Nomaden

Paradise is not a location. It is an attitude of the mind — Christopher Titmuss

Dag 40

We zijn weer op tijd op pad. Bij de Auberge in de tuin sliep het op zich prima, maar we hadden een erg vervelende lantaarnpaal naast de tent staan. Die had zo’n fel licht dat ik zelf met gesloten ogen zag dat hij aansprong en na 15 seconden weer uit. Dat gebeurde ongeveer elke minuut. Als je slaapt, dan heb je daar geen last van, maar als je wakker ligt, dan is dat heel vervelend. Maar los daarvan was het hier prima vertoeven.

We komen nu in een gebied waar de wegen kaarsrecht lopen. Vanuit Los Arcos kun je Torros del Rio zo’n beetje zien liggen.

’s Ochtends gaan we altijd eerst op zoek naar boodschappen voor de dag. Wat brood, kaas en worst. Dit moet op tijd want de vraag is wanneer we (weer) wat tegen komen. Daarnaast is alles gesloten tussen twaalf en vier. In de kleinere dorpjes moet je heel alert zijn op waar de winkel is, want je herkent hem vaak niet. Zo ook in Sansol. Ze hebben er van alles en je kunt er zelfs koffie drinken. Het is dan wel Senseo koffie, maar toch.

Veel van de dorpen zie je al van verre. Ze liggen op een heuvel in het landschap of gewoon een hoopje huizen bij elkaar. Vaak gecentreerd rond een kerk of een klooster of abdij. Dit is Torros del Rio waar we langs komen.

Logrono is eigenlijk de eerste grote Spaanse stad die we tegenkomen. Het doet me een beetje denken aan Madrid waar ik een half jaar heb gewerkt. Logrono is een mooie, welvarende stad. De gebouwen zien er netjes uit, er is weinig leegstand en er worden volop flats in de buitenwijken gebouwd. Logrono is nu de drukke hoofdstad van de Rioja, je kent het wel van de Spaanse wijn. We komen langs de Santa Maria de Palacio (uit de 13e eeuw) en wippen toch even naar binnen. Ook hier een overvloedige hoeveelheid goud. Als ooit de temperatuur gaat stijgen in Spanje, dan stroomt het goud hier van de muren in de straten en de goten. Je kunt de welvaart van een stad ook afmeten aan de parken. Wij komen door een mooi groen park waar de grasvelden ook overdag nog gesproeid worden. Leuke stad, dat Logrono.

Het nadeel van een grote stad is dat het er druk is en dat de wegen meer gericht zijn op de auto’s. Wij volgen een stuk de wandelweg die ons mooi de stad uit leidt en langs het stuwmeer. Het voordeel is dat hij lekker rustig is, maar we moeten er wel flink voor klimmen. Op zich niet erg, want dan heb je ook weer een afdaling.

In Navaretta houden we een lange stop. Daar komen we Ria ook weer tegen, die graag op zichzelf fietst. Het is weer ruim boven de 30 graden en dan heeft een terras in de schaduw met een koel drankje magnetische krachten. Wij doen dat in Navarrete waar we tegenover de monumentale kerk La Asunción zitten. Ook hier weer een partij goud waar the Pirates of the Carabean jaloers op zijn. Maar goed bewaakt door Jacobus. Wat je hier ook veel ziet is een liggend beeld van Jezus in een glazen kastje. Mensen raken die even aan. Waarschijnlijk een teken van devotie.

We eindigen vandaag op de camping in Najera. Deze ligt in een voormalige arena en het is een mooi plekje, ondanks dat de camping zelf behoorlijk gedateerd en verlopen is. In de super hebben we onze eigen tapas, wijn en bier gehaald. Zo brengen we een rustige avond door waar ik geen tijd heb voor het verslag. Als het donker wordt en de muggen de avond claimen, duiken we in de slaapzak. Het nomadenbestaan bevalt tot nu toe goed.

Dag 41:

Als we Navarreta verlaten zien we de grotwoningen nog liggen. Waarschijnlijk hebben hier vroeger mensen gewoond. Verder kan ik er niets van vinden op internet.

Vandaag is het vooral veel fietsen en er is niet zoveel te zien onderweg. Daarom zijn we blij als we een stenen puntmuts zien staan in het veld. Het blijkt een GuardaViñas te zijn. Een stenen hutje, specifiek uit dit gebied om te schuilen bij slecht weer.

De andere attractie van de dag fietst met ons mee. Mevr. van der Veeke heeft gisteren bij een Action-achtige winkel een sombrero gekocht voor €1,95. Daar heeft ze de bovenkant uit geknipt en  dit restant heeft ze op de fietshelm bevestigd. Zo heeft ze meer schaduw op het gezicht en hebben we bij elke stop aanspraak van de lokale bevolking. Het doet me denken aan een oude tv-serie van de vliegende non. Ik weet niet goed wat ik ervan moet denken. Is dit een geniale vondst waar iedereen straks mee fietst of denkt men dat ik met de dorpsgek uit Baflo op stap ben?

Santo Domingo de la Calzade is een grote plaats waar we doorheen komen. Hier maken we in een parkje in het centrum een boterhammetje. En dan kan gelijk de tent even drogen. Tijdens de siesta is het altijd erg rustig, dus niemand heeft last van ons.

Santo Domingo heeft ook weer een hoop geschiedenis. In de kerk wordt een levende haan en kip gehouden. Dit heeft te maken met een legende. Een familie met zoon was op reis naar Santiago. In dit stadje werd overnacht in een herberg en de dochter van de waard was niet vies van de zoon. Maar de zoon zag dat niet zitten, je bent tenslotte niet voor niets op weg naar Santiago. De dochter had wat moeite met deze afwijzing en verstopte haar tafelzilver in zijn tas om hem vervolgens van diefstal te beschuldigen. De straf daarvoor was ophangen en zo geschiedde. Vader en moeder helemaal in de mineur maar gaan toch –te voet- naar Santiago. Op de terugweg komen ze weer door Santo Domingo en de zoon blijkt daar nog steeds (uit) te hangen. En na zoveel weken aan de galg leeft hij ook nog. Pa en ma zoeken de rechter op die hun niet gelooft. Hij zegt dat de zoon net zo levend is als de gebraden kip op zijn bord. Blijkbaar was die niet goed aangebakken, want hij komt weer tot leven en vliegt weg. Grote consternatie, zoon krijgt pardon en een legende is geboren. Het laat mij wel met een hoop vraagtekens achter, maar daar denk ik nog over na.

Wij fietsen daarna met een grote boog naar Belorado om de drukkere N120 te vermijden. Er steekt een behoorlijke wind op en die hebben we tegen. Dit, in combinatie met de eindeloos lange wegen, brengt grote wanhoop bij me teweeg. Het is ronduit ploeteren. Ik geloof dat ik liever een steile berg op rijdt, dan dit. Want dan weet je dat je daarna een afdaling hebt. En bij tegen wind heb je niets wat je opbouwt. Ik zie het einde niet dichterbij komen en we doen over de 12 kilometers bijna anderhalf uur. Ik kom totaal gesloopt aan. Het voordeel is wel dat het door de wind niet te warm is. En we hebben vandaag een pension geboekt dus we hoeven geen tent op te zetten. Ria slaapt elders in de stad en zij zoekt een restaurant uit waar we voor €11 een culinair hoogstandje eten. Morgen is er regen voorspeld en zakt de temperatuur 15 graden. Ook dan gaan we de Tiera de Campos op, een soort hoogvlakte die bekend staat om zijn tegenwind. Ik hoop dat we daar niet teveel last van gaan krijgen.

Dag 42:

Geen wind maar wel regen, de hele nacht, en ook ’s ochtends regent het nog flink. We talmen wat omdat  we op een warme kamer zitten maar uiteindelijk moeten we er toch aan geloven. Ik heb weer vier lagen kleding aan, inclusief regenpak en regenschoenen. De temperatuur is 25 (!) graden lager dan gisteren en komt niet boven de 5 graden uit.
De route mijdt de drukke N120 en daar zijn we blij mee. We zitten er een stukje op en daar wordt je niet vrolijk van met al dat vrachtverkeer. En zeker niet in de regen. We kiezen een rustige weg door de groene Montes de Oca. Het is wel wat om maar dat hebben we er voor over.

De rest van de dag is het broek-uit-broek-aan weer. Je regent helemaal nat en je droogt weer op. Dan krijg je het in een klimmetje te warm, dus de regenbroek gaat uit. Niet snel daarna gaat het weer regenen en moet de regenbroek weer aan. Herhaal dit elk uur en je weet hoe onze dag eruit ziet.

Door de regen maak ik weinig foto’s en hebben we, behalve het landschap, weinig te zien. In San Juan de Ortega stoppen we even bij het klooster en de romaanse kerk. Meer om een broodje te eten dan om dit te bekijken.

Burgos is weer een grote stad. Ik heb een Airbnb geboekt op loopafstand van het centrum. We willen de kathedraal bekijken en een indruk van de stad krijgen. En dat lukt. Burgos is een stad met veel winkelstraten die autovrij zijn. Positief afwijkend van de andere (grotere) Spaanse steden die we gezien hebben. De kathedraal bekijken we via een bliksembezoek want het is bijna sluitingstijd. En dat is jammer want er is ontzettend veel te zien. We eten op authentieke Spaanse wijze in een tapasrestaurant. Je bestelt wat hapjes en drankjes aan de bar. Het is er erg druk met Spanjaarden en het eten is ook erg goed. Nu missen we alleen het avond-flaneren nog, want daar is het wat te koud voor vandaag.

Dag 43:

Het leuk van een Airbnd bij mensen thuis is dat je kunt zien hoe ze leven hier in Spanje. We zitten op een flatje, driehoog, bij Valerie. Ze heeft een heel klein woonkamertje, een keukentje en badkamer en drie slaapkamers. Daarvan verhuurt ze er twee. Omdat ze veel aan het werk is (als naaister), kunnen we het hele huis gebruiken. En vooral ’s ochtends is dat heel fijn. Zo kunnen we rustig opstaan en ontbijten. We vertrekken pas tegen tien uur. In Burgos gaan we langs de Decathlon want het gas is weer op. Ondanks dat het niet veel klimmen is, gaat het moeizaam vandaag. Daarom maken we er ook een relatief korte dag van.

Ik vraag me af wanneer je stopt om een toerist te zijn en een reiziger wordt. Bij de laatste gaat het meer om het onderweg zijn en minder om de dingen te zien. Ik heb het gevoel dat ik op het moment alleen maar ergens naartoe ga om er weer weg te kunnen gaan. Verder reizen lijkt belangrijker dan genieten van de dingen. De interesse voor de bezienswaardigheden is aan het afnemen. De zoveelste kerk met romaanse bogen en met goud bekleedt. En alweer een mooi landschap. Op een gegeven moment zie ik het niet meer en heb ik iemand anders nodig om te realiseren hoe bijzonder het is. Ik werkte in een prachtig gebouw maar ik had dat pas door als ik een bezoeker had die met open mond naar de prachtige (werk)omgeving zat te kijken. En eigenlijk is dat jammer, als de toerist in je verdwijnt. Er is nog zoveel moois te zien en het is goed je te blijven verwonderen. Mogelijk dat ook het slechtere weer van vandaag er invloed op had. En wat zeker meespeelt is de vermoeidheid. Als ik moe wordt, dan neem ik het allemaal niet meer op. Het is gewoon tijd voor een rustdag.

De landschappen waar we doorheen gaan, zijn prachtig. De geur van het land, het graan dat op de velden golft alsof het water is en de jubelende vogels. Door de afgelopen regen is het landschap kraakhelder en kunnen we heel ver kijken. Ondanks de vermoeidheid genieten we hier nog met straaltjes van.

Bij het naderen van Castrojirez rijden we onder de boog van het voormalige klooster van San Anton door. Het klooster is opgeheven en ze hebben de weg gewoon door de poort heen gelegd. Vroeger waren hier nissen waar ze brood en wijn voor late pelgrims neerlegden. De monniken waren goed in het bestrijden van de ziekte Antoniusvuur. Al in de 17e eeuw werd de orde opgeheven.

Castrojeriz ligt aan de voet van een heuvel met daarbovenop de restanten van een tempeliersburcht uit de 8e eeuw. De burcht heeft veel belegeringen doorstaan. Maar een aardbeving in 1755 was teveel en nu is het een ruïne.

Ik voel me al de hele dag niet goed. Duizelingen, rillingen en een knallende hoofdpijn. Ik denk dat ik gewoon griep heb. Goed dat we morgen een dagje rust nemen.

Dag 44:

De regen van de nacht heeft het tentje en de fietstassen weer lekker schoongespoeld. Het is hier nog steeds knap winderig. Westenwind, dus als we zouden gaan fietsen dan zouden we hem tegen hebben. Maar we gaan vandaag niet fietsen. Na een nacht koorts zou het ook een uitdaging worden. Het lijkt nu wat beter te gaan. Het lukt me zelfs om tot negen uur te blijven liggen.

