Sokken in de droogtrommel

We must learn to sleep on the pillow of doubt. – Alain de Botton

Dag 024:

We zijn weer helemaal uitgerust en we kunnen er weer tegenaan. Vandaag is de voorspelling regen. De hele dag. En die voorspelling wordt ingelost.  Helemaal. We vertrekken in regenpak en we komen aan in regenpak. Het weer is een van de dingen die ik niet onder controle heb, dus daar geven we ons aan over.

Ik las gisteren een mooi artikel over controle, geschreven door The School of Life. Ik ben van de planning. Dat was ik altijd in mijn werk maar ook in mijn privéleven houd ik ervan om de dingen nauwkeurig uit te zoeken. Ik pluis de routes na, kijk waar de campings liggen en waar de mogelijke problemen met overnachtingen kunnen ontstaan. Ik maak én bestudeer de hoogteprofielen. Ik kijk wat er overal te doen is en ik bereid de geocaches voor. Of, zoals Alain de Botton stelt; ‘I am trying to control the future.
Maar… wat Alain ook zegt is dat dit eigenlijk niet mogelijk is. Een groot deel van ons leven is in handen van het onbekende, het lot. Er zijn teveel verschillende mogelijkheden, kortom we moeten leren te vertrouwen op het onbekende. Nietzche, een andere grote filosoof, had grote bewondering voor de koeien. Ze konden gewoon in de wei liggen, af en toe een vlieg verjagen, wat op gras kauwen en elke minuut volledig beleven. Wij mensen zijn daar heel slecht in. En dat zouden we moeten verbeteren. Of zoals ik al eerder schreef, zijn als een koe in de wei. Overigens zijn er heel veel mensen die niets voorbereiden en zo gaan. Daar heb ik groot respect voor. Ik zou er niet gelukkig van worden, maar ieder moet het op de manier doen die hem of haar past.

In tegenstelling tot gisteren zitten we vandaag op bijzonder kleine landweggetjes a la campagne. Ondanks de regen is dit heerlijk fietsen. Door de rust, het getik op de muts en de monotone beweging van de benen kom ik in een soort van trance waarbij mijn gedachten kunnen ronddraaien als sokken in een wastrommel. De ene keer de grijze linkersok boven, de andere keer de blauwe rechter.

Het is geen weer om buiten koffie te drinken dus in Chateau-Garnier gaan we op zoek naar de commercie. We vinden een bakker annex mini-super die ook koffie heeft. En, als bakkerij, ook wat lekkers erbij. Ik ga voor de eclair en Mevr. van der Veeke neemt een mille-feuilles. Bij ons heet dat een tompouce. Mooi die vertaling van ‘duizend bladeren’ voor ons bladerdeeg. Zittend in de winkel zien we het dorpsleven van het Franse platteland aan ons voorbijtrekken.

Charroux is een wat grotere plaats. In de middeleeuwen was het zelfs de hoofdstad van de Marche streek. Er zijn twee bezienswaardigheden die meteen opvallen;
De verhoogde, overdekte markt uit de 16e eeuw en de St. Saveur, een open, achthoekige toren.  De toren is het enige wat overbleef van een enorme abdij uit de 11e eeuw. Deze abdij had in die tijd meer dan honderd relikwieën, waaronder een splinter uit het kruis van Jezus (vast wel..). Elk jaar trok dit wel 25.000 bedevaartgangers waaronder ook veel Santiagogangers. In de Honderdjarige Oorlog had de abdij veel te lijden maar de Franse revolutie deed hem de das om.

Voor ons is Charroux ook de belevenis van een nieuwe ervaring. We hebben de keuze tussen lunchen in een, nog te vinden, bushok of ergens binnen. In het dorp zie ik een bord staat met Plat du Jour. Ik hoor daar goede verhalen over, dus daar gaan we voor. De bar wordt gerund door een verdwaalde Ier. Er komen hier blijkbaar veel Engelsen en Ieren. We hebben eerder slecht gegeten maar bar L’ Abbey komt met stip in de top drie. Waarschijnlijk zaten er nog wat regendruppels in mijn ogen want achteraf kan ik niet geloven dat we hier zijn gaan zitten.
Als voorgerecht krijgen we iets dat wortelsoep zou moeten zijn. Het lijkt meer op opgewarmde potjes Olvarit. Op zich is dat niet erg want als het voor baby’s goed is, moet het ook goed voor ons zijn. Maar ze hebben waarschijnlijk de peperpot in de pan laten vallen want het is niet te eten. Ik heb nog nooit wat terugestuurd, maar nu sturen we de volle kommen weer terug. Het hoofdgerecht is fish and chips waarbij de fish een soort van vettige afwasspons is. Ik had gedacht dat je patat weinig fout kon doen, maar deze Ierse heer heeft me kunnen overtuigen dat dit niet waar is. Het toetje is een diepvries niemendalletje. Drieëndertig euro armer en een ervaring rijker stappen we weer naar buiten.

