toch vinden wij dat we in het algemeen lekker eten. Soms uit, en dan vaak tussen de middag een Plat du Jour. ’s Avonds bij de tent eten we dan brood en een soepje. Maar regelmatig koken we ook.

We hebben één pitje (brander) mee. Daar koken we alles op. Water voor de koffie en thee maar ook de maaltijden. Het zijn simpele gerechten die in één pan (bonen) of in twee (pasta/rijst en een saus) gemaakt worden. We koken dan eerst de pasta of de rijst. Die wordt tegen gaar aan gekookt en dat gaart dan nog even na in een neopreen hoesje. Die pan heeft ook een speciale bodem die het water snel doet koken. De andere pan heeft een tefal bodem en daar maken we de saus in. Iets van vlees of vis, met room en soms mais. Soms zijn er ook kant-en-klare sauzen die ook lekker zijn. En vaak hebben we er nog een salade bij. We eten overigens alles (ontbijt en avondeten) uit twee vouwbakjes. Als er geen afwaskeuken is, dan kook ik wat water in een pannetje en daarin wassen we af. Na het eten altijd nog een bakje thee en koffie op de Jetboil. Die heeft twee kopjes kokend water in 60-90 seconden. Daar maak ik onderweg ook koffie mee. Zoals je ziet kan het heel simpel en toch smakelijk. Andere favoriete maaltijd zijn een (diepvries) zak met paella, nasi of een lokaal gerecht. Ook dat is makkelijk op te warmen in één pan. Of kopen een gebraden kip die we met salade eten.

Dag 030:

Het weer is de hele tijd al als schuifkaas. We mogen aan het mooie weer ruiken, maar het komt er niet. De Josti-band was vannacht behoorlijk bezig op de tent maar vanochtend is het droog.  Op de camping lopen wat mannen gewichtig te doen met mappen onder de arm en dikke buiken. Maar niemand die echt werk doet. Toch moet er nog heel wat gebeuren voordat de camping open kan gaan. Maar goed, dat is iets uit ons verleden en nu kunnen we het gewoon aanschouwen.
Het weer is grijs en tien graden kouder dan gisteren. Via de radio hoor ik dat het in Nederland zonniger en warmer is. Er is dus voor andere mensen geen reden om naar Zuid-Frankrijk te komen.

We fietsen vandaag het laatste stuk door Les landes. Net zo saai als de dagen ervoor. De routemaker weet het inmiddels ook niet meer en heeft het alleen nog over dingen die er niet meer zijn.
Ik maak vandaag welgeteld twee foto’s:

De eerste bij het dorp Lesperon, waar we doorheen komen. Het dorp bestaat uit drie gedeeltes; Tireveste (trek je vest uit), Tiregilet (trek het hemd uit) en Tireculotte (trek de broek uit). In vroeger tijden werden de pelgrims hier van overbodige ballast afgeholpen. Ik zie langs de route grote dure huizen staan. Zullen wel handelaren in tweedehands kleren en lompen zijn. Voor Mevr. van der Veeke is het inmiddels trek-een-extra-trui-en-sokken aan.

De tweede foto maak ik bij Buglose waar we voor het gemeentehuis een bammetje doen. In het halve uur dat we daar zitten komt er één auto langs. Verder zien we niemand. Ik snap nu ook wel waarom de campings hier dicht zijn.

Na ruim 50 kilometer zitten we in Dax. De Pyreneeën komen in zicht. We besluiten vóór het geweld van het klimmen begint, een rustdag te nemen. Uiteindelijk boeken we een compleet appartement voor twee dagen voor € 100. Het is heerlijk om zoveel ruimte te hebben. En er is snelle wifi want ik zat al een paar dagen te kijken waar ik de laatste aflevering van GoT kan downloaden. Op vijf minuten lopen zit een grote Intermarche waar we boodschappen doen. Vanavond hebben we een lekker maaltje van biefstuk, gebakken aardappelen en een salade. En morgen lekker met de benen omhoog.

Dag 031:

Heerlijk zo’n dag niets doen. Even uitslapen en ontbijten. Bij de bakker om de hoek een lekker taartje halen en koffie drinken. Doet een mens goed.

We hadden vandaag nog wel een missie. In Spanje is een fietshelm verplicht. Zoals je op de foto’s kunt zien, fietst Mevr. van der Veeke al sinds Baflo met een helm maar ik heb het de laatste 1800 kilometer met een petje gedaan. Maar nu moet ik er toch aan geloven. In Dax zit een grote Intersport waar we heen fietsen. En ik vind daar niet alleen een helm maar ook een vervanging voor de driekwart broek waar ik al 27 jaar (!) mee doe en een vervanging voor het verschoten Aldi-shirtje waar ik al een paar jaar mee fiets. De laatste is met €2,99 niet te duur. Met deze outfit ga ik bij de wedstrijd voor de best geklede fiets-pelgrim hoge ogen gooien!.