Na het ontbijt lopen we even het dorp in. Het is ontzettend langgerekt (de hoofdstraat is twee kilometer lang) dus een flink stuk lopen. Maar het is fijn om even wat anders met de spieren te doen. Het is altijd al een belangrijke etappeplaats geweest van de camino. Vroeger had het acht hospitales, drie kloosters en zes kerken. Van de laatste zijn er nog drie over waaronder de Santa Maria del Manzano. Deze zie je prachtig liggen als je het dorp nadert.

Voor de rest zijn het wat verweerde straatjes en toch wel veel leegstand. Blijkbaar leveren de camino-gangers niet voldoende op om het complete dorp welvarend te houden. We zien wel dat de huizen langs de hoofdweg gerestaureerd en goed onderhouden zijn.

En wat ze hier hebben is nog een dorpsomroeper. Met een bel loopt ze door de straten. Als iemand het raam open doet, geeft ze de nieuwtjes door. We kunnen het niet precies verstaan maar we begrijpen wel dat Juan vandaag ziek is.

Het is lekker om een beetje bij te komen in de zon. De temperatuur is overigens niet zo hoog meer. Na de laatste hete dagen zitten we nu tussen de 10 en de 17 graden. En ’ s nachts ruim onder de tien. Ik slaap weer met een trui aan. Maar voor het fietsen is dit wel fijner dan de hitte. Als het goed is, draait de wind morgen. Een duwtje in de rug zou wel fijn zijn.

Zonnesteek

If you reject the food, ignore the customs, fear the religion and avoid the people, you might better stay at home – James Michener

Dag 36

We hebben het weer overleefd maar ik heb wel steeds gedoucht met het gordijn open. Je weet maar nooit. Vandaag lijkt het weer warmer te worden dan gisteren maar als we vertrekken ben ik blij dat ik mijn hemd en jasje nog aan heb. Beide gaan overigens gedurende de dag uit.
We halen wat pan en beleg en kunnen op stap. Voorlopig zitten we op de N240. Nog steeds niet heel druk maar wel regelmatig vrachtverkeer.
Berdun kun je niet missen zoals het op de heuvel ligt. Het schijnt een monument van middeleeuwse stedenbouw te zijn, maar wij kunnen de moed niet verzamelen om daar even omhoog te klimmen.

Verder verbazen we ons over de vreemde rotsformaties die hier zijn ontstaan. Het lijken wel gestort beton maar het is volkomen natuurlijk.

De N240 wordt op den duur vervangen door de nieuwe A21. Sommige stukken ervan zijn al klaar en dat haalt veel van het autoverkeer van de N240. De reden van de nieuwe weg is het stuwmeer van Yesa. Ze willen het peil ervan behoorlijk verhogen en dan komt de N240 onder water te staan. En niet alleen de weg, ook de dorpen en andere infrastructuur. Hiervoor werd de stuwdam verhoogd maar de berghelling blijkt te instabiel te zijn. Daarom wordt nu, vlak achter de bestaande, een nieuwe stuwdam gebouwd. Foutje, bedankt…

De route gaat wat op en neer en de zon brandt ongenadig op ons neer. Ik wist dat ik het zou gaan zeggen, maar had niet verwacht dat het zo snel zou zijn; Mag het ietsje koeler? Gelukkig krijgen we onderweg soms nog een aanmoediging. Het getal wordt steeds kleiner.

De zon en de klimmetjes van de afgelopen dagen doen ons besluiten om op tijd te stoppen. We hebben de afspraak om onze fietsvriendin Ria op zaterdag in Punta la Reina te ontmoeten. Dat is twee fietsdagen en we hebben er drie. Dus ook nog een rustdag. Die kunnen we op verschillende plekken nemen, maar we besluiten hem zo snel mogelijk te verzilveren. We zijn wel aan wat rust toe. In Sanguesa lijkt een leuke camping te zitten met een supermarkt vlakbij. Daarnaast is er in het dorpje genoeg te zien. We vinden een prachtig plekje op de camping en met deze temperaturen lijkt het net vakantie.

Dag 37

Vandaag even niet op de fiets. We liggen een half uurtje langer dan anders. Het is ’s ochtends nog even koel en de tent staat dan nog in de schaduw. Na het ontbijt gaan we even het stadje in. Het is een historisch pelgrimsstadje met wel drie kerken en twee kloosters. En een dag zonder kerken is een dag niet geleefd, dus we gaan er met frisse moed weer in.

De eerste kerk is de Santa Maria la Real uit de 12e eeuw. Ook hier weer een portaal met beeldhouwwerk. Toch is het het interieur dat onze monden laat openvallen. Zoveel bling-bling en zoveel reliëfschilderijen. En als topstuk een monstrans uit de 15e eeuw, een van de oudste in Spanje. Je kijkt je ogen uit. In de kerk zit een bejaarde man die me van alles probeert uit te leggen door met een lampje op onderdelen te schijnen. Ik knik en herhaal af en toe een woord. Ik versta er te weinig van maar hij is helemaal blij.

Het oogt inderdaad als een authentiek Spaans stadje. Veel oude gebouwen en ook de sfeer op straat is anders dan in Nederland. Men is meer op straat om het op straat zijn. In Nederland zijn we altijd onderweg ergens naartoe en hebben we nooit tijd. Wat ik ook leuk vind is de graffiti die ze op blinde muren hebben gemaakt. Zoveel boeiender dan een kale muur.

 De hoofdweg loopt dwars door het dorp en daar gaan we even doorheen. We drinken een bakkie koffie (1 euro) en er is een markt die als een magneet aan Mevr. van der Veeke trekt. Maar de afspraak is dat het in de tassen moet passen, dus uiteindelijk wordt er niets gekocht.

We kijken even bij de kloosters (die dicht zijn) en lopen dan langs de Santiagokerk (die wel open is). De Spanjaarden hebben het slim bekeken. Als je wat in de kerk wilt zien, dan heb je licht nodig. En dat krijg je door een euro in een kastje te gooien. Dan kun je vijf minuten kijken en dan gaat het weer uit. Ook de kaarsjes zijn elektronisch. Je gooit er een muntje in en dan floept een van de lampjes aan. Natuurlijk ook beter voor het milieu.

De Santiagokerk heeft Jacobus op de voorkant staan. En ook binnen is hij in de schilderingen te vinden, als je goed kijkt.

Vermoeid van zoveel kijk-inspanning lopen we terug naar de camping. Het is inmiddels alweer boven de 25 graden. Alleen in de schaduw is het een beetje uit te houden. Zo brengen we de rest van de dag door. Lunch, kopje thee, biertje en een goed boek. De supermarkt zit vlakbij dus voor ’s avonds halen we de ingrediënten voor een lekker maaltje. Het is lekker zo’n rustdag maar ik vind het ook weer fijn om morgen op de fiets te stappen.

Dag 38

De rustdag heeft ons goed gedaan, het fietsen gaat gemakkelijk vandaag, ondanks de flinke afstand en de hoogtemeters. Het landschap is afwisselend en mooi. We zitten op veel rustige wegen en er is genoeg te zien. Vanwege de warmte besluiten we eens te proberen een uurtje eerder weg te gaan. De wekker staat op 6 uur maar die horen we niet eens door het gekwetter van alle vogels. Voor 8 uur zitten we op de fiets. Het is nog heerlijk koel en rustig. Al vrij snel komen we bij de kloof van Lumbier. We gaan door een tunneltje dat pikkedonker is. De enige manier om er doorheen te komen is de zaklamp van de telefoon aan te zetten en te gaan lopen. Als we uit de tunnel komen, zien we een fantastisch landschap. De kloof is gevormd door het uitschuren van het water. Boven ons zien we de vale gieren zweven op de thermiek.

We passeren dorpjes als Indurain, Tabar, Turrilas en Ardanaz. De meeste liggen boven op heuvels. Voor ons een reden om er niet heen te gaan omdat de route al golvend genoeg is.

We gaan met een ruime boog onder Pamplona door. Ondanks dat we de kerken onderhand wel gezien hebben, kijken we toch even bij Santa Maria de Eunate, waar we langs komen. Het is een achthoekige kapel uit de 12e eeuw met 35 fijne boogjes. Van de oorsprong is weinig bekend. Een van de theorieën is dat de Tempeliers het gebouwd hebben. Een andere zegt dat bewoners van omliggende dorpjes het gebouwd hebben. Maakt niet uit, het is gewoon een sereen plekje waar het heerlijk toeven is in de schaduw.

Hierna voegen we ons bij de drukke route die van Saint Jean Pied de Porte komt. Dit merk je meteen. Drommen wandelaars bevolken de wegen. En ook de commercie is duidelijk anders. De camino is een industrie op zich. Maar het brengt ook een hoop gezelligheid met zich mee. Overal om je heen hoor je ‘Bon Camino’ en iedereen is even vriendelijk. Ons eindpunt van de dag is Puente la Reina. Het is een oud pelgrimsdorpje met een boogbrug over de Rio Arga, gebouwd voor de pelgrims op bevel van de koningin, waar het dorpje zijn naam aan ontleent.

Voor de camping moeten we een steil grindpad op. De enige keus is hier lopen en duwen. Bovenop is een camping en een auberge.  De camping heeft een mooi uitzicht over Puenta la Reina, een picknicktafel per plek en heel veel muggen per plek. We kunnen mee-eten bij de Auberge. Voor een tientje krijgen we een pelgrimsmenu dat ik alleen maar adequaat kan noemen.

Ondertussen heeft Ria zich bij ons gevoegd. Ondanks dat ze halfdood aankomt, zijn we blij met haar gezelschap. En ze heeft een pakketje voor ons meegenomen uit Nederland. Onze routeboekjes voor het traject na Lissabon en twee nieuwe fietskettingen. De laatste zet ik meteen op de fietsen, dan hoef ik ze niet mee te slepen. Ik hoop dat we hiermee onze reis kunnen uitfietsen. Het is best lang warm buiten, maar de vermoeidheid en de muggen lokken ons de tent in.

Dag 39

Het is al warm als we opstaan. Voor het eerst vertrek ik in korte broek en T-shirt. Voor Ria is het de eerste dag, dus die moet helemaal acclimatiseren.
Cirauqui is weer zo’n dorpje dat mooi op een heuvel ligt. Ook hier is weer een middeleeuwse boogbrug/Romaans kerkje/Pelgrimspleintje (* doorhalen wat niet van toepassing is), maar dat hebben we genoeg gezien, dus we laten het links liggen. Ondanks de weinig kilometers vandaag hebben we meer dan 600 hoogtemeters. Dat en een temperatuur van boven de 30 graden maakt het een inspannende dag.

In Estella (of Lizarra in het Baskisch, het is hier tweetalig, net als in Friesland) houden we een stop in de schaduw voor een boterham en een bakkie koffie. De laatste halen we bij een café want voor minder dan een euro zo’n lekker koffie is natuurlijk geen keus. Estella werd ook wel ‘Estella la Bella’ genoemd in de middeleeuwen. De pelgrims werden hier goed verzorgd en het water was helder. Ook nu is het nog een mooi plaatsje met kerken, paleizen, feesten en daverende stieren door de straten. Vandaag zijn het daverende fietsers want er is een wielerwedstrijd. Tijd voor ons om te vertrekken.

Iets verderop ligt het Monasterio de Irache. In 1050 konden pelgrims hier al terecht en de 12e-eeuwse kerk heeft twee kruisgangen die mooi gerestaureerd zijn. Het staat bekend om zijn Gregoriaanse gezangen. Maar dat boeit ons allemaal niet want er is hier een heuse wijnfontein!
Er zit hier ook een wijnbedrijf en die heeft voor de pelgrims twee kranen gemaakt. De ene tapt koud water en de andere rode wijn. Even overweeg ik hier de tent op te zetten, maar de dames willen verder.

Voor de rest ploeteren we ons in de hitte voort. Het mag voor mij wel een paar graden lager. Maar het landschap is prachtig, je ruikt de zoete geur van de brem en een verfrissend windje bij een afdaling maakt veel goed. Bij Los Arcos vinden we het welletjes. Bij een Auberge hebben ze een grasveldje waar je de tent op mag zetten. Dat doen we dan ook. Er is een automaat waar je voor €1 euro een blikje koud bier kan krijgen. Voor mij is dat bijna zo goed als een wijnfontein. Morgen zien we weer verder.

End of part 2

To my mind, the greatest reward and luxury of travel is to be able to experience everyday things as if for the first time, to be in a position in which almost nothing is so familiar it is taken for granted. – Bill Bryson

Dag 032:

We hebben afgesproken dat we om 9 uur de sleutel van het appartement overdragen aan Corinne en staan gepakt en gezakt klaar. Het weer zou vandaag droog zijn, dus het regenpak zit onderin. Maar helaas, het mag niet zo zijn. Als we willen vertrekken, regent het en niet zo’n beetje ook. Ik houd er de goede moed in, maar eigenlijk ben ik wel een beetje klaar met de regen en het koude weer. Dit is niet wat we verwacht hadden. Uiteindelijk ligt dit natuurlijk aan mijn eigen verwachtingen. Ik hoop dat het beter wordt. En dat is wat Corinne ons ook verzekert als ze ons uitzwaait.