Het landschap verandert vanaf hier weer. Het wordt lekker glooiend en we moeten regelmatig flink klimmen. Dat is een voordeel want dan trappen we ons lekker warm. Het is vandaag weer 9 graden en dat houdt niet over. Maar klimmen betekent ook mooie afdelingen en zo rollen we Nanteuil-en-Vallée binnen. En in de volgende ervaring van de dag.

In het boekje lezen we dat hier een pelgrims-gîte beschikbaar is. De sleutel kun je ophalen bij de Mairie of het restaurant. Het is zaterdag dus de Mairie is gesloten. Daarom gaan we naar het restaurant. Daar doen ze alsof ze van niets weten en sturen ons naar de naastliggende slagerij annex groenteboer annex bakker. Ook daar vangen we bot. De slagersvrouw geeft aan dat het haar ‘verantwoordelijkheid’ niet is en dat we maar naar de Mairie moeten. Die dicht is. We fietsen het hele dorp af en vragen meerdere keren naar de Mairie en worden alle kanten opgestuurd. Tot op heden hebben we de Mairie nog niet kunnen vinden. Maar wel weer iemand die ons weer bij de slagersvrouw brengt. Ze blijkt de sleutel ineens wel te hebben maar de papieren niet. Langzamerhand wordt ik een beetje flauw van dit kastje naar de muur gedoe en begin wat ruzie met haar te maken. Dat, en het feit dat de rest van het dorp zich er ook mee bemoeit, zet haar aan tot het bellen van iemand (de Mairie?). En toen kwam het toch nog goed. Ze blijkt ook ineens de papieren te hebben en voor 20 euro hebben we een gîte in het dorp.

Wat is hier aan de hand? Heeft de middenstand liever dat we echte (duurdere) Chambre d’Hôtes of gîtes huren? Heeft de gemeente de zaak niet goed geregeld en is men daar flauw van? We kunnen alleen speculeren, maar vinden het niet juist dat dit over de rug van arme pelgrims uitgevochten wordt.

Door dit gedoe zou je haast vergeten wat een prachtig dorpje Nantieul-en-Vallée is. Ook hier heeft een abdij (de Notre Dame) gestaan. Die Santiagogangers onderdak en verzorging bood. Later is de abdij grotendeels geplunderd en verwoest door Engelsen. Nu zijn er alleen nog enkele restanten van de abdij. In de dorpskerk komen we St. Jacobus tegen in de ramen. En wat een speciaal plaatsje in het dorp heeft zijn de bronnen van Fontaine Saint-Jean. Wij zitten er met onze gîte vlak naast. Verder wemelt het hier van de prachtige straatjes en huisjes. Mocht je in de buurt zijn, dan is het een bezoek waard.

Dag 025:

Op sommige dagen is er meer te doen dan op andere dagen. Vandaag was niet zo’n spannende dag. Ook het boekje heeft niet veel meer te melden. Er worden zelfs dingen genoemd die ooit hebben bestaan, maar er nu niet meer zijn. Dat betekent dat je gaat kijken naar iets wat er niet meer is.
We hebben een flink stuk overbrugd en dat was knap vermoeiend. Ik zal straks uitleggen waarom. En het weer hield niet over. We vertrekken onder een grijze lucht. In de middag regent het, ’s middags hebben we wat zon en ’s avonds zijn er stortbuien.

Hebben we dan helemaal niets meegemaakt? Jawel hoor. We hebben een prachtig landschap gezien met heerlijk rustige wegen. Als je stil staat, hoor je alleen natuurgeluiden. In Jauldes kijken we even bij het Romaanse kerkje.

In de versieringen van het portaal spot Mevr. van der Veeke nog een heidense afbeelding verstopt tussen de anderen. Het is een vrouwtje met de benen wijd en een open ‘vizier’.  Waarschijnlijk een vruchtbaarheidssymbool. Het verbaast ons dat dit nog aanwezig is.