Nu zijn we helemaal klaar voor de klim over de Pyreneeën. Deze knippen we in een paar stukken want in een keer naar 1800 meter klimmen is zelfs voor onze, inmiddels gespierde, kuiten teveel. Maar daarover later mee.

Quelle domage

All travel has its advantages. If the passenger visits better countries, he may learn to improve his own. And if fortune carries him to worse, he may learn to enjoy it. – Samuel Johnson

Dag 021:

Het was vannacht minder koud en ’s ochtends is de tent zelfs droog. Het was een fijne camping hier in Veigne maar we gaan toch door. Vandaag hebben we weer een landelijke route. Ik had het al eerder opgemerkt, maar we komen meer in het zuidelijke Frankrijk. Lanen met platanen, slaperige dorpspleintjes en ook de kerken veranderen. In het noorden zijn het meer gotische kerken met spitsboogvensters, in het zuiden is het meer de romaanse bouwstijl met rondboogvenster. Omdat hier meer pelgrims langs kwamen zijn de portalen van de kerken ook ruimer. Dan konden de pelgrims daar slapen. Persoonlijk vind ik het een meer christelijke gedachte om ze in de kerk te laten slapen, maar ja…

Wij hebben in elk geval weer een windje in de rug mee en ook de benen zijn inmiddels zo getraind, dat de kilometers moeiteloos voorbij gaan. In het plaatsje Sainte Catherine-de-Fierbois heb ik een deja-vu. We zijn hier eerder geweest en dat klopt. In 2011 hebben we de zadelpijn route gefietst met Lucas/Ria, Marcel/Birgit en Yke. Toen kwamen we ook door dit dorpje.

Nu zitten we koffie te drinken met andere pelgrims. We komen Wim/Annelies en Janneke/Edith de laatste dagen steeds weer tegen. Vaak staan we op dezelfde camping omdat we ongeveer dezelfde afstanden doen. En het is ook erg leuk om de ervaringen uit te wisselen en elkaar onderweg tegen te komen.

Sainte Catherine-de-Fierbois  ontleent haar naam aan de kapel die Karel Martel liet bouwen na de slag tegen de Moren in 732. Ste Catherine is de patroon van de soldaten. In de 14e eeuw kwam er een nieuwe kapel en toen Jeanne d ‘Arc hier ook nog kwam was het hek helemaal van de dam. Sinds 1451 worden hier pelgrims verzorgd, maar wij hebben geen verzorging nodig. Een goede bak koffie en we kunnen weer op weg.

In Ste. Maure-de-Touraine hebben we onze volgende stop. Het is een grotere plaats met veel pelgrimshistorie. Maar we willen alleen het oude pelgrimsgasthuis zien, met zijn inscriptie ‘A la belle image, bon vin, bon logis’. Het is wel duidelijk wat de pelgrim van weleer dronk. Wij houden het bij bier en cider.

Wij tikken plaatsje na plaatsje af. De zon schijnt en de wind duwt. Het landschap nodigt uit tot meditatie en daarom zijn we blij als we wat afleiding hebben onderweg. Soms is dat een opbeurende boodschap, dat het nog maar 1295 kilometer is naar Santiago. We zijn ongeveer op de helft. Wel de gemakkelijke, vlakke helft, maar toch.

De verveling neemt zulke vormen aan dat we zelfs weer stoppen bij een romaans kerkje in Antogny-Tillac. Misschien ook omdat de deur open stond want dat gebeurt niet zo vaak bij de kerken die wij onderweg zien.

Zo naderen we Chatellerault, een vrij grote plaats. De bedoeling is dat we hier op de municipal overnachten die ten zuiden van de stad ligt. De route leidt ons langs de Vienne de stad in. Deze rivier volgen we al een hele tijd. In Chatellerault zijn er verschillende bruggen over de Vienne maar de Pont Henri IV is wel de mooiste. Naast de brug, zijn er ook nog twee verdedigingstorens intact. In een ervan tekende Henri IV het edict van Nantes.

Verder kwamen en komen hier veel pelgrims, dus er is ook een kerk van St. Jacques. Het heeft een mooie gevel met de 12 apostelen. En ook het andere beeldhouwwerk is de moeite waarde. Binnenin schijnt een beeld van St. Jacobus in vol ornaat te zijn. Ik schrijf ‘schijnt’, want zeker weet ik het niet. Ook deze kerk was weer gesloten. Quelle dommage!

Op de camping municipal worden we blij verrast. Hij is al niet duiur met zijn €6,50 maar voor dat geld mogen we ook nog in het pelgrimshuisje. We moeten het wel delen met Janneke en Edith, maar zij vinden dat geen probleem. Dus deze keer lekker relaxt meteen aan het bier en eigen douche en toilet. In Groningen zouden ze zeggen ‘het kon minder’.