Ondanks dat het zondagochtend is, is de D29 vrij druk. Meestal is het op zondagochtend wel rustiger maar misschien dat de Europese verkiezingen de drukte veroorzaken. In de dorpen waar we doorheen komen zijn  de stemburo’s (in de Mairies) open. In Peyhorade is de drukte van een andere orde. Het lijkt wel het circuit van Monaco, zoveel auto’s rijden rondjes om het plein waar we koffie drinken. Hier heeft het met de kerk te maken. Ze zoeken allemaal een plekje om te parkeren.

Sorde-l’Abbay is een monumentaal bouwwerk wat ook de stempel van Unesco werelderfgoed heeft. Het is overgebleven van de abdij uit de 12e eeuw. Het oogt meer als een vesting. Vroeger moesten de pelgrims hier met een bootje over de Gave d’Oleron gezet worden. De veerlui vroegen hier veel geld voor en lieten regelmatig een bootje kapseizen om de pelgrims van hun wereldse bezittingen te ontdoen.

Bij Caresse splitst de route zich. De meeste (fietsende) pelgrims gaan via de Navarra route naar Roncevalles. Wij blijven de oudste route via Oleron en de col-du-Somport volgen.
Athos-Aspis is het kortste dorpje dat ik tot nu toe ben tegengekomen. Je hebt het begin-bebouwde-kom bord. En 20 meter later het einde-bebouwde-kom bord. Zo racen we door deze plaats heen. Overigens kwamen de drie musketiers uit dit gebied.

Na de leegte van Les Landes zijn we blij met de dorpjes hier. Het zijn stuk voor stuk stadjes met een historie en ze zien er prachtig uit. We merken dat we meer in Baskenland komen want alle dorpen hebben een pelota veld. Ook worden de namen in het Euskara gespeld. Helemaal mooi is Sauveterre-de-Béarn. Het ligt op een rots boven de rivier en heeft nog een kerk uit de 12e eeuw en de overblijfselen van een vesting. In de diepte zien we de restanten van de Pont Fortifé of de Pont de la Legende liggen. De legende gaat over de gravin van Bearn die de waterproef moest doen.

In Laás willen we eigenlijk stoppen. Het is tenslotte het dorp waar Brigitte Bardot ook gewoond heeft.  Maar we hebben geen eten en in Laas is er op zondagavond ook geen restaurant open. Daarom houden we het bij een kopje thee op een kinderpartijtje en fietsen toch door naar Navarrenx. Onderweg komen we het ene prachtige dorpje na het andere tegen.

In Navarranx is een pelgrimsgîte in het voormalige Arsenaal. In een kroeg schrijf je je in en dan krijg je een kamer toegewezen. Nu we meer in het drukkere deel van de pelgrimsreis komen (de meeste mensen beginnen pas in of na de Pyreneeën) willen we wel eens weten hoe dat is. We komen op een slaapzaaltje met vier bedden. Eerst zijn we nog alleen maar later zijn alle bedden gevuld. Er is een douche, wc en een gemeenschappelijke keuken. Met z’n tweeën betalen we €26,10. Het voordeel is dat je binnen zit en geen natte tent hebt. Het nadeel is dat het overal naar zweet ruikt en je maar moet afwachten of er gesnurkt wordt. In Spanje zijn de slaapzalen nog veel groter en dan moeten de mannen en vrouwen ook gescheiden slapen. Ik weet niet of we het daar gaan doen want ik heb Mevr. van der Veeke ’s nachts het liefst naast me.

Navarranx is overigens een vestingstadje met nog een groot deel van de muren intact. Een beetje Boertange maar dan met veel dikkere muren. In 1537 is hier een vernieuwd militair ontwerp voor bedacht die meteen beproefd werd en stand hield. Ze staan er trouwens nog steeds. Ook de kerk St. Germain is bijzonder omdat hij tijdens de godsdienstoorlogen gespaard werd en nog mooi kleurig is van binnen. En natuurlijk staat St. Jacobus in de kerk. En ik kan daar het pelgrimslied leren.


We eten voor het eerst een pelgrimsmenu in de Auberge St. Jacques. Dit is een drie-gangen maaltijd voor een relatief laag bedrag. Het smaakt prima maar na afrekenen blijkt dat we behoorlijk afgezet zijn. Zo zie ja maar, vroeger lieten ze een bootje kapseizen om een pelgrim te kunnen beroven. Tegenwoordig gebeurt het gewoon met de pinpas.

Dag 33:

Gelukkig komen verwachtingen niet altijd uit. Want we hebben gewoon goed geslapen in de pelgrimsgîte. Geen gesnurk en hele stille kamergenoten. Voor herhaling vatbaar dus.

Ook vandaag beginnen we niet droog, maar terugkijkend op de dag, denk ik dat we niets te mopperen hebben qua weer. Eerst overbruggen we de twintig kilometer naar Oleron-St. Marie. Ik verwacht daar net zoiets als in St. Jean Pied-de-Port, maar dat is helemaal fout. Er is hier weinig te merken van de pelgrimsgekte die in Pietje-Por heerst. De route leidt ons naar de kathedraal van (natuurlijk) St. Marie die er opmerkelijk mooi bijstaat. Het portaal is ronduit fascinerend en er is heel veel te zien in de details van het beeldhouwwerk. Grappig om te zien dat de middenpilaar gedragen wordt door twee geketende Atlantiërs. Geen wonder dat het Unesco werelderfgoed is.

Hiermee sluiten we het tweede boekje van de Santiago route af. Deze is minder lang dan deel een en drie maar toch een mijlpaaltje.

De afgelopen 20 kilometer zijn we al wat gestegen. We zitten nu rond de 200 meter hoog, maar de Col du Somport zit iets boven de 1600 meter en dat is nog een eindje. Dat gaan we niet in een keer doen, we verdelen het over twee dagen. Vandaag kijken we hoever we komen en dan morgen de rest. De route verloopt door het dal van le Gave-d’Aspe, grotendeels via de D238 maar tot Escot kunnen we nog via een parallelweg die heerlijk rustig is. Inmiddels zien we de Pyreneeën al in de verte opdoemen, zij het dat de bovenste delen in de wolken zitten.

We passeren een aantal dorpjes maar Sarrance wil ik er even uitlichten. Het oogt niet als een speciaal dorpje, maar wij gaan binnendoor en dan kom je langs de abdijkerk. Een daarbinnen is meer bling-bling dan een serie top-40 rappers om de nek hebben hangen. Een mooi gedecoreerd altaar, veel reliëfpanelen en prachtige muurschilderingen.

Wij klimmen daarna nog wat door en komen steeds dieper de Pyreneeën in. Hierbij wordt het landschap steeds mooier en omdat we zo vroeg in het seizoen zijn, is er veel smeltwater in de rivieren. De weg is niet druk en langs grote delen is een extra strook waar we op kunnen fietsen. En het verkeer houdt ook hier veel rekening met fietsers. Wat ons wel opvalt is dat we geen enkele andere fietser tegenkomen. En ook nauwelijks wandelaars.

Bij Borce/Etsaut zijn de benen op. Het zijn eigenlijk twee dorpen aan beide kanten van de weg. Maar voor Borce moeten we een stuk klimmen, dus we kiezen voor Etsaut. Volgens het boekje zijn er twee pelgrimsgîtes; Een met 20 bedden en een met 50 bedden. We willen eigenlijk de kleine omdat die ons rustiger lijkt maar die kunnen we niet vinden. Dan maar naar de grote en daar zijn we de enige gasten. Het heeft wat vreemds om in de lege zalen en gangen te dwalen van dit spook-hostel. Gelukkig komt er ’s avonds nog iemand bij. Etsaut heeft ook een leuke kroeg waar we nog wat drinken. Daarna maken we een maaltijd en dan op tijd in bed. Morgen hopen we in Spanje te zijn.

Dag 34:

We verlaten onze slaapplek, ik sla linksaf en schakel terug naar de laagste versnelling. En daar blijft hij vijf uur in zitten. Vijf uur? Ja, vijf uur. Ik had uitgerekend dat we tussen de drie en vier uur zouden doen over de klim, maar hij blijkt vijf uur te duren, inclusief pauzes.
Hoe doe je zo’n klim van 1000 meter met een fiets van 20 kilo en 25 kilo bagage? Eigenlijk net als het eten van een olifant…in kleine stukjes. Uiteindelijk kom je er wel, maar het is een klim waarbij ik na een half uur en 100 hoogtemeters denk dat er geen eind aan komt. De laagste versnelling is in Nederland niet mee te fietsen maar hier ben ik er heel blij mee. Alhoewel ik regelmatig wilde dat er onder de laagste versnelling nog een –geheime- nog lagere versnelling zit.

We passeren Fort du Portalet in de nauwe doorgang van de Vallée s’Aspe. Na de tweede wereldoorlog hebben ze hier nog wat oorlogsmisdadigers vastgezet.

In Urdos halen we nog wat lekkers voor bij de koffie en daarna is het nog zes kilometer verder voor de weg zich splitst. Tot daar aan toe delen we de weg met de auto’s en vrachtwagens. Op zich geen probleem want ze houden goed rekening met je. Hierna mag het snelverkeer door de tunnel en wij moeten over de pas.

Na de afslag wordt het rustiger. Een enkele auto en wat motoren passeren. Voor de rest zijn we alleen. En zo vechten we ons een weg naar boven. Geduldig en gestaag. Het weer is grotendeels droog, maar koud. Daar hebben we geluk mee. Hieronder een kleine impressie.

Uiteindelijk komen we boven op de col du Somport (1640 m). De naam van de pas is een verbastering van het Latijnse summus portus wat ‘hoogste doorgang’ betekent. Het miezert en met zes graden is het best wel koud. Alles is hier gesloten en er is geen mens. We maken snel twee selfies, Mevr. van der Veeke trekt wat extra kleren aan en we storten ons naar beneden.

We zijn hiermee in Spanje aangekomen en dat vinden we een behoorlijke prestatie op de fiets. De afdaling gaat als een speer en ons gemiddelde gaat met sprongen omhoog. En het leuke is dat we in de verte de blauwe lucht zien. Met het oversteken van de Pyreneeën laten we de bewolking achter ons. Viva España!

Het eerste (verlaten skidorpen niet meegerekend) Spaanse dorp wat we tegenkomen is Canfranc-Estación. Hier staat een gigantisch station. Ooit was er een spoorlijn tussen Parijs en Madrid met een tunnel door de bergen. Hier stapten de passagiers over want de Franse spoorbreedte is natuurlijk niet hetzelfde als de Spaanse. Het is het een-na-grootste station in Europa. Tijdens de Spaanse burgeroorlog was de tunnel gesloten, om smokkelen tegen te gaan, maar later ging hij weer open. Totdat in 1970 een treinongeluk een brug aan de Franse kant vernielde. Deze brug werd niet herbouwd en dat was het einde van deze lijn. Wat mij betreft mogen ze er  een mooi fietspad van maken. Tegenover het station zit een café waar wij ons eerste Spaanse bakkie nemen om op te warmen. Koffie kost hier maar een euro en het is goede koffie. Ik voorzie een fijne tijd in Spanje.

We dalen verder af naar Jaca. De zon schijnt uitbundig maar de temperatuur is nog laag. Daarom heb ik in het centrum een kamer geboekt in een huisje uit de 13e eeuw. Er is wat misgegaan met de communicatie waardoor de eigenaar niet aanwezig is en we een uurtje moeten wachten. Goh, wat vervelend om op een Spaans terrasje te moeten zitten met een cerveza

Jaca is een gezellig klein stadje met een vijfhoekige citadel uit de 16e eeuw. Maar ook de Romaanse kathedraal uit de 11e eeuw is het bekijken waarde. Van binnen is er een hoop pracht en praal. Tegen de avond begint het te leven in de stad en we zoeken een gezellig tentje om te eten. Ik denk dat het ons wel gaat bevallen in Spanje,

Dag 35:

Voor het eerst sinds lange tijd is het strakblauw als we opstaan. We sliepen de slaap der vermoeiden en dat heeft ons goed gedaan. We hebben weer zin om op pad te gaan. Ik dump mijn oude fietskleding in een vuilnisbak en we gaan op zoek naar brood.
De ontbijtcultuur van Spanje is ons nog niet helemaal duidelijk, We hebben het idee dat de meeste Spanjaarden dat buiten de deur doen. Wij eten op de kamer wat fruit met muesli maar bij de bakker blijkt dat we daar ook een ontbijt van koffie en churros hadden kunnen nemen. Dat laatste dopen ze dan in een soort van vloeibare chocolade. Ik houd het nog even bij een café solo.

Vandaag gaan we naar Punta la Reina de Jaca. Er is ook een Punta la Reina zonder Jaca, daar komen we over een paar dagen. Als je rechtstreeks via de N240 gaat, dan is het een kilometer of 20. Maar dat doen we niet. We nemen een omweg om het klooster San Juan de la Peña te bekijken. Dat betekent wel dat we eerst de Puerto de Oreal (1080m) op moeten klimmen. Ondanks de zware klimdag gisteren doen de benen het nog goed en redelijk gemakkelijk overbruggen we deze 300 hoogtemeters.