Angouliéme laten we links liggen en gaan we omheen. We komen wel langs de bron van het riviertje de Touvre. In het vennetje welt het water gewoon omhoog de grond uit. Onder de waterspiegel zitten grotten met rotsformaties.

De dag was knap vermoeiend omdat we behoorlijk wat hoogtemeters maken. Voor de niet-fietsers, dat zijn de klimmeters. De meeste viaducten zijn een meter of vijf hoog. Dat zijn dan vijf hoogtemeters. Wij hadden er vandaag 900. Zijn we dan 900 meter omhoog gegaan? In principe wel maar niet helemaal. Op het laatste stuk zag ik hoe het werkte. We moesten volgens het profiel 100 klimmen. Omdat het landschap zo golft, gaan we eerst 40 meter omhoog, maar dan weer 20 naar beneden. We stijgen vervolgens weer 30 meter maar zakken er 10. En zo gaat dat even door. Om de 100 meter te stijgen klimmen we in werkelijkheid 200 meter.

We eindigen in Ronsenac. Ik heb daar een Airbnb geboekt bij Ann en Martyn, een Engels echtpaar dat renteniert in Frankrijk. Er blijken hier veel Engelsen te zitten zoals we al eerder constateerden. We hebben onderweg niet kunnen eten maar er zit een Engelse pub, Jimmy,  in het dorpje. Hier kunnen we eten. We vrezen het ergste na het debacle bij de Ierse pub, maar mevrouw Jimmy kan lekker koken. We hebben een heerlijke Spaanse kip, rijst en salade.

Ronsenac bestaat al heel lang en lag aan de Romeinse weg van Perigueux naar Saintes. En er is een koude wensbron. Hier welt al vanuit de middeleeuwen water omhoog. Wij nemen de gelegenheid te baat, gooien er een muntje in en doen een wens. Je weet maar nooit.

Dag 026:

Met een uitgebreid ontbijt, samen met Ann en Martin, achter de kiezen, is de eerste klim een makkie. Vandaag weer veel kleine rustige weggetjes, maar er is een leuke onderbreking in Aubeterre-sur-Dronne. Dit dorpje wordt gezien als een van de mooiste van de streek en het is inderdaad een plaatje.

Daarnaast zijn er hier zijn twee bijzondere kerken.

De eerste is de Eglise Monolithe St. Jean. De bijzonderheid zit hem dat hij compleet uitgehakt is in de bergwand. En dan hebben we het niet over een kleine ruimte. Want om 27 bij 16 bij 20 meter uit te hakken moet je flink aan de bak. En in de 12e eeuw waren er weinig mechanische hulpmiddelen dus alles moest met de hand. Wij vergapen ons aan de enorme ruimte. Ook de doden werden in de kerk begraven. Hiervoor werden smalle sarcofagen in de vloer uitgehakt. De mensen werden daar, in een kleed gewikkeld, in smalle spleten gelegd. Binnenin staat een achthoekig gebouwtje, een reliquary, waarin de relikwieën, bewaard worden. Veel pelgrims kwamen hier bidden. Volgens de legende gaf dat bescherming. Daarom mogen de pelgrims, dus ook wij, gratis naar binnen.

De andere kerk is de St. Jacques, ook uit de 12e eeuw. Van binnen redelijk sober maar het beeldhouwwerk, met Spaans-Moorse invloeden, aan de buitenkant, is de moeite waard.

Via de pelgrimsweg gaan we naar het zuidelijker gelegen Bonnes en St. Auleye. We willen graag wat boodschappen doen want dit zijn de enige dorpjes die we vandaag tegenkomen. Maar na twaalven is niets meer open. Dan maar verder zonder boodschappen.

De route gaat verder door het groene Fôret de la Double. Vroeger was dit een onherbergzaam gebied met veel wilde dieren en nattigheid. Mensen leefden hier in erbarmelijke omstandigheden en er heerste zelfs malaria. De monniken van de abdij van Echourgnac hebben het gebied ontwaterd zodat het wat toegankelijker werd. Het zijn stille wegen want we komen nauwelijks een auto tegen. Fietsten we vanmiddag nog in T-shirt in de zon, hier worden we overvallen door een wolkbreuk. Voor het eerst heb ik het water in de schoenen staan.