Dag 022:

Vandaag is mijn geluksdag. Ik krijg nieuwe trappers op mijn fiets. Ze kraakten al een tijdje en het werd steeds erger. Eigenlijk had ik in Poiters willen kijken naar een fietsenmaker, maar hij valt er na een paar honderd meter al vanaf. Even googlen en maps geeft een fietsenmaker op twee kilometer afstand. Dat red ik nog wel. Het blijkt een grote, moderne zaak en tien minuten later fiets ik weer weg met twee blinkend nieuwe trappers.

Bij Vieux-Poitiers zien we een toren staan. Het blijkt het enige overblijfsel te zijn van een Romeins amfitheater uit de eerste eeuw. Ooit was hij 116 meter breed en konden er genoeg toeschouwers in voor een  optreden van U2. En zo stevig gemaakt dat de toren er na 20 eeuwen nog staat. Een mooi voorbeeld van duurzaamheid. Iets verderop was de slag van Poitiers waar Karel Martel in 732 de Moren heeft verslagen.

Wij fietsen over een oude romeinse weg langs het riviertje de Clain. Het gaat wat moeizamer dan gisteren. De wind is naar oost gedraaid en hebben we minder mee, en later zelfs tegen. Maar de weggetjes zijn nog mooi, evenals het weer.

Bij het chateau van Dissay moeten we even stil staan. Al is het alleen maar omdat de hele weg open ligt. Maar ook onze mond valt open van het kasteel. Wat ligt het er prachtig bij. Het was het zomerverblijf van de bisschop van Poitiers. Hoezo gelofte van armoede? Het park werd aangelegd door le Notre, die we ook al eerder tegen kwamen. Afijn, gelukkig hebben wij er nu ook nog wat aan.

Een stukje verder komen we zomaar een hunebed tegen. Hier heten die dingen Dolmen. Vaak zoek ik ze thuis al op, maar dit jaar was de voorbereiding van de reis zoveel werk dat ik er niet aan toegekomen was. We worden altijd even blij van deze oude steenhopen.

Poiters is een enorme stad. We zitten eerst langs drukkere wegen, maar de routemaker heeft uiteindelijk toch weer een rustige weg gevonden. Zo komen we vrij gemakkelijk langs het centrum. Om in het centrum te kijken, moeten we helaas omhoog klimmen, maar we doen het toch. Want hoe vaak kom je nu in Poitiers?

De stad was in de Romaanse tijd bekend onder de naam Limonum en lange tijd is het een belangrijke stad en machtscentrum geweest. Daarom tierde het geloof hier ook welig en het stikt hier van de kerken en kathedralen. Wij bezoeken er twee.

De Notre-Dame-la-Grande, uit de 11e en 12e eeuw,  is een van de mooiere voorbeelden van de Romaanse bouwwijze. De voorgevel is als een stripverhaal voor de, vaak, ongeletterde pelgrims. Er is ontzettend veel op te zien en niet zo verminkt door de Franse revolutie. Vroeger waren de kerken van binnen vaak heel kleurig. In de loop der tijd zijn al die kleuren vervaagd en zien we meestal gewoon het steen. In deze kerk hebben ze dit weer hersteld. En het wordt er een stuk vrolijker van.

Ook gaan we even bij de St. Pierre kathedraal langs. Deze is in een afwijkende gotische stijl gebouwd. Ook hier weer een mooi portaal en veel kleurtjes binnen.

Poitiers uitkomen is ook weer klimmen en er zijn geen mooie rustige weggetjes. We zitten een kilometer of 20 op drukke D-wegen. Het is spitsuur en het verkeer raast behoorlijk langs ons heen. Niet zo leuk dus. De vermoeidheid begint mee te spelen. Hier zitten geen campings in de buurt dus via booking.com heb ik een mooie kamer geregeld bij een landhuis.

Als we er aankomen, is het een oase van rust. Dat is net wat we nodig hebben na alle campings langs snelwegen en sporen de laatste tijd. Het is van binnen ook smaakvol ingericht en omdat we de enige gasten zijn, krijgen we de grootste kamer. Er is een aparte eetkamer met keuken die we mogen gebruiken, een zitkamer en buiten is een prachtige tuin. Ik geloof dat we de locatie voor een rustdag gevonden hebben.

Dag 23:

Na meer dan drie weken fietsen met maar één rustdag is het lijf moe. We merken dat alles moeizamer gaat maar ook dat je de interesse begint te verliezen in je omgeving. En dat terwijl hier zoveel mooie dingen te zien zijn. Vandaar dat een rustdag af en toe noodzakelijk is. Het moet tenslotte ook nog een beetje op vakantie lijken, nietwaar?

Toch fietsen we vandaag nog een dikke 16 kilometer. Want we hebben boodschappen nodig voor het eten en de dichtstbijzijnde winkel is acht kilometer verderop. En zonder bagage is dit heel makkelijk fietsen voor ons.

De rest van de dag werk ik de verslagen wat bij, smeer de kettingen van de fietsen en kan er eindelijk weer een boek open. Vanavond koken we een lekker maaltje en dan kunnen we morgen weer fris op de fiets. Er is regen voorspeld, maar dat zien we dan wel weer.