Het landschap is duidelijk anders dan aan de Franse kant van de Pyreneeën. Zag je daar 50 tinten groen en hoorde je overal water lopen, hier is het wat droger en meer stenig. De bomen die er zijn, zijn meestal naaldbomen en er is wat lage begroeiing. De weg naar het klooster trekt weinig auto’s, dus we maken gewoon een bakje in de berm.

Na Puerto de Oreal dalen we 200 meter en klimmen we weer 300 meter. Daarmee komen we eerst bij het Monestario Nuevo. Deze is in de 18e eeuw gebouwd nadat de San Juan de la Peña tenonder ging. Je kunt het dagelijkse kloosterleven hier bekijken, maar wij gaan door naar la peña.

San Juan de la Peña is gebouwd onder een overhangende rots (peña = rots) en er is een legende over het ontstaan. Voor het klooster er was, waren er grotten waar men zich verschuilde voor de Moren. Later kwamen er kluizenaars die het klooster bouwden, gesteund door de vorsten van Navarra. Drie eeuwen lang  is hier de heilige graal verstopt voor de bezettende Saracenen. Ook liggen de koningen van Aragon hier begraven. Het is een prachtige plek waarbij het gebouw naadloos overgaat in de natuurlijke steen.

Er is bijzonder veel beeldhouwwerk bewaarde gebleven die Bijbelse en heidense taferelen weergeven. Hier een kleine collectie.

Het was loeikoud in het klooster dus we zoeken weer de warmte op. Ondanks dat het volop zonnig is, is het nog niet warm. Ik ben nog steeds blij met mijn hemd. Met name in de afdaling kan het fris zijn. Maar we genieten eerst nog even van de uitzichten hier op 1200 meter. We zien dat de wolken allemaal achter de Pyreneeën blijven hangen. Helemaal goed.

In Santa Cruz de la Serós vinden we een bankje in de zon om wat te eten en op te warmen. We hebben zicht op de vroegromaanse kapel van San Capricio. Deze is onderdeel van een Benedictijner vrouwenklooster. Bovenin de kerktoren zit een verborgen kapel waarin de nonnen zich terugtrokken in roerige tijden.

Via de N240 overbruggen we het laatste stuk naar Puenta la Reina de Jaca. Dat blijkt te bestaan uit een kruispunt van (grotere) wegen. Eromheen staan wat leegstaande flats. Ik heb een kamer geboekt in het enige hotel van de plaats. En we lijken ook de enige gasten te zijn. Norman Bates schrijft ons in. De kamer is verder prima maar het voelt wel weer vreemd om zo alleen te zijn.

Eindeloze wegen

Wandering re-establishes the original harmony which once existed between man and the universe – Anatole France

Dag 028:

We hadden het al een keer eerder meegemaakt maar nu overkomt het ons weer. We logeren bij een familie, maar als we opstaan en vertrekken is er niemand te zien. We doen natuurlijk wel stilletjes, maar ik kan me niet voorstellen dat men ons niet hoort, als we 10 tassen de trap afsjouwen. En het is ook niet in het holst van de nacht, maar om een christelijk half negen. Maar goed, we trekken de deur achter ons dicht en vertrekken.
En wat ik ook vreemd vind is dat je hier zomaar graven langs de weg ziet. Gewoon in de berm. Bij ons is het dan nog een herdenkingsteken, een kruisje en een lichtje. Maar hier staan er soms een, soms meer, van die enorme grafdozen vol met lijken. Bijzonder.

Het is vandaag eindelijk zoals we gehoopt hadden dat het zou zijn. Bij het opstaan een zonnetje en dan eerst in de koelte van de ochtend fietsen. Na tienen kan het jasje uit en na elven fiets ik in pelgrimstenue; T-shirt en korte broek.

We zijn weer zonder ontbijt vertrokken. In Targon kopen we niet alleen een stokbrood maar er gaan ook een paar warme appelgebakjes onder de snelbinder. En bij de eerste gelegenheid gaan die erin als koek.

Cadillac ken ik alleen als automerk. Maar het blijkt een stadje in Frankrijk te zijn dat er al sinds 1280 staat. Op zich zou het een mooi historisch centrum kunnen hebben als er niet overal blik staat geparkeerd. Het is zo storend dat ik nauwelijks een foto maak terwijl de Place de la Republique best het aanzien waard is. We kijken even in de kerk en fietsen door beide overgebleven poorten. Daarna steken we de Garonne over via een mecano brug.

Hierna komen we in Les Landes, een gebied van uitgestrekte (productie) bossen. Een deel is aangewezen als natuurpark. Tot Landiras is het nog redelijk druk met verkeer maar daarna zijn we grotendeels alleen. Het zijn lange rechte wegen door de bossen wat als voordeel heeft dat je een auto al een half uur van tevoren aan ziet komen. Er zijn weinig dorpen en nog minder voorzieningen.

Les Landes was oorspronkelijk een onherbergzaam gebied met moerassen en zandverstuivingen. De herders die hier schapen hoedden, deden dat op stelten. En ook huizen, schuren en kippenhokken stonden op palen. Onder Napoleon werden hier op grote schaal dennen geplant en met deze arbeiders ontstonden er kleine dorpjes .Via spoorlijntjes werd het hout afgevoerd. De spoorlijnen zijn allang opgeruimd. De dorpjes zijn er nog.

Veel campings zijn hier nog dicht, daarom hadden we een grote afstand op het programma. De camping in Hostens gaat pas per 1 juli open maar we gaan toch even kijken omdat we er vlak langs komen. Ze zijn de camping klaar aan het maken voor het seizoen en vinden het geen probleem als we een nachtje blijven staan. We zijn de enigen en hebben de beschikking over 12 toiletten en 12 douches. En we mogen er niets voor betalen. Zo hebben we een heerlijk luie middag in de zon. Voor mij is het zelfs wat te warm en ik zoek de schaduw op. Het is een mooie dag zo.

Dag 029:

Geen koude nacht, wel een vochtige door het gebrek aan wind en de heldere hemel. We staan op in de zon maar later in de dag betrekt het. Op zich niet erg, want het is fijner fietsen met 23 graden en geen zon.
Vandaag is een saaie dag. Als je denkt dat de Flevopolder leeg is, dat zou je hier eens moeten kijken. Zelfs de GPS heeft moeite met het weergeven van de tracks omdat de afstand tussen twee punten zo groot is vanwege de kaarsrechte wegen.

Het enige wat hier te zien is zijn kerkjes. We komen eerst langs die van Retis. Een eeuwenoud gebouwtje en je kunt duidelijk het portaal zien waar de pelgrims vroeger onder konden slapen. Hij is op slot, maar door het open hek ervoor kunnen we toch naar binnen kijken.
In Biganon staat het oudste kerkje van deze streek. Jammer dat hij gesloten is want binnen zijn mooie muurschilderingen. Naast de kerk staat de bron van Ste. Ruffine. Deze zou helpen tegen huidziekten, maar ik vind het erbinnen een vieze modderpoel.
Tenslotte komen we langs de kerk in Moustay. Ook deze is gesloten, dus we kunnen ook hier de muurschilderingen niet zien. Wel staat er een steen voor dat het nog 1000 km naar Santiago is. Dit geldt voor de wandelaars. Voor ons is het nog een paar honderd kilometer verder.

Hierna hebben we het wel gehad met het plezier en zijn het alleen nog kaarsrechte wegen door bossen. Her en der is een bos gekapt, het veld ontruimd en is er wat landbouw. Het doet me denken aan Finland met als enige verschil dat het hier asfalt wegen zijn, terwijl het in Finland steenslag wegen waren. Een voordeel is wel dat het vlak fietsen is en dat we lekker opschieten. Tot in de middag wanneer een tegenwind wat begint op te spelen.

We passeren plaatsjes als Pissos (waar een glasblazer en een pottenbakker zit, op dat niveau zitten we nu), Labouheyre (centrumfunctie van het gebied maar ik zou er nog niet dood gevonden willen worden), Escourse (daar mochten ze meer schapen houden) en eindigen in Onesse-et-Laharie.

De laatste is wel een aardig plaatsje met wat voorzieningen. Ook hier gaat de camping pas halverwege juni open maar we gaan toch even kijken. En niet voor niets, want we krijgen gewoon een plekje. De voorzieningen zijn minimaal en we moeten de normale 18 euro aftikken maar we vinden het kamperen gewoon lekker. En zeker als de camping zo leeg is, voelt het heel prettig.

Bij de super in het dorp haal ik wat te drinken en we koken gewoon ons eigen maaltje bij de tent. We hebben de beschikking over een tafel en stoelen, dus dat is een extra luxe. Mensen vragen wel eens hoe gastronomisch het onderweg is. Nou, niet dus. Toch vinden wij dat we in het algemeen lekker eten. Soms uit, en dan vaak tussen de middag een Plat du Jour. ’s Avonds bij de tent eten we dan brood en een soepje. Maar regelmatig koken we ook.

We hebben één pitje (brander) mee. Daar koken we alles op. Water voor de koffie en thee maar ook de maaltijden. Het zijn simpele gerechten die in één pan (bonen) of in twee (pasta/rijst en een saus) gemaakt worden. We koken dan eerst de pasta of de rijst. Die wordt tegen gaar aan gekookt en dat gaart dan nog even na in een neopreen hoesje. Die pan heeft ook een speciale bodem die het water snel doet koken. De andere pan heeft een tefal bodem en daar maken we de saus in. Iets van vlees of vis, met room en soms mais. Soms zijn er ook kant-en-klare sauzen die ook lekker zijn. En vaak hebben we er nog een salade bij. We eten overigens alles (ontbijt en avondeten) uit twee vouwbakjes. Als er geen afwaskeuken is, dan kook ik wat water in een pannetje en daarin wassen we af. Na het eten altijd nog een bakje thee en koffie op de Jetboil. Die heeft twee kopjes kokend water in 60-90 seconden. Daar maak ik onderweg ook koffie mee. Zoals je ziet kan het heel simpel en toch smakelijk. Andere favoriete maaltijd zijn een (diepvries) zak met paella, nasi of een lokaal gerecht. Ook dat is makkelijk op te warmen in één pan. Of kopen een gebraden kip die we met salade eten.

Dag 030:

Het weer is de hele tijd al als schuifkaas. We mogen aan het mooie weer ruiken, maar het komt er niet. De Josti-band was vannacht behoorlijk bezig op de tent maar vanochtend is het droog.  Op de camping lopen wat mannen gewichtig te doen met mappen onder de arm en dikke buiken. Maar niemand die echt werk doet. Toch moet er nog heel wat gebeuren voordat de camping open kan gaan. Maar goed, dat is iets uit ons verleden en nu kunnen we het gewoon aanschouwen.
Het weer is grijs en tien graden kouder dan gisteren. Via de radio hoor ik dat het in Nederland zonniger en warmer is. Er is dus voor andere mensen geen reden om naar Zuid-Frankrijk te komen.

We fietsen vandaag het laatste stuk door Les landes. Net zo saai als de dagen ervoor. De routemaker weet het inmiddels ook niet meer en heeft het alleen nog over dingen die er niet meer zijn.
Ik maak vandaag welgeteld twee foto’s:

De eerste bij het dorp Lesperon, waar we doorheen komen. Het dorp bestaat uit drie gedeeltes; Tireveste (trek je vest uit), Tiregilet (trek het hemd uit) en Tireculotte (trek de broek uit). In vroeger tijden werden de pelgrims hier van overbodige ballast afgeholpen. Ik zie langs de route grote dure huizen staan. Zullen wel handelaren in tweedehands kleren en lompen zijn. Voor Mevr. van der Veeke is het inmiddels trek-een-extra-trui-en-sokken aan.

De tweede foto maak ik bij Buglose waar we voor het gemeentehuis een bammetje doen. In het halve uur dat we daar zitten komt er één auto langs. Verder zien we niemand. Ik snap nu ook wel waarom de campings hier dicht zijn.

Na ruim 50 kilometer zitten we in Dax. De Pyreneeën komen in zicht. We besluiten vóór het geweld van het klimmen begint, een rustdag te nemen. Uiteindelijk boeken we een compleet appartement voor twee dagen voor € 100. Het is heerlijk om zoveel ruimte te hebben. En er is snelle wifi want ik zat al een paar dagen te kijken waar ik de laatste aflevering van GoT kan downloaden. Op vijf minuten lopen zit een grote Intermarche waar we boodschappen doen. Vanavond hebben we een lekker maaltje van biefstuk, gebakken aardappelen en een salade. En morgen lekker met de benen omhoog.

Dag 031:

Heerlijk zo’n dag niets doen. Even uitslapen en ontbijten. Bij de bakker om de hoek een lekker taartje halen en koffie drinken. Doet een mens goed.

We hadden vandaag nog wel een missie. In Spanje is een fietshelm verplicht. Zoals je op de foto’s kunt zien, fietst Mevr. van der Veeke al sinds Baflo met een helm maar ik heb het de laatste 1800 kilometer met een petje gedaan. Maar nu moet ik er toch aan geloven. In Dax zit een grote Intersport waar we heen fietsen. En ik vind daar niet alleen een helm maar ook een vervanging voor de driekwart broek waar ik al 27 jaar (!) mee doe en een vervanging voor het verschoten Aldi-shirtje waar ik al een paar jaar mee fiets. De laatste is met €2,99 niet te duur. Met deze outfit ga ik bij de wedstrijd voor de best geklede fiets-pelgrim hoge ogen gooien!.