Wat me een beetje tegenvalt tot nu toe is dat we zo weinig kunnen kamperen. Er zijn weinig campings langs de route en vaak ook nog gesloten. Dat vind ik jammer want de vrijheid van een tent is heerlijk. Ook nu ben ik weer terug gevallen op een Airbnb. Weliswaar was hij met €23 niet duur, het blijkt ook minimaal te zijn. Alleen een kamer met een bed. En er is een douche beschikbaar. Na wat woorden kan gelukkig ook de kachel aan. Maar goed, het is goedkoop.
Er is geen gelegenheid om te koken en onderweg hebben we geen boodschappen kunnen doen. Het eten bestaat dus uit een cup-a-soup en de laatste korstjes brood van gisteren. Een karig maal dat we buiten moeten maken omdat er in de slaapkamer geen gelegenheid is. Eigenlijk is dit te weinig om deze fietsprestatie te kunnen leveren. Maar morgen plunderen we de eerste supermarkt of bakkerij en dan halen we alles weer in.

Dag 027:

Zonder ontbijt glippen we de deur uit. Het is mistig en koud, de voorbode van een mooie dag. Maar dat duurde langer dan gehoopt. In le Pezou doen we boodschappen en bij de eerste gelegenheid stoppen we om het ontbijt in te halen.

Voor vandaag hebben we besloten er een kortere dag van te maken. Ik heb contact gehad met Tiffany, onze gastvrouw van vanavond. We mogen eerder komen en gebruik maken van de wasmachine. En dat is ook echt wel weer nodig. In eerste instantie denk ik dat we veel te vroeg aankomen maar het landschap is weer vermoeiend fietsen en het schiet niet echt op. Er is wel genoeg te zien onderweg.

We komen zo langzamerhand in het gebied van Bordeaux. Als dat je niets zegt, dan prima. Als het je wel wat zegt dan houd je waarschijnlijk wel van een glaasje wijn. Daarnaast wemelt het gebied hier van de chateaus. Nou zijn sommige kastelen best imposant zoals ze boven op een heuvel liggen. Het kasteel van Francs is bijvoorbeeld een stevige kerel. Maar ook die van Monbadon mag er zijn.

Sommige kerken kunnen zo in Game of Thrones. Het is dat er asfalt voor ligt, maar ik zie hier zo the high sparrow uit de deur komen. Dit is overigens het kerkje in Tayac. Uit de 16e eeuw.

Maar ook Montagne heeft een overschot aan kerken. In het dorp de Romaanse St. Martin, maar even verderop staat de St. George uit de 11e eeuw. Het bijzondere van deze kerk is dat hij op Romeinse resten is gebouwd en dat de onderkant van de toren smaller is dan de bovenkant. Waarschijnlijk heb je een meetlat nodig om dit te bepalen, want ik zie het zo niet.

Inmiddels zitten we tussen wijnvelden zover het oog rijkt. We zien ook een hoop bedrijvigheid tussen de druivenranken. Snoeien, wieden en wat er verder nodig is om water in wijn te veranderen. Ook heet elke boerderij nu ineens een chateau. En overal kun je proeven en kopen.

In St. Emilion komen we voor het eerst een beetje toeristische drukte tegen. Er zijn veel mensen op de been en er staan voor het dorp veel auto’s geparkeerd. Tot nu toe waren we vaak alleen of met een verdwaalde toerist. St. Emilion is een tourist-trap en dan voornamelijk voor de wijnliefhebbers.  De helft van de winkeltjes bestaat uit het proeven en kopen van een specifieke wijn. Maar er is meer te zien in St. Emilion.
Het is ook van oudsher een pelgrimsoord voor Compostellagangers die St. Emilion bezochten om hem te vereren én voor het bezoeken van de monolitische kerk, de Madeleine, die hier uit de rotsen is gehakt, net als de kerk een paar dagen geleden. Bezoeken lukt ons niet want een tour duurt twee uur en we hebben een was-afspraak bij Tiffany. Maar de buitenkant is mooi, het uitzicht is mooi en de straatjes zijn mooi. Er is hier alleen niet te fietsen door al die klinkers.

Inmiddels heeft de zon alle verlegenheid laten varen en is het zweten in zoveel kleren. Begonnen we vanochtend met 9 graden, nu is het boven de 23 graden. Tussen de wijngaarden door zweten we ons een weg naar Tiffany in Faleyras. Zij heeft de wasmachine klaar staan voor ons en morgen fietsen we weer in frisse kleding.

Noot:
Op deze pagina kun je een kaartje vinden. Daarom houd ik (bijna dagelijks) bij waar we geweest zijn, wat de route was en waar we nu zijn. Handig als je genoemde plaatsen terug wilt zoeken.