End of part one

Only those who will risk going too far can possibly find out how far one can go. – T.S. Eliot

Dag 017:

We slapen onder een dakraam en daar hoor ik de hele nacht de regen tegen het raam kletteren. De voorspelling was al niet best en als ik ’s ochtends op de buienradar kijk dan zie ik dit:

Niet goed dus. Maar later op de dag kan het beter worden. We rekken het ontbijt wat. Dat is ook niet moeilijk met versgebakken brood en andere lekkere dingen. Maar uiteindelijk moeten we toch gaan. We vertrekken zonder regenbroek, maar voor we Chartres uit zijn, kan hij aan. Langs de route staat St. Jacobus ons uit te zwaaien.

Eigenlijk regent het de hele ochtend. Wel in varianten van lichte regen, zware regen en hele zware regen, dus eigenlijk gebeurt er altijd wat. De temperatuur is overigens ook weer in de enkele cijfers, dus dat helpt ook niet mee. Daarom zijn we blij dat we even in de kerk van Meslay-le-Grenet kunnen kijken. Daar is een unieke muurschildering van de dance macabre, aangebracht naar aanleiding van de 100-jarige oorlog en de pestepidemieën. Grote toeristische borden wijzen erheen en als we aankomen dan… is de kerk dicht. Hij blijkt alleen de eerste zondag van de maand ’s middag open te zijn. Onbegrijpelijk.

Wij ploeteren voort. Het is hier een erg landelijke omgeving. Hier doorheen fietsen is voor mij hetzelfde als op blote voeten door een labyrint te gaan. Het voortdurende trappen, de druppels op mijn gezicht en de verplaatsing is een uitstekende manier om het onkruid uit het hoofd te wieden. Het is hier mooi, maar de dorpjes zijn klein en er zijn geen voorzieningen. Er is dus geen gelegenheid voor een koffie binnen. Daarom zitten we weer eens in een bushok.

Tegen de middag begint het wat op te klaren. Dit wil niet zeggen dat het droog blijft, maar de zon schijnt net lang genoeg om mijn jas te drogen waarna hij weer nat kan worden. Toch genieten we van de omgeving en komen we zomaar een menhir tegen. Daar worden we altijd even blij van.

Bonneval is een oud vestingstadje met mooie huisjes, nog intacte stadspoorten en een Notre Damekerk. Maar we zijn er niet van onder de indruk. In St. Christophe staat een mooi voorbeeld van een versterkte boerenhoeve en in Dheury zien we de traditionele rieten daken. Zelfs de wasplaats heeft er een.

Er zit ons een flink onweer op de hielen. We redden het niet en schuilen dan ook even in het kerkportaal van Dheury. Na wat donder en regen kunnen we weer verder.

Aan het begin van Chateaudun hebben we weer een Airbnb geboekt. Tot nu toe hebben we er goede ervaringen mee, maar met deze ging de communicatie wat bijzonder.  We komen terecht in een achterafbuurt waar we de fietsen in een rommelgarage kunnen stallen. De kamer ziet eruit als een boudoir en we hebben het vermoeden dat hij soms gebruikt wordt voor buitenechtelijke ontmoetingen. Onderstaande foto is een van de dingen in onze kamer. Maar goed, er staan een paar lekkere stoelen, het bed is schoon en goed en we kunnen gebruik maken van de keuken om onze maaltijd te maken. Morgen wordt het hopelijk mooi weer en kunnen we in de tent.

Dag 018:

We hebben geen spijt om deze Airbnb te verlaten. Ondanks dat we goed geslapen hebben, voelde het hier niet goed. Het is stralend weer, dus vanavond weer in het tentje.

We gaan eerst nog door Chateaudun heen. Gisteren hebben we nog niets gezien van de stad, maar dat wordt nu ruimschoots goedgemaakt.
Het stadje is gebouwd rondom een kasteel op een kalkstenen heuvel van 60 meter hoog. Lange tijd de residentie van het graafschap Dunois. In de 15e eeuw woonde Jean Dunois hier. Hij was de Jon Snow in de strijd tegen de Engelsen en vocht samen met Jeanne d’Arc tegen hun. In 1723 brandde de stad als een fakkel waarbij alleen het chateau en de kerken bleven staan. Bij het opnieuw opbouwen hebben ze voor een strak stratenpatroon gekozen. We komen nog wat authentieke straatjes en huizen tegen. De donjon is uit de 12e eeuw en 30 meter hoog. Een van de grootste en oudste in Frankrijk. Al met al is het een imposant optrekje.

Wij dalen af en komen al snel bij Le Loir (niet te verwarren met de Loire). Dit riviertje volgen we bijna de hele dag. We zitten hier in kastelen-land en dat is duidelijk te merken. Er is er altijd wel een in het zicht. Bij Montigny-Le-Gannelon komen we weer zo’n lekkere jongen op een heuvelrug tegen. Deze keer is het Chateau du Prince-duc de Montmorency. Het staat deels in de steigers. Mooi dat ze dit erfgoed zo onderhouden.