Nu zijn we helemaal klaar voor de klim over de Pyreneeën. Deze knippen we in een paar stukken want in een keer naar 1800 meter klimmen is zelfs voor onze, inmiddels gespierde, kuiten teveel. Maar daarover later mee.

Sokken in de droogtrommel

We must learn to sleep on the pillow of doubt. – Alain de Botton

Dag 024:

We zijn weer helemaal uitgerust en we kunnen er weer tegenaan. Vandaag is de voorspelling regen. De hele dag. En die voorspelling wordt ingelost.  Helemaal. We vertrekken in regenpak en we komen aan in regenpak. Het weer is een van de dingen die ik niet onder controle heb, dus daar geven we ons aan over.

Ik las gisteren een mooi artikel over controle, geschreven door The School of Life. Ik ben van de planning. Dat was ik altijd in mijn werk maar ook in mijn privéleven houd ik ervan om de dingen nauwkeurig uit te zoeken. Ik pluis de routes na, kijk waar de campings liggen en waar de mogelijke problemen met overnachtingen kunnen ontstaan. Ik maak én bestudeer de hoogteprofielen. Ik kijk wat er overal te doen is en ik bereid de geocaches voor. Of, zoals Alain de Botton stelt; ‘I am trying to control the future.
Maar… wat Alain ook zegt is dat dit eigenlijk niet mogelijk is. Een groot deel van ons leven is in handen van het onbekende, het lot. Er zijn teveel verschillende mogelijkheden, kortom we moeten leren te vertrouwen op het onbekende. Nietzche, een andere grote filosoof, had grote bewondering voor de koeien. Ze konden gewoon in de wei liggen, af en toe een vlieg verjagen, wat op gras kauwen en elke minuut volledig beleven. Wij mensen zijn daar heel slecht in. En dat zouden we moeten verbeteren. Of zoals ik al eerder schreef, zijn als een koe in de wei. Overigens zijn er heel veel mensen die niets voorbereiden en zo gaan. Daar heb ik groot respect voor. Ik zou er niet gelukkig van worden, maar ieder moet het op de manier doen die hem of haar past.

In tegenstelling tot gisteren zitten we vandaag op bijzonder kleine landweggetjes a la campagne. Ondanks de regen is dit heerlijk fietsen. Door de rust, het getik op de muts en de monotone beweging van de benen kom ik in een soort van trance waarbij mijn gedachten kunnen ronddraaien als sokken in een wastrommel. De ene keer de grijze linkersok boven, de andere keer de blauwe rechter.

Het is geen weer om buiten koffie te drinken dus in Chateau-Garnier gaan we op zoek naar de commercie. We vinden een bakker annex mini-super die ook koffie heeft. En, als bakkerij, ook wat lekkers erbij. Ik ga voor de eclair en Mevr. van der Veeke neemt een mille-feuilles. Bij ons heet dat een tompouce. Mooi die vertaling van ‘duizend bladeren’ voor ons bladerdeeg. Zittend in de winkel zien we het dorpsleven van het Franse platteland aan ons voorbijtrekken.

Charroux is een wat grotere plaats. In de middeleeuwen was het zelfs de hoofdstad van de Marche streek. Er zijn twee bezienswaardigheden die meteen opvallen;
De verhoogde, overdekte markt uit de 16e eeuw en de St. Saveur, een open, achthoekige toren.  De toren is het enige wat overbleef van een enorme abdij uit de 11e eeuw. Deze abdij had in die tijd meer dan honderd relikwieën, waaronder een splinter uit het kruis van Jezus (vast wel..). Elk jaar trok dit wel 25.000 bedevaartgangers waaronder ook veel Santiagogangers. In de Honderdjarige Oorlog had de abdij veel te lijden maar de Franse revolutie deed hem de das om.

Voor ons is Charroux ook de belevenis van een nieuwe ervaring. We hebben de keuze tussen lunchen in een, nog te vinden, bushok of ergens binnen. In het dorp zie ik een bord staat met Plat du Jour. Ik hoor daar goede verhalen over, dus daar gaan we voor. De bar wordt gerund door een verdwaalde Ier. Er komen hier blijkbaar veel Engelsen en Ieren. We hebben eerder slecht gegeten maar bar L’ Abbey komt met stip in de top drie. Waarschijnlijk zaten er nog wat regendruppels in mijn ogen want achteraf kan ik niet geloven dat we hier zijn gaan zitten.
Als voorgerecht krijgen we iets dat wortelsoep zou moeten zijn. Het lijkt meer op opgewarmde potjes Olvarit. Op zich is dat niet erg want als het voor baby’s goed is, moet het ook goed voor ons zijn. Maar ze hebben waarschijnlijk de peperpot in de pan laten vallen want het is niet te eten. Ik heb nog nooit wat terugestuurd, maar nu sturen we de volle kommen weer terug. Het hoofdgerecht is fish and chips waarbij de fish een soort van vettige afwasspons is. Ik had gedacht dat je patat weinig fout kon doen, maar deze Ierse heer heeft me kunnen overtuigen dat dit niet waar is. Het toetje is een diepvries niemendalletje. Drieëndertig euro armer en een ervaring rijker stappen we weer naar buiten.

Het landschap verandert vanaf hier weer. Het wordt lekker glooiend en we moeten regelmatig flink klimmen. Dat is een voordeel want dan trappen we ons lekker warm. Het is vandaag weer 9 graden en dat houdt niet over. Maar klimmen betekent ook mooie afdelingen en zo rollen we Nanteuil-en-Vallée binnen. En in de volgende ervaring van de dag.

In het boekje lezen we dat hier een pelgrims-gîte beschikbaar is. De sleutel kun je ophalen bij de Mairie of het restaurant. Het is zaterdag dus de Mairie is gesloten. Daarom gaan we naar het restaurant. Daar doen ze alsof ze van niets weten en sturen ons naar de naastliggende slagerij annex groenteboer annex bakker. Ook daar vangen we bot. De slagersvrouw geeft aan dat het haar ‘verantwoordelijkheid’ niet is en dat we maar naar de Mairie moeten. Die dicht is. We fietsen het hele dorp af en vragen meerdere keren naar de Mairie en worden alle kanten opgestuurd. Tot op heden hebben we de Mairie nog niet kunnen vinden. Maar wel weer iemand die ons weer bij de slagersvrouw brengt. Ze blijkt de sleutel ineens wel te hebben maar de papieren niet. Langzamerhand wordt ik een beetje flauw van dit kastje naar de muur gedoe en begin wat ruzie met haar te maken. Dat, en het feit dat de rest van het dorp zich er ook mee bemoeit, zet haar aan tot het bellen van iemand (de Mairie?). En toen kwam het toch nog goed. Ze blijkt ook ineens de papieren te hebben en voor 20 euro hebben we een gîte in het dorp.

Wat is hier aan de hand? Heeft de middenstand liever dat we echte (duurdere) Chambre d’Hôtes of gîtes huren? Heeft de gemeente de zaak niet goed geregeld en is men daar flauw van? We kunnen alleen speculeren, maar vinden het niet juist dat dit over de rug van arme pelgrims uitgevochten wordt.

Door dit gedoe zou je haast vergeten wat een prachtig dorpje Nantieul-en-Vallée is. Ook hier heeft een abdij (de Notre Dame) gestaan. Die Santiagogangers onderdak en verzorging bood. Later is de abdij grotendeels geplunderd en verwoest door Engelsen. Nu zijn er alleen nog enkele restanten van de abdij. In de dorpskerk komen we St. Jacobus tegen in de ramen. En wat een speciaal plaatsje in het dorp heeft zijn de bronnen van Fontaine Saint-Jean. Wij zitten er met onze gîte vlak naast. Verder wemelt het hier van de prachtige straatjes en huisjes. Mocht je in de buurt zijn, dan is het een bezoek waard.

Dag 025:

Op sommige dagen is er meer te doen dan op andere dagen. Vandaag was niet zo’n spannende dag. Ook het boekje heeft niet veel meer te melden. Er worden zelfs dingen genoemd die ooit hebben bestaan, maar er nu niet meer zijn. Dat betekent dat je gaat kijken naar iets wat er niet meer is.
We hebben een flink stuk overbrugd en dat was knap vermoeiend. Ik zal straks uitleggen waarom. En het weer hield niet over. We vertrekken onder een grijze lucht. In de middag regent het, ’s middags hebben we wat zon en ’s avonds zijn er stortbuien.

Hebben we dan helemaal niets meegemaakt? Jawel hoor. We hebben een prachtig landschap gezien met heerlijk rustige wegen. Als je stil staat, hoor je alleen natuurgeluiden. In Jauldes kijken we even bij het Romaanse kerkje.

In de versieringen van het portaal spot Mevr. van der Veeke nog een heidense afbeelding verstopt tussen de anderen. Het is een vrouwtje met de benen wijd en een open ‘vizier’.  Waarschijnlijk een vruchtbaarheidssymbool. Het verbaast ons dat dit nog aanwezig is.

Angouliéme laten we links liggen en gaan we omheen. We komen wel langs de bron van het riviertje de Touvre. In het vennetje welt het water gewoon omhoog de grond uit. Onder de waterspiegel zitten grotten met rotsformaties.

De dag was knap vermoeiend omdat we behoorlijk wat hoogtemeters maken. Voor de niet-fietsers, dat zijn de klimmeters. De meeste viaducten zijn een meter of vijf hoog. Dat zijn dan vijf hoogtemeters. Wij hadden er vandaag 900. Zijn we dan 900 meter omhoog gegaan? In principe wel maar niet helemaal. Op het laatste stuk zag ik hoe het werkte. We moesten volgens het profiel 100 klimmen. Omdat het landschap zo golft, gaan we eerst 40 meter omhoog, maar dan weer 20 naar beneden. We stijgen vervolgens weer 30 meter maar zakken er 10. En zo gaat dat even door. Om de 100 meter te stijgen klimmen we in werkelijkheid 200 meter.

We eindigen in Ronsenac. Ik heb daar een Airbnb geboekt bij Ann en Martyn, een Engels echtpaar dat renteniert in Frankrijk. Er blijken hier veel Engelsen te zitten zoals we al eerder constateerden. We hebben onderweg niet kunnen eten maar er zit een Engelse pub, Jimmy,  in het dorpje. Hier kunnen we eten. We vrezen het ergste na het debacle bij de Ierse pub, maar mevrouw Jimmy kan lekker koken. We hebben een heerlijke Spaanse kip, rijst en salade.

Ronsenac bestaat al heel lang en lag aan de Romeinse weg van Perigueux naar Saintes. En er is een koude wensbron. Hier welt al vanuit de middeleeuwen water omhoog. Wij nemen de gelegenheid te baat, gooien er een muntje in en doen een wens. Je weet maar nooit.

Dag 026:

Met een uitgebreid ontbijt, samen met Ann en Martin, achter de kiezen, is de eerste klim een makkie. Vandaag weer veel kleine rustige weggetjes, maar er is een leuke onderbreking in Aubeterre-sur-Dronne. Dit dorpje wordt gezien als een van de mooiste van de streek en het is inderdaad een plaatje.

Daarnaast zijn er hier zijn twee bijzondere kerken.

De eerste is de Eglise Monolithe St. Jean. De bijzonderheid zit hem dat hij compleet uitgehakt is in de bergwand. En dan hebben we het niet over een kleine ruimte. Want om 27 bij 16 bij 20 meter uit te hakken moet je flink aan de bak. En in de 12e eeuw waren er weinig mechanische hulpmiddelen dus alles moest met de hand. Wij vergapen ons aan de enorme ruimte. Ook de doden werden in de kerk begraven. Hiervoor werden smalle sarcofagen in de vloer uitgehakt. De mensen werden daar, in een kleed gewikkeld, in smalle spleten gelegd. Binnenin staat een achthoekig gebouwtje, een reliquary, waarin de relikwieën, bewaard worden. Veel pelgrims kwamen hier bidden. Volgens de legende gaf dat bescherming. Daarom mogen de pelgrims, dus ook wij, gratis naar binnen.

De andere kerk is de St. Jacques, ook uit de 12e eeuw. Van binnen redelijk sober maar het beeldhouwwerk, met Spaans-Moorse invloeden, aan de buitenkant, is de moeite waard.

Via de pelgrimsweg gaan we naar het zuidelijker gelegen Bonnes en St. Auleye. We willen graag wat boodschappen doen want dit zijn de enige dorpjes die we vandaag tegenkomen. Maar na twaalven is niets meer open. Dan maar verder zonder boodschappen.

De route gaat verder door het groene Fôret de la Double. Vroeger was dit een onherbergzaam gebied met veel wilde dieren en nattigheid. Mensen leefden hier in erbarmelijke omstandigheden en er heerste zelfs malaria. De monniken van de abdij van Echourgnac hebben het gebied ontwaterd zodat het wat toegankelijker werd. Het zijn stille wegen want we komen nauwelijks een auto tegen. Fietsten we vanmiddag nog in T-shirt in de zon, hier worden we overvallen door een wolkbreuk. Voor het eerst heb ik het water in de schoenen staan.