Cloyes-sur-le-Loir was een voormalig vestingstadje dat vroeger een etappeplaats was voor pelgrims. De naam van de herberg herinnert hieraan. Ook de kerk heeft een grote schelp in het glas-in-lood raam en een oud St. Jacobsbeeld. Die kan wel een likje verf gebruiken. Een kilometer naar het zuiden  ligt de Chapelle Notre Dame d’Yron. Onder aanvoering van de herder Estienne uit Cloyes vertrokken hier in de 12e eeuw zo’n 20.000 kinderen op kruistocht naar het heilige land. Niemand keerde terug. Hierop is het boek Kruistocht in Spijkerbroek gebaseerd.

Wij hebben een makkelijke fietsdag. De wind geeft een duwtje in de rug, de zon schijnt en de route gaat voornamelijk parallel met de heuvels. Weinig klimwerk vandaag zo langs de Loir. We passeren dorpjes als Morée, Fréteval en Pezou. Die hebben allemaal weer een bijzondere kerk en mooie oude straatjes. Maar daar hebben we er even genoeg van gezien. We zitten liever langs de Loir met een boterham en een bakje koffie.

Zo komen we vroeg in de middag bij Vendôme. Een schilderachtig plaatsje aan de Loir waar van alles te doen is. Maar daarover morgen meer.

We maken er een korte dag van en gaan lekker naar de camping. De tent is blij dat hij eindelijk weer uit het zakje kan en we vinden een mooi plekje in de zon. Omdat we zo vroeg in het seizoen zijn, staan er alleen een paar campers op het terrein. Enige nadeel is dat het hier wat lawaaierig is door de aanpalende snelweg. Toch besluiten we hier een rustdag te nemen. Daar zijn we wel weer aan toe na een week fietsen en het weer blijft nog even mooi. Dat geeft ons morgen ook alle tijd om Vendôme te bekijken.

De camping heeft een wasmachine. Na twee weken onderweg begint alles wat te ruiken. Wassen lukte wel met al die regen. Daar hoefden we haast niets extra voor te doen. Maar het drogen was een probleem. En als de mensen naast je in de winkel met hun neus beginnen te trekken, dan weet je dat het tijd. Afijn, na twee wasjes kunnen we voorlopig weer vooruit.

Dag 019:

De nacht doet rare dingen met je. We hebben ons voorgenomen om ons niets aan te trekken van het lawaai van de snelweg. Maar in je slaap heb je er toch last van als de vrachtwagens telkens langs denderen. Dus terwijl het nog donker is, besluiten we vandaag weer op pad te gaan. Daarnaast is het vannacht best koud en dat merken we in onze botten, gewrichten en rug. Toch gaat er niets boven in het tentje slapen en zo lang het weer niet te koud en te nat is blijven we dat doen.

We beginnen met een bezoekje aan Vendôme. Het blijkt een alleraardigst stadje te zijn. Op de een of andere manier hebben we een onzichtbare grens overgestoken van Noord-Frankrijk naar een meer mediterrane Midden-Frankrijk.

In de Gallo-Romeinse tijd heette het hier Vindocinum (witte berg). In de 11e eeuw werd hier een kasteel en een Triniteitsabdij gebouwd.

Het verhaal gaat dat St. Martin hier een stervend kind, in de armen van zijn moeder, tot leven wekte. Als zo’n hartverscheurend verhaal niet als een pelgrim-magneet werkt, dan weet ik het ook niet meer. En dat deed het ook. De stad is nu een belangrijk pelgrimsoord. En er is hier genoeg te zien. We kijken eerst naar de abdijkerk St. Trinité. Deze heeft een prachtige façade in laatgotische stijl.

Aan de Rue de St. Jacques staat nog de Jacobskerk. Maar afgezien van de naam zijn er geen sporen meer die ons herinneren aan onze grote leider. De kerk is nu een multifunctioneel centrum en ze zijn er net een expositie aan het inrichten. Het dak van de kerk is wel het bekijken waard. Het is net een schip op zijn kop en de dwarsbalken ontspruiten uit krokodillenbekken.

Aan het Place de St. Martin staat de vrijstaande Tour St. Martin. Dit is de 15 -eeuwse klokkentoren van een verdwenen kerk. Het is een van de mooiste (bij elke beschrijving staan weer superlatieven) van Frankrijk en het voorbeeld voor de klokkentoren van Chartres, die we een paar dagen eerder zagen.

Aan het pleintje staan nog een aantal oude vakwerkhuizen. Op nummer 24 zien we het beeld van St. Jacques en St. Martin.

Daarmee hebben we de bezienswaardigheden van de dag gehad. Het is prachtig weer en een harde wind in de rug doet ons de schamele 35 kilometer moeiteloos overbruggen. We genieten van het landschap en zelfs de meerdere route barrées kan ons niet van koers afkrijgen. We navigeren moeiteloos om de werklui heen.