Wat me een beetje tegenvalt tot nu toe is dat we zo weinig kunnen kamperen. Er zijn weinig campings langs de route en vaak ook nog gesloten. Dat vind ik jammer want de vrijheid van een tent is heerlijk. Ook nu ben ik weer terug gevallen op een Airbnb. Weliswaar was hij met €23 niet duur, het blijkt ook minimaal te zijn. Alleen een kamer met een bed. En er is een douche beschikbaar. Na wat woorden kan gelukkig ook de kachel aan. Maar goed, het is goedkoop.
Er is geen gelegenheid om te koken en onderweg hebben we geen boodschappen kunnen doen. Het eten bestaat dus uit een cup-a-soup en de laatste korstjes brood van gisteren. Een karig maal dat we buiten moeten maken omdat er in de slaapkamer geen gelegenheid is. Eigenlijk is dit te weinig om deze fietsprestatie te kunnen leveren. Maar morgen plunderen we de eerste supermarkt of bakkerij en dan halen we alles weer in.

Dag 027:

Zonder ontbijt glippen we de deur uit. Het is mistig en koud, de voorbode van een mooie dag. Maar dat duurde langer dan gehoopt. In le Pezou doen we boodschappen en bij de eerste gelegenheid stoppen we om het ontbijt in te halen.

Voor vandaag hebben we besloten er een kortere dag van te maken. Ik heb contact gehad met Tiffany, onze gastvrouw van vanavond. We mogen eerder komen en gebruik maken van de wasmachine. En dat is ook echt wel weer nodig. In eerste instantie denk ik dat we veel te vroeg aankomen maar het landschap is weer vermoeiend fietsen en het schiet niet echt op. Er is wel genoeg te zien onderweg.

We komen zo langzamerhand in het gebied van Bordeaux. Als dat je niets zegt, dan prima. Als het je wel wat zegt dan houd je waarschijnlijk wel van een glaasje wijn. Daarnaast wemelt het gebied hier van de chateaus. Nou zijn sommige kastelen best imposant zoals ze boven op een heuvel liggen. Het kasteel van Francs is bijvoorbeeld een stevige kerel. Maar ook die van Monbadon mag er zijn.

Sommige kerken kunnen zo in Game of Thrones. Het is dat er asfalt voor ligt, maar ik zie hier zo the high sparrow uit de deur komen. Dit is overigens het kerkje in Tayac. Uit de 16e eeuw.

Maar ook Montagne heeft een overschot aan kerken. In het dorp de Romaanse St. Martin, maar even verderop staat de St. George uit de 11e eeuw. Het bijzondere van deze kerk is dat hij op Romeinse resten is gebouwd en dat de onderkant van de toren smaller is dan de bovenkant. Waarschijnlijk heb je een meetlat nodig om dit te bepalen, want ik zie het zo niet.

Inmiddels zitten we tussen wijnvelden zover het oog rijkt. We zien ook een hoop bedrijvigheid tussen de druivenranken. Snoeien, wieden en wat er verder nodig is om water in wijn te veranderen. Ook heet elke boerderij nu ineens een chateau. En overal kun je proeven en kopen.

In St. Emilion komen we voor het eerst een beetje toeristische drukte tegen. Er zijn veel mensen op de been en er staan voor het dorp veel auto’s geparkeerd. Tot nu toe waren we vaak alleen of met een verdwaalde toerist. St. Emilion is een tourist-trap en dan voornamelijk voor de wijnliefhebbers.  De helft van de winkeltjes bestaat uit het proeven en kopen van een specifieke wijn. Maar er is meer te zien in St. Emilion.
Het is ook van oudsher een pelgrimsoord voor Compostellagangers die St. Emilion bezochten om hem te vereren én voor het bezoeken van de monolitische kerk, de Madeleine, die hier uit de rotsen is gehakt, net als de kerk een paar dagen geleden. Bezoeken lukt ons niet want een tour duurt twee uur en we hebben een was-afspraak bij Tiffany. Maar de buitenkant is mooi, het uitzicht is mooi en de straatjes zijn mooi. Er is hier alleen niet te fietsen door al die klinkers.

Inmiddels heeft de zon alle verlegenheid laten varen en is het zweten in zoveel kleren. Begonnen we vanochtend met 9 graden, nu is het boven de 23 graden. Tussen de wijngaarden door zweten we ons een weg naar Tiffany in Faleyras. Zij heeft de wasmachine klaar staan voor ons en morgen fietsen we weer in frisse kleding.

Noot:
Op deze pagina kun je een kaartje vinden. Daarom houd ik (bijna dagelijks) bij waar we geweest zijn, wat de route was en waar we nu zijn. Handig als je genoemde plaatsen terug wilt zoeken.

Quelle domage

All travel has its advantages. If the passenger visits better countries, he may learn to improve his own. And if fortune carries him to worse, he may learn to enjoy it. – Samuel Johnson

Dag 021:

Het was vannacht minder koud en ’s ochtends is de tent zelfs droog. Het was een fijne camping hier in Veigne maar we gaan toch door. Vandaag hebben we weer een landelijke route. Ik had het al eerder opgemerkt, maar we komen meer in het zuidelijke Frankrijk. Lanen met platanen, slaperige dorpspleintjes en ook de kerken veranderen. In het noorden zijn het meer gotische kerken met spitsboogvensters, in het zuiden is het meer de romaanse bouwstijl met rondboogvenster. Omdat hier meer pelgrims langs kwamen zijn de portalen van de kerken ook ruimer. Dan konden de pelgrims daar slapen. Persoonlijk vind ik het een meer christelijke gedachte om ze in de kerk te laten slapen, maar ja…

Wij hebben in elk geval weer een windje in de rug mee en ook de benen zijn inmiddels zo getraind, dat de kilometers moeiteloos voorbij gaan. In het plaatsje Sainte Catherine-de-Fierbois heb ik een deja-vu. We zijn hier eerder geweest en dat klopt. In 2011 hebben we de zadelpijn route gefietst met Lucas/Ria, Marcel/Birgit en Yke. Toen kwamen we ook door dit dorpje.

Nu zitten we koffie te drinken met andere pelgrims. We komen Wim/Annelies en Janneke/Edith de laatste dagen steeds weer tegen. Vaak staan we op dezelfde camping omdat we ongeveer dezelfde afstanden doen. En het is ook erg leuk om de ervaringen uit te wisselen en elkaar onderweg tegen te komen.

Sainte Catherine-de-Fierbois  ontleent haar naam aan de kapel die Karel Martel liet bouwen na de slag tegen de Moren in 732. Ste Catherine is de patroon van de soldaten. In de 14e eeuw kwam er een nieuwe kapel en toen Jeanne d ‘Arc hier ook nog kwam was het hek helemaal van de dam. Sinds 1451 worden hier pelgrims verzorgd, maar wij hebben geen verzorging nodig. Een goede bak koffie en we kunnen weer op weg.

In Ste. Maure-de-Touraine hebben we onze volgende stop. Het is een grotere plaats met veel pelgrimshistorie. Maar we willen alleen het oude pelgrimsgasthuis zien, met zijn inscriptie ‘A la belle image, bon vin, bon logis’. Het is wel duidelijk wat de pelgrim van weleer dronk. Wij houden het bij bier en cider.

Wij tikken plaatsje na plaatsje af. De zon schijnt en de wind duwt. Het landschap nodigt uit tot meditatie en daarom zijn we blij als we wat afleiding hebben onderweg. Soms is dat een opbeurende boodschap, dat het nog maar 1295 kilometer is naar Santiago. We zijn ongeveer op de helft. Wel de gemakkelijke, vlakke helft, maar toch.

De verveling neemt zulke vormen aan dat we zelfs weer stoppen bij een romaans kerkje in Antogny-Tillac. Misschien ook omdat de deur open stond want dat gebeurt niet zo vaak bij de kerken die wij onderweg zien.

Zo naderen we Chatellerault, een vrij grote plaats. De bedoeling is dat we hier op de municipal overnachten die ten zuiden van de stad ligt. De route leidt ons langs de Vienne de stad in. Deze rivier volgen we al een hele tijd. In Chatellerault zijn er verschillende bruggen over de Vienne maar de Pont Henri IV is wel de mooiste. Naast de brug, zijn er ook nog twee verdedigingstorens intact. In een ervan tekende Henri IV het edict van Nantes.

Verder kwamen en komen hier veel pelgrims, dus er is ook een kerk van St. Jacques. Het heeft een mooie gevel met de 12 apostelen. En ook het andere beeldhouwwerk is de moeite waarde. Binnenin schijnt een beeld van St. Jacobus in vol ornaat te zijn. Ik schrijf ‘schijnt’, want zeker weet ik het niet. Ook deze kerk was weer gesloten. Quelle dommage!

Op de camping municipal worden we blij verrast. Hij is al niet duiur met zijn €6,50 maar voor dat geld mogen we ook nog in het pelgrimshuisje. We moeten het wel delen met Janneke en Edith, maar zij vinden dat geen probleem. Dus deze keer lekker relaxt meteen aan het bier en eigen douche en toilet. In Groningen zouden ze zeggen ‘het kon minder’.

Dag 022:

Vandaag is mijn geluksdag. Ik krijg nieuwe trappers op mijn fiets. Ze kraakten al een tijdje en het werd steeds erger. Eigenlijk had ik in Poiters willen kijken naar een fietsenmaker, maar hij valt er na een paar honderd meter al vanaf. Even googlen en maps geeft een fietsenmaker op twee kilometer afstand. Dat red ik nog wel. Het blijkt een grote, moderne zaak en tien minuten later fiets ik weer weg met twee blinkend nieuwe trappers.

Bij Vieux-Poitiers zien we een toren staan. Het blijkt het enige overblijfsel te zijn van een Romeins amfitheater uit de eerste eeuw. Ooit was hij 116 meter breed en konden er genoeg toeschouwers in voor een  optreden van U2. En zo stevig gemaakt dat de toren er na 20 eeuwen nog staat. Een mooi voorbeeld van duurzaamheid. Iets verderop was de slag van Poitiers waar Karel Martel in 732 de Moren heeft verslagen.

Wij fietsen over een oude romeinse weg langs het riviertje de Clain. Het gaat wat moeizamer dan gisteren. De wind is naar oost gedraaid en hebben we minder mee, en later zelfs tegen. Maar de weggetjes zijn nog mooi, evenals het weer.

Bij het chateau van Dissay moeten we even stil staan. Al is het alleen maar omdat de hele weg open ligt. Maar ook onze mond valt open van het kasteel. Wat ligt het er prachtig bij. Het was het zomerverblijf van de bisschop van Poitiers. Hoezo gelofte van armoede? Het park werd aangelegd door le Notre, die we ook al eerder tegen kwamen. Afijn, gelukkig hebben wij er nu ook nog wat aan.

Een stukje verder komen we zomaar een hunebed tegen. Hier heten die dingen Dolmen. Vaak zoek ik ze thuis al op, maar dit jaar was de voorbereiding van de reis zoveel werk dat ik er niet aan toegekomen was. We worden altijd even blij van deze oude steenhopen.

Poiters is een enorme stad. We zitten eerst langs drukkere wegen, maar de routemaker heeft uiteindelijk toch weer een rustige weg gevonden. Zo komen we vrij gemakkelijk langs het centrum. Om in het centrum te kijken, moeten we helaas omhoog klimmen, maar we doen het toch. Want hoe vaak kom je nu in Poitiers?

De stad was in de Romaanse tijd bekend onder de naam Limonum en lange tijd is het een belangrijke stad en machtscentrum geweest. Daarom tierde het geloof hier ook welig en het stikt hier van de kerken en kathedralen. Wij bezoeken er twee.

De Notre-Dame-la-Grande, uit de 11e en 12e eeuw,  is een van de mooiere voorbeelden van de Romaanse bouwwijze. De voorgevel is als een stripverhaal voor de, vaak, ongeletterde pelgrims. Er is ontzettend veel op te zien en niet zo verminkt door de Franse revolutie. Vroeger waren de kerken van binnen vaak heel kleurig. In de loop der tijd zijn al die kleuren vervaagd en zien we meestal gewoon het steen. In deze kerk hebben ze dit weer hersteld. En het wordt er een stuk vrolijker van.

Ook gaan we even bij de St. Pierre kathedraal langs. Deze is in een afwijkende gotische stijl gebouwd. Ook hier weer een mooi portaal en veel kleurtjes binnen.

Poitiers uitkomen is ook weer klimmen en er zijn geen mooie rustige weggetjes. We zitten een kilometer of 20 op drukke D-wegen. Het is spitsuur en het verkeer raast behoorlijk langs ons heen. Niet zo leuk dus. De vermoeidheid begint mee te spelen. Hier zitten geen campings in de buurt dus via booking.com heb ik een mooie kamer geregeld bij een landhuis.