Dan brengt ons vroeg in de middag in Chateau-Renault op een mooie, rustige municipal waar we voor € 9 een nachtje kunnen staan. We lopen even naar de Intermarche voor de boodschappen. Het stadje lijkt alleen te bestaan uit snelwegen en rotondes. Misschien dat we morgen, aan de andere kant van de snelweg, een beter beeld krijgen. We zien alleen het chateau, waar de stad zijn naam aan ontleent,  nog op de heuvel liggen. Inmiddels hebben we al een heel gasblik opgekookt, maar gelukkig kunnen we hier bij de Bricolage een nieuwe krijgen. Kunnen we weer twee weken vooruit.

De rest van de middag wordt in gepaste, en verdiende, rust doorgebracht. Wordt het toch nog een beetje een rustdag.

Dag 020:

Bij het verlaten van Chateau-Renault verandert onze mening niet. Hier is niets te zoeken. Mocht je hier ooit in de buurt komen, getroost je de moeite en rijdt snel door.

Vandaag hopen we minimaal Tours te halen en het eerste deel van het Santiago deel af te ronden. En ik kan alvast verklappen; dat lukt. We hebben weer een mooie landelijke route waarbij we veel versterkte boerderijen en chateau’s te zien krijgen. En er is wederom een harde wind in de rug. Ik vraag me af of het hier altijd zo waait. Wij vinden het in elk geval niet erg.

Ik vind het altijd knap dat de routemakers weggetjes weten te vinden waarmee je ongemerkt een grote stad binnenkomt. Ook hier is dat weer zo. We zitten een hele tijd op een voormalig treintraject dat ze als voie-verte hebben omgebouwd tot fietspad.  Zo fietsen we hier een hele tijd op de vroeger spoorbaan langs de Brenne. Geheel vrij van auto’s en mooi landelijk.

Het is hier een kalksteengebied. Dat merk je aan de huizen, de wegen en aan de heuvels. In Rocheberon zijn er in de hellingen vroeger grotwoningen uitgehakt. Tegenwoordig wonen hier geen mensen meer maar ze worden, als caves, gebruikt voor opslag van goederen. Hoog aan de monding van de Bedoire staat de Rochecorbon, een wachttoren uit de 15e eeuw.

Ook bij Tours, toch geen kleine plaats, zijn er voldoende fietspaden om de stad ongemerkt binnen te komen. Inmiddels zij we bij de Loire (niet te verwarren met de Loir) aangekomen en de Loirehangbrug leidt ons bijna rechtsreeks naar de kathedraal.

Ik had gezegd dat ik was uitgekeken op kerken, maar een mooie kathedraal krijgt me nog wel uit het zadel. En die van Tours is de moeite waard, al is het alleen maar om de stempel.

Tours was, en is, een belangrijke verzamelplaats voor pelgrims. Wij zien er dan ook meteen meer omdat allerlei routes hier samenkomen. De kathedraal heeft een hele historie. Een belangrijk figuur in deze historie is St. Martin, die wij beter kennen als St. Maarten. Je weet wel, die zijn mantel deelde en tegenwoordig de beschermheilige van de tandartsen is. Hij had hier een enorme tombe, maar die is verwoest. Later heeft hij een nieuw plekje gekregen in de basiliek. Meer details kun je op wikipedia kunt lezen. Wat wij leuk vinden om te zien is dat je de verschillende bouwstijlen terug vindt omdat de bouwtijd zo lang was (13e-16e eeuw). Onderaan is het Romaans, in het midden de flamboyante gotiek en bovenop renaissance  koepels. Ik vind de buitenkant dan ook mooier dan de binnenkant, ondanks de grote hoeveelheid gebrandschilderde ramen.

Tours is een leuke, gezellige stad. We fietsen nog even het centrum in om de oude huisjes te bekijken en een ijsje te eten aan het Place Plumereau. Ja, een ijsje. Het is inmiddels zo warm, dat ik in T-shirt fiets en we zin hebben in ijsjes.

Hiermee zijn we ook aan het einde gekomen van het eerste deel naar Santiago. Een kleine 1200 kilometer vanaf Baflo. Dit boekje kunnen we naar huis sturen.

Wij besluiten niet in Tours te blijven hangen. Als we een tijdje op fietsreis zijn, krijgen we steeds minder behoefte aan steden en meer behoefte aan het platteland. We slaan de camping in Tours over en nemen de volgende in Veigne. Dat blijkt een leuke camping te zijn met een erg grappige eigenaar. We vinden een mooi plekje. Het waait alleen wat hard, maar tegen de avond gaat hij liggen. Nu maar hopen dat het vannacht ook wat minder koud is. Want afgelopen nacht moest ik er wel drie keer uit om te plassen en dat was een bitter koude bedoening.

Het leven is een labyrint.


The first condition of understanding a foreign country is to smell it. – Rudyard Kipling

Dag 015:

Onze gastvrouw Cecile was gisteren heel erg behulpzaam en verzorgend. Maar vanochtend blijft ze liever in bed liggen. Ondanks dat we meerdere keren de trap afklossen, komt er niemand ons uitzwaaien. Maakt ook niet uit, we hebben weer een prima overnachting gehad.

Maar zonder ontbijt dus bij de eerste picknicktafel strijken we neer. Vannacht kletterde de regen omlaag, maar voor nu is het even droog. We smeren een broodje en zetten thee. Hier kunnen we weer een tijdje op vooruit.

Het weer is vandaag weer niet echt om naar huis te schrijven. Het is behoorlijk bewolkt. Af en toe vallen er behoorlijke buien. Die maken vlekken op mijn hagelwit humeur. Regelmatig staan we ergens in een bushok of in een portiek te schuilen. Pas na de middag wordt het echt droog en zien we de zon af en toe. Het zij zo. Ook het fietsen is een behoorlijke inspanning. We zitten weer boven de 700 hoogtemeters en ondanks de magere 64 kilometer komen we pas na vijf uur aan. Toch gaat het fietsen lekker. We gaan gestaag de hellingen op en zijn wel moe aan het einde van de dag, maar niet uitgeput.

Vandaag is er niet zoveel te zien. In het boekje worden wel wat dingen genoemd, maar die hebben meer met de route te maken dan met de bezienswaardigheden. Zelfs de kerken trekken hier geen aandacht meer. We passeren de Seine, en komen in het gebied waar de forenzen uit Parijs wonen. Het is hier dus een stuk drukker met de auto’s dan eerder deze week. We vervelen ons echter niet. Het golvende landschap, de uitgestrekte akkers, her en der een dorp en de kronkelende wegen zijn een lust voor het oog. De dorpen zijn mooi met hun oude huizen. Er zijn weer bankjes en voorzieningen.

We hebben vandaag weer een Airbnb. Er is maar één camping in dit traject en op internet zie ik dat deze gesloten is. Dat is jammer, want ik wil wel weer kamperen. Maar het is ook goed want we hebben een kamer in een prachtig landhuis met heel veel faciliteiten. En we hebben een rond bed. De enige andere keer dat ik in een rond bed lag, was bij Ria. Natuurlijk niet met Ria. Ik lig alleen met Mevr. van der Veeke in bed.

Soms vragen mensen wat er dan zo fijn is aan het fietsen. Zij zien alleen de regen, de wind en het afzien. Maar het fietsen heeft eigenlijk heel veel voordelen.

Als je fietst, dan ben je eigenlijk continu op vakantie, want je hebt geen reistijd. De reistijd is vakantie en de vakantie is reistijd.

Door op de fiets te reizen, zit je echt in het landschap. Je hoort alles, je ruikt alles en je gaat net langzaam genoeg dat je ook alles ziet en ervaart. En dat heb je niet als je in de auto reist. Dan ga je door het landschap.

En ja, je moet heel vaak een berg op. Maar daar staat tegenover dat je net zo vaak een berg af mag. Er gaat niets boven een lange afdaling. Of een steile afdaling waarbij je de berg afsuist. En als bonus krijg je er prachtig gespierde benen van.

Er gebeurt de hele tijd wat. Het landschap verandert, de mensen zijn overal anders. Vaak roepen ze je na met aanmoedigingen. De taal verandert, het eten verandert en zelfs het wegdek is overal anders. Je leert genieten van deze kleine veranderingen en waardeert het als het goed of mooi is. Als het minder goed is, dan kijk je uit naar het moment dat het beter wordt.

Als je fietst, kun je eten wat je wilt. Elke ochtend gebak bij de koffie. Tussen de middag een extra broodje. Elke avond een biertje als je wilt en chips zoveel je op kunt. Het maakt allemaal niet uit, je fietst het er toch wel weer af.

En tenslotte, je slaapt elke nacht als een roos. Het is vaak vroeg naar bed en dan een heerlijke nacht. En ’s ochtends weer op tijd op zodat je weer een prachtige lange dag hebt. Zoveel voordelen van het fietsen, dan je niet snapt waarom iedereen het niet doet. En dan heb ik het nog niet eens over het milieu gehad.

En dan tenslotte het antwoord op de vraag waarom we nú fietsen. Als we te lang wachten dan gaat het allemaal moeilijker, dan krijg je wat lichamelijke ongemakken en voor je het weet val je in slaap op ongemakkelijke momenten.

Dag 016:

We hebben een erg leuke avond gehad met Sylvie en François. Na het eten presenteerden ze een kop koffie en hebben we in een mengeling van Frans en Engels boeiende gesprekken gehad. En zo zijn we veel meer te weten gekomen over het Franse leven. Sowieso is Airbnb erg leuk omdat je bij mensen thuis komt en ziet hoe ze leven. Als we ’s ochtends vertrekken maken we vaak een selfie met onze host. Zonder François, want die moest om vier uur al  aan het werk.