Als we er aankomen, is het een oase van rust. Dat is net wat we nodig hebben na alle campings langs snelwegen en sporen de laatste tijd. Het is van binnen ook smaakvol ingericht en omdat we de enige gasten zijn, krijgen we de grootste kamer. Er is een aparte eetkamer met keuken die we mogen gebruiken, een zitkamer en buiten is een prachtige tuin. Ik geloof dat we de locatie voor een rustdag gevonden hebben.

Dag 23:

Na meer dan drie weken fietsen met maar één rustdag is het lijf moe. We merken dat alles moeizamer gaat maar ook dat je de interesse begint te verliezen in je omgeving. En dat terwijl hier zoveel mooie dingen te zien zijn. Vandaar dat een rustdag af en toe noodzakelijk is. Het moet tenslotte ook nog een beetje op vakantie lijken, nietwaar?

Toch fietsen we vandaag nog een dikke 16 kilometer. Want we hebben boodschappen nodig voor het eten en de dichtstbijzijnde winkel is acht kilometer verderop. En zonder bagage is dit heel makkelijk fietsen voor ons.

De rest van de dag werk ik de verslagen wat bij, smeer de kettingen van de fietsen en kan er eindelijk weer een boek open. Vanavond koken we een lekker maaltje en dan kunnen we morgen weer fris op de fiets. Er is regen voorspeld, maar dat zien we dan wel weer.

End of part one

Only those who will risk going too far can possibly find out how far one can go. – T.S. Eliot

Dag 017:

We slapen onder een dakraam en daar hoor ik de hele nacht de regen tegen het raam kletteren. De voorspelling was al niet best en als ik ’s ochtends op de buienradar kijk dan zie ik dit:

Niet goed dus. Maar later op de dag kan het beter worden. We rekken het ontbijt wat. Dat is ook niet moeilijk met versgebakken brood en andere lekkere dingen. Maar uiteindelijk moeten we toch gaan. We vertrekken zonder regenbroek, maar voor we Chartres uit zijn, kan hij aan. Langs de route staat St. Jacobus ons uit te zwaaien.

Eigenlijk regent het de hele ochtend. Wel in varianten van lichte regen, zware regen en hele zware regen, dus eigenlijk gebeurt er altijd wat. De temperatuur is overigens ook weer in de enkele cijfers, dus dat helpt ook niet mee. Daarom zijn we blij dat we even in de kerk van Meslay-le-Grenet kunnen kijken. Daar is een unieke muurschildering van de dance macabre, aangebracht naar aanleiding van de 100-jarige oorlog en de pestepidemieën. Grote toeristische borden wijzen erheen en als we aankomen dan… is de kerk dicht. Hij blijkt alleen de eerste zondag van de maand ’s middag open te zijn. Onbegrijpelijk.

Wij ploeteren voort. Het is hier een erg landelijke omgeving. Hier doorheen fietsen is voor mij hetzelfde als op blote voeten door een labyrint te gaan. Het voortdurende trappen, de druppels op mijn gezicht en de verplaatsing is een uitstekende manier om het onkruid uit het hoofd te wieden. Het is hier mooi, maar de dorpjes zijn klein en er zijn geen voorzieningen. Er is dus geen gelegenheid voor een koffie binnen. Daarom zitten we weer eens in een bushok.

Tegen de middag begint het wat op te klaren. Dit wil niet zeggen dat het droog blijft, maar de zon schijnt net lang genoeg om mijn jas te drogen waarna hij weer nat kan worden. Toch genieten we van de omgeving en komen we zomaar een menhir tegen. Daar worden we altijd even blij van.

Bonneval is een oud vestingstadje met mooie huisjes, nog intacte stadspoorten en een Notre Damekerk. Maar we zijn er niet van onder de indruk. In St. Christophe staat een mooi voorbeeld van een versterkte boerenhoeve en in Dheury zien we de traditionele rieten daken. Zelfs de wasplaats heeft er een.

Er zit ons een flink onweer op de hielen. We redden het niet en schuilen dan ook even in het kerkportaal van Dheury. Na wat donder en regen kunnen we weer verder.

Aan het begin van Chateaudun hebben we weer een Airbnb geboekt. Tot nu toe hebben we er goede ervaringen mee, maar met deze ging de communicatie wat bijzonder.  We komen terecht in een achterafbuurt waar we de fietsen in een rommelgarage kunnen stallen. De kamer ziet eruit als een boudoir en we hebben het vermoeden dat hij soms gebruikt wordt voor buitenechtelijke ontmoetingen. Onderstaande foto is een van de dingen in onze kamer. Maar goed, er staan een paar lekkere stoelen, het bed is schoon en goed en we kunnen gebruik maken van de keuken om onze maaltijd te maken. Morgen wordt het hopelijk mooi weer en kunnen we in de tent.

Dag 018:

We hebben geen spijt om deze Airbnb te verlaten. Ondanks dat we goed geslapen hebben, voelde het hier niet goed. Het is stralend weer, dus vanavond weer in het tentje.

We gaan eerst nog door Chateaudun heen. Gisteren hebben we nog niets gezien van de stad, maar dat wordt nu ruimschoots goedgemaakt.
Het stadje is gebouwd rondom een kasteel op een kalkstenen heuvel van 60 meter hoog. Lange tijd de residentie van het graafschap Dunois. In de 15e eeuw woonde Jean Dunois hier. Hij was de Jon Snow in de strijd tegen de Engelsen en vocht samen met Jeanne d’Arc tegen hun. In 1723 brandde de stad als een fakkel waarbij alleen het chateau en de kerken bleven staan. Bij het opnieuw opbouwen hebben ze voor een strak stratenpatroon gekozen. We komen nog wat authentieke straatjes en huizen tegen. De donjon is uit de 12e eeuw en 30 meter hoog. Een van de grootste en oudste in Frankrijk. Al met al is het een imposant optrekje.

Wij dalen af en komen al snel bij Le Loir (niet te verwarren met de Loire). Dit riviertje volgen we bijna de hele dag. We zitten hier in kastelen-land en dat is duidelijk te merken. Er is er altijd wel een in het zicht. Bij Montigny-Le-Gannelon komen we weer zo’n lekkere jongen op een heuvelrug tegen. Deze keer is het Chateau du Prince-duc de Montmorency. Het staat deels in de steigers. Mooi dat ze dit erfgoed zo onderhouden.

Cloyes-sur-le-Loir was een voormalig vestingstadje dat vroeger een etappeplaats was voor pelgrims. De naam van de herberg herinnert hieraan. Ook de kerk heeft een grote schelp in het glas-in-lood raam en een oud St. Jacobsbeeld. Die kan wel een likje verf gebruiken. Een kilometer naar het zuiden  ligt de Chapelle Notre Dame d’Yron. Onder aanvoering van de herder Estienne uit Cloyes vertrokken hier in de 12e eeuw zo’n 20.000 kinderen op kruistocht naar het heilige land. Niemand keerde terug. Hierop is het boek Kruistocht in Spijkerbroek gebaseerd.

Wij hebben een makkelijke fietsdag. De wind geeft een duwtje in de rug, de zon schijnt en de route gaat voornamelijk parallel met de heuvels. Weinig klimwerk vandaag zo langs de Loir. We passeren dorpjes als Morée, Fréteval en Pezou. Die hebben allemaal weer een bijzondere kerk en mooie oude straatjes. Maar daar hebben we er even genoeg van gezien. We zitten liever langs de Loir met een boterham en een bakje koffie.

Zo komen we vroeg in de middag bij Vendôme. Een schilderachtig plaatsje aan de Loir waar van alles te doen is. Maar daarover morgen meer.

We maken er een korte dag van en gaan lekker naar de camping. De tent is blij dat hij eindelijk weer uit het zakje kan en we vinden een mooi plekje in de zon. Omdat we zo vroeg in het seizoen zijn, staan er alleen een paar campers op het terrein. Enige nadeel is dat het hier wat lawaaierig is door de aanpalende snelweg. Toch besluiten we hier een rustdag te nemen. Daar zijn we wel weer aan toe na een week fietsen en het weer blijft nog even mooi. Dat geeft ons morgen ook alle tijd om Vendôme te bekijken.

De camping heeft een wasmachine. Na twee weken onderweg begint alles wat te ruiken. Wassen lukte wel met al die regen. Daar hoefden we haast niets extra voor te doen. Maar het drogen was een probleem. En als de mensen naast je in de winkel met hun neus beginnen te trekken, dan weet je dat het tijd. Afijn, na twee wasjes kunnen we voorlopig weer vooruit.

Dag 019:

De nacht doet rare dingen met je. We hebben ons voorgenomen om ons niets aan te trekken van het lawaai van de snelweg. Maar in je slaap heb je er toch last van als de vrachtwagens telkens langs denderen. Dus terwijl het nog donker is, besluiten we vandaag weer op pad te gaan. Daarnaast is het vannacht best koud en dat merken we in onze botten, gewrichten en rug. Toch gaat er niets boven in het tentje slapen en zo lang het weer niet te koud en te nat is blijven we dat doen.

We beginnen met een bezoekje aan Vendôme. Het blijkt een alleraardigst stadje te zijn. Op de een of andere manier hebben we een onzichtbare grens overgestoken van Noord-Frankrijk naar een meer mediterrane Midden-Frankrijk.

In de Gallo-Romeinse tijd heette het hier Vindocinum (witte berg). In de 11e eeuw werd hier een kasteel en een Triniteitsabdij gebouwd.

Het verhaal gaat dat St. Martin hier een stervend kind, in de armen van zijn moeder, tot leven wekte. Als zo’n hartverscheurend verhaal niet als een pelgrim-magneet werkt, dan weet ik het ook niet meer. En dat deed het ook. De stad is nu een belangrijk pelgrimsoord. En er is hier genoeg te zien. We kijken eerst naar de abdijkerk St. Trinité. Deze heeft een prachtige façade in laatgotische stijl.

Aan de Rue de St. Jacques staat nog de Jacobskerk. Maar afgezien van de naam zijn er geen sporen meer die ons herinneren aan onze grote leider. De kerk is nu een multifunctioneel centrum en ze zijn er net een expositie aan het inrichten. Het dak van de kerk is wel het bekijken waard. Het is net een schip op zijn kop en de dwarsbalken ontspruiten uit krokodillenbekken.

Aan het Place de St. Martin staat de vrijstaande Tour St. Martin. Dit is de 15 -eeuwse klokkentoren van een verdwenen kerk. Het is een van de mooiste (bij elke beschrijving staan weer superlatieven) van Frankrijk en het voorbeeld voor de klokkentoren van Chartres, die we een paar dagen eerder zagen.

Aan het pleintje staan nog een aantal oude vakwerkhuizen. Op nummer 24 zien we het beeld van St. Jacques en St. Martin.

Daarmee hebben we de bezienswaardigheden van de dag gehad. Het is prachtig weer en een harde wind in de rug doet ons de schamele 35 kilometer moeiteloos overbruggen. We genieten van het landschap en zelfs de meerdere route barrées kan ons niet van koers afkrijgen. We navigeren moeiteloos om de werklui heen.

Dan brengt ons vroeg in de middag in Chateau-Renault op een mooie, rustige municipal waar we voor € 9 een nachtje kunnen staan. We lopen even naar de Intermarche voor de boodschappen. Het stadje lijkt alleen te bestaan uit snelwegen en rotondes. Misschien dat we morgen, aan de andere kant van de snelweg, een beter beeld krijgen. We zien alleen het chateau, waar de stad zijn naam aan ontleent,  nog op de heuvel liggen. Inmiddels hebben we al een heel gasblik opgekookt, maar gelukkig kunnen we hier bij de Bricolage een nieuwe krijgen. Kunnen we weer twee weken vooruit.

De rest van de middag wordt in gepaste, en verdiende, rust doorgebracht. Wordt het toch nog een beetje een rustdag.

Dag 020:

Bij het verlaten van Chateau-Renault verandert onze mening niet. Hier is niets te zoeken. Mocht je hier ooit in de buurt komen, getroost je de moeite en rijdt snel door.

Vandaag hopen we minimaal Tours te halen en het eerste deel van het Santiago deel af te ronden. En ik kan alvast verklappen; dat lukt. We hebben weer een mooie landelijke route waarbij we veel versterkte boerderijen en chateau’s te zien krijgen. En er is wederom een harde wind in de rug. Ik vraag me af of het hier altijd zo waait. Wij vinden het in elk geval niet erg.

Ik vind het altijd knap dat de routemakers weggetjes weten te vinden waarmee je ongemerkt een grote stad binnenkomt. Ook hier is dat weer zo. We zitten een hele tijd op een voormalig treintraject dat ze als voie-verte hebben omgebouwd tot fietspad.  Zo fietsen we hier een hele tijd op de vroeger spoorbaan langs de Brenne. Geheel vrij van auto’s en mooi landelijk.

Het is hier een kalksteengebied. Dat merk je aan de huizen, de wegen en aan de heuvels. In Rocheberon zijn er in de hellingen vroeger grotwoningen uitgehakt. Tegenwoordig wonen hier geen mensen meer maar ze worden, als caves, gebruikt voor opslag van goederen. Hoog aan de monding van de Bedoire staat de Rochecorbon, een wachttoren uit de 15e eeuw.