We maken er vandaag een korte dag van. Het is 40 kilometer naar Chartres en daar willen we graag even rondkijken. Met name de kathedraal schijnt de moeite waard te zijn en dan moet ik me maar even over mijn, tijdelijke, aversie van kerken heen zetten. De zon doet zijn best weer en we hebben een landelijke route. Het is ook wat minder klimmen dan de afgelopen dagen, dus de kilometers  gaan moeiteloos voorbij.

Onderweg is vandaag iets meer te zien. Waar we even stil bij staan is het chateau van Maintenon dat langs het riviertje de Eure staat. Dit is opgebouwd uit een oorspronkelijk feodaal kasteel door Madame de Maintenon, oftewel Francoise d’Aubigne. Zij was de maîtresse van Lodewijk XIV, maar uiteindelijk trouwde hij wel met haar. Om het kasteel heen werd een prachtig park aangelegd door de landschapsarchitect le Notre. En ook nu staat het kasteel er nog erg mooi bij. Mocht je er € 8,50 voor over hebben, dan kun je het ook nog bezoeken.

Achter in de tuin en ook daarbuiten zie je de restanten van het aquaduct, ook een leuk verhaal. Het zou 110 kilometer lang worden en moest de tuinen van het chateau van Versailles van water voorzien. Er werd in 1640 aan begonnen en op het hoogtepunt werkten er 30.000 mensen aan, voornamelijk soldaten. Maar na 40 jaar problemen omdat de soldaten naar een oorlog moesten en arbeiders ziek werden en/of gewoon wegliepen, is men ermee gestopt. En dat terwijl het bijna af was. Saillant detail is dat Lodewijk de XIV opdrachtgever was en door zijn eigen vrouw, Madame de Maintenon, aangeklaagd werd omdat het haar uitzicht bedierf.

Ondanks dat ze er alles aan doen om ons tegen te houden, komen we toch rond enen aan in Chartres. Overigens komen we dagelijks meerdere route barree tegen. Meestal doen we of we geen Frans kunnen en fietsen gewoon door. En meestal gaat dit goed.

We hebben een Airbnb in de stad geboekt. Er stond bij dat het zicht had op de kathedraal en dat klopt helemaal. Wat een kolos, zelfs van een afstand.

In 1146 begon Bernardus van Clairvaux (ja, daar is hij weer) een tweede kruistocht vanuit Chartres. Daardoor groeide het uit tot een belangrijke etappeplaats voor pelgrims. Ook kwamen ze omdat de maagd Maria haar hemd in de kathedraal had laten liggen.

De kathedraal is voor het eerst in de 12 eeuw gebouwd en daarna verwoest door Vikingen. Weer opgebouwd, afgebrand en daarna weer opnieuw gebouwd. Nieuw voor die tijd was dat ze een gewelf van 36 meter hoog bouwden. Ze maken stenen luchtbogen die het gewicht van de gewelven overbrachten op de steunberen. Grappig is om te zien dat de metselaar aan de ene kant van de boog er anders over dacht dan de metselaar aan de andere kant van de boog. Ze zijn verschillend gemetseld.

De kathedraal binnenin is zondermeer fraai te noemen. Heel veel glas-in-lood en men is bezig met de restauratie van de beelden. Je kunt duidelijk het verschil zien tussen een schoongemaakt gedeelte en een oorspronkelijk deel.

Ook in deze kathedraal weer een, in de vloer ingelegd, labyrint. Het is 12,5 meter in doorsnee en als je hem helemaal afloopt dan is het ongeveer 300 meter. Normaal staan er stoelen op en hij is alleen op vrijdag te belopen. Er zijn een hoop gekkies die dit doen. Zwaaiend met de armen, dansend, voetje voor voetje, in meditatie of trance, noem maar op.  Het wordt gezien als een symbool van je eigen levensreis. Ik heb er niets mee, maar het is boeiend om naar de mensen te kijken.

Chartres is niet zo groot en we zwerven dan ook nog even door de stad. Naast de kathedraal is er nog de kerk van St. Pierre, maar dat is een beetje een zielige vertoning. Het is duidelijk waar het geld wel en niet heen gaat. De stad heeft een hoop oude straatjes en gebouwen. Ook is er veel vakwerk te zien. We nemen het allemaal in ons op. En ja, het lijkt alsof we alleen zijn op de foto’s. Dat komt omdat we (nog) buiten het seizoen zijn er er nog weinig toeristen (zoals wij) zijn.

Tegen een uur of vijf begint het te regenen. Voor ons het sein om de kroeg in te gaan om de indrukken van Chartres te evalueren. Zes maanden per jaar zijn veel belangrijke gebouwen verlicht in Chartres. Maar dat begint pas na tienen en dat kunnen we niet opbrengen. Ons fietslijf moet dan uitrusten. Daarnaast nodigen de regenbuien ook niet uit. We vinden dit niet erg want nu hebben we nog een goede reden om terug te komen.