Ook bij Tours, toch geen kleine plaats, zijn er voldoende fietspaden om de stad ongemerkt binnen te komen. Inmiddels zij we bij de Loire (niet te verwarren met de Loir) aangekomen en de Loirehangbrug leidt ons bijna rechtsreeks naar de kathedraal.

Ik had gezegd dat ik was uitgekeken op kerken, maar een mooie kathedraal krijgt me nog wel uit het zadel. En die van Tours is de moeite waard, al is het alleen maar om de stempel.

Tours was, en is, een belangrijke verzamelplaats voor pelgrims. Wij zien er dan ook meteen meer omdat allerlei routes hier samenkomen. De kathedraal heeft een hele historie. Een belangrijk figuur in deze historie is St. Martin, die wij beter kennen als St. Maarten. Je weet wel, die zijn mantel deelde en tegenwoordig de beschermheilige van de tandartsen is. Hij had hier een enorme tombe, maar die is verwoest. Later heeft hij een nieuw plekje gekregen in de basiliek. Meer details kun je op wikipedia kunt lezen. Wat wij leuk vinden om te zien is dat je de verschillende bouwstijlen terug vindt omdat de bouwtijd zo lang was (13e-16e eeuw). Onderaan is het Romaans, in het midden de flamboyante gotiek en bovenop renaissance  koepels. Ik vind de buitenkant dan ook mooier dan de binnenkant, ondanks de grote hoeveelheid gebrandschilderde ramen.

Tours is een leuke, gezellige stad. We fietsen nog even het centrum in om de oude huisjes te bekijken en een ijsje te eten aan het Place Plumereau. Ja, een ijsje. Het is inmiddels zo warm, dat ik in T-shirt fiets en we zin hebben in ijsjes.

Hiermee zijn we ook aan het einde gekomen van het eerste deel naar Santiago. Een kleine 1200 kilometer vanaf Baflo. Dit boekje kunnen we naar huis sturen.

Wij besluiten niet in Tours te blijven hangen. Als we een tijdje op fietsreis zijn, krijgen we steeds minder behoefte aan steden en meer behoefte aan het platteland. We slaan de camping in Tours over en nemen de volgende in Veigne. Dat blijkt een leuke camping te zijn met een erg grappige eigenaar. We vinden een mooi plekje. Het waait alleen wat hard, maar tegen de avond gaat hij liggen. Nu maar hopen dat het vannacht ook wat minder koud is. Want afgelopen nacht moest ik er wel drie keer uit om te plassen en dat was een bitter koude bedoening.

Het leven is een labyrint.


The first condition of understanding a foreign country is to smell it. – Rudyard Kipling

Dag 015:

Onze gastvrouw Cecile was gisteren heel erg behulpzaam en verzorgend. Maar vanochtend blijft ze liever in bed liggen. Ondanks dat we meerdere keren de trap afklossen, komt er niemand ons uitzwaaien. Maakt ook niet uit, we hebben weer een prima overnachting gehad.

Maar zonder ontbijt dus bij de eerste picknicktafel strijken we neer. Vannacht kletterde de regen omlaag, maar voor nu is het even droog. We smeren een broodje en zetten thee. Hier kunnen we weer een tijdje op vooruit.

Het weer is vandaag weer niet echt om naar huis te schrijven. Het is behoorlijk bewolkt. Af en toe vallen er behoorlijke buien. Die maken vlekken op mijn hagelwit humeur. Regelmatig staan we ergens in een bushok of in een portiek te schuilen. Pas na de middag wordt het echt droog en zien we de zon af en toe. Het zij zo. Ook het fietsen is een behoorlijke inspanning. We zitten weer boven de 700 hoogtemeters en ondanks de magere 64 kilometer komen we pas na vijf uur aan. Toch gaat het fietsen lekker. We gaan gestaag de hellingen op en zijn wel moe aan het einde van de dag, maar niet uitgeput.

Vandaag is er niet zoveel te zien. In het boekje worden wel wat dingen genoemd, maar die hebben meer met de route te maken dan met de bezienswaardigheden. Zelfs de kerken trekken hier geen aandacht meer. We passeren de Seine, en komen in het gebied waar de forenzen uit Parijs wonen. Het is hier dus een stuk drukker met de auto’s dan eerder deze week. We vervelen ons echter niet. Het golvende landschap, de uitgestrekte akkers, her en der een dorp en de kronkelende wegen zijn een lust voor het oog. De dorpen zijn mooi met hun oude huizen. Er zijn weer bankjes en voorzieningen.

We hebben vandaag weer een Airbnb. Er is maar één camping in dit traject en op internet zie ik dat deze gesloten is. Dat is jammer, want ik wil wel weer kamperen. Maar het is ook goed want we hebben een kamer in een prachtig landhuis met heel veel faciliteiten. En we hebben een rond bed. De enige andere keer dat ik in een rond bed lag, was bij Ria. Natuurlijk niet met Ria. Ik lig alleen met Mevr. van der Veeke in bed.

Soms vragen mensen wat er dan zo fijn is aan het fietsen. Zij zien alleen de regen, de wind en het afzien. Maar het fietsen heeft eigenlijk heel veel voordelen.

Als je fietst, dan ben je eigenlijk continu op vakantie, want je hebt geen reistijd. De reistijd is vakantie en de vakantie is reistijd.

Door op de fiets te reizen, zit je echt in het landschap. Je hoort alles, je ruikt alles en je gaat net langzaam genoeg dat je ook alles ziet en ervaart. En dat heb je niet als je in de auto reist. Dan ga je door het landschap.

En ja, je moet heel vaak een berg op. Maar daar staat tegenover dat je net zo vaak een berg af mag. Er gaat niets boven een lange afdaling. Of een steile afdaling waarbij je de berg afsuist. En als bonus krijg je er prachtig gespierde benen van.

Er gebeurt de hele tijd wat. Het landschap verandert, de mensen zijn overal anders. Vaak roepen ze je na met aanmoedigingen. De taal verandert, het eten verandert en zelfs het wegdek is overal anders. Je leert genieten van deze kleine veranderingen en waardeert het als het goed of mooi is. Als het minder goed is, dan kijk je uit naar het moment dat het beter wordt.

Als je fietst, kun je eten wat je wilt. Elke ochtend gebak bij de koffie. Tussen de middag een extra broodje. Elke avond een biertje als je wilt en chips zoveel je op kunt. Het maakt allemaal niet uit, je fietst het er toch wel weer af.

En tenslotte, je slaapt elke nacht als een roos. Het is vaak vroeg naar bed en dan een heerlijke nacht. En ’s ochtends weer op tijd op zodat je weer een prachtige lange dag hebt. Zoveel voordelen van het fietsen, dan je niet snapt waarom iedereen het niet doet. En dan heb ik het nog niet eens over het milieu gehad.

En dan tenslotte het antwoord op de vraag waarom we nú fietsen. Als we te lang wachten dan gaat het allemaal moeilijker, dan krijg je wat lichamelijke ongemakken en voor je het weet val je in slaap op ongemakkelijke momenten.

Dag 016:

We hebben een erg leuke avond gehad met Sylvie en François. Na het eten presenteerden ze een kop koffie en hebben we in een mengeling van Frans en Engels boeiende gesprekken gehad. En zo zijn we veel meer te weten gekomen over het Franse leven. Sowieso is Airbnb erg leuk omdat je bij mensen thuis komt en ziet hoe ze leven. Als we ’s ochtends vertrekken maken we vaak een selfie met onze host. Zonder François, want die moest om vier uur al  aan het werk.

We maken er vandaag een korte dag van. Het is 40 kilometer naar Chartres en daar willen we graag even rondkijken. Met name de kathedraal schijnt de moeite waard te zijn en dan moet ik me maar even over mijn, tijdelijke, aversie van kerken heen zetten. De zon doet zijn best weer en we hebben een landelijke route. Het is ook wat minder klimmen dan de afgelopen dagen, dus de kilometers  gaan moeiteloos voorbij.

Onderweg is vandaag iets meer te zien. Waar we even stil bij staan is het chateau van Maintenon dat langs het riviertje de Eure staat. Dit is opgebouwd uit een oorspronkelijk feodaal kasteel door Madame de Maintenon, oftewel Francoise d’Aubigne. Zij was de maîtresse van Lodewijk XIV, maar uiteindelijk trouwde hij wel met haar. Om het kasteel heen werd een prachtig park aangelegd door de landschapsarchitect le Notre. En ook nu staat het kasteel er nog erg mooi bij. Mocht je er € 8,50 voor over hebben, dan kun je het ook nog bezoeken.

Achter in de tuin en ook daarbuiten zie je de restanten van het aquaduct, ook een leuk verhaal. Het zou 110 kilometer lang worden en moest de tuinen van het chateau van Versailles van water voorzien. Er werd in 1640 aan begonnen en op het hoogtepunt werkten er 30.000 mensen aan, voornamelijk soldaten. Maar na 40 jaar problemen omdat de soldaten naar een oorlog moesten en arbeiders ziek werden en/of gewoon wegliepen, is men ermee gestopt. En dat terwijl het bijna af was. Saillant detail is dat Lodewijk de XIV opdrachtgever was en door zijn eigen vrouw, Madame de Maintenon, aangeklaagd werd omdat het haar uitzicht bedierf.

Ondanks dat ze er alles aan doen om ons tegen te houden, komen we toch rond enen aan in Chartres. Overigens komen we dagelijks meerdere route barree tegen. Meestal doen we of we geen Frans kunnen en fietsen gewoon door. En meestal gaat dit goed.

We hebben een Airbnb in de stad geboekt. Er stond bij dat het zicht had op de kathedraal en dat klopt helemaal. Wat een kolos, zelfs van een afstand.

In 1146 begon Bernardus van Clairvaux (ja, daar is hij weer) een tweede kruistocht vanuit Chartres. Daardoor groeide het uit tot een belangrijke etappeplaats voor pelgrims. Ook kwamen ze omdat de maagd Maria haar hemd in de kathedraal had laten liggen.

De kathedraal is voor het eerst in de 12 eeuw gebouwd en daarna verwoest door Vikingen. Weer opgebouwd, afgebrand en daarna weer opnieuw gebouwd. Nieuw voor die tijd was dat ze een gewelf van 36 meter hoog bouwden. Ze maken stenen luchtbogen die het gewicht van de gewelven overbrachten op de steunberen. Grappig is om te zien dat de metselaar aan de ene kant van de boog er anders over dacht dan de metselaar aan de andere kant van de boog. Ze zijn verschillend gemetseld.

De kathedraal binnenin is zondermeer fraai te noemen. Heel veel glas-in-lood en men is bezig met de restauratie van de beelden. Je kunt duidelijk het verschil zien tussen een schoongemaakt gedeelte en een oorspronkelijk deel.

Ook in deze kathedraal weer een, in de vloer ingelegd, labyrint. Het is 12,5 meter in doorsnee en als je hem helemaal afloopt dan is het ongeveer 300 meter. Normaal staan er stoelen op en hij is alleen op vrijdag te belopen. Er zijn een hoop gekkies die dit doen. Zwaaiend met de armen, dansend, voetje voor voetje, in meditatie of trance, noem maar op.  Het wordt gezien als een symbool van je eigen levensreis. Ik heb er niets mee, maar het is boeiend om naar de mensen te kijken.

Chartres is niet zo groot en we zwerven dan ook nog even door de stad. Naast de kathedraal is er nog de kerk van St. Pierre, maar dat is een beetje een zielige vertoning. Het is duidelijk waar het geld wel en niet heen gaat. De stad heeft een hoop oude straatjes en gebouwen. Ook is er veel vakwerk te zien. We nemen het allemaal in ons op. En ja, het lijkt alsof we alleen zijn op de foto’s. Dat komt omdat we (nog) buiten het seizoen zijn er er nog weinig toeristen (zoals wij) zijn.

Tegen een uur of vijf begint het te regenen. Voor ons het sein om de kroeg in te gaan om de indrukken van Chartres te evalueren. Zes maanden per jaar zijn veel belangrijke gebouwen verlicht in Chartres. Maar dat begint pas na tienen en dat kunnen we niet opbrengen. Ons fietslijf moet dan uitrusten. Daarnaast nodigen de regenbuien ook niet uit. We vinden dit niet erg want nu hebben we nog een goede reden om terug te komen.

Overdosis kerken

Travel makes one modest. You see what a tiny place you occupy in the world. – Gustave Flaubert

Dag 012:

Gelukkig deed de verwarming het niet op onze kamer, dus als we buiten komen, zijn we al helemaal gewend aan de temperatuur van 4 graden. Ik vertrek weer in driekwart broek maart na een paar kilometer staat de rijp op mijn kuiten. Nu heb ik een lange hardloopbroek bij me , speciaal meegenomen voor als het koud is. Maar op de een of andere manier blijft hij toch steeds in de tas. Het is een beetje als met plassen ’s nachts. Je blijft maar liggen en liggen en uiteindelijk ga je 10 minuten voor je eruit moet. Je had beter meteen kunnen gaan. Maar beter ten halve gekeerd dan ten hele gedwaald, dus voor het gemeentehuis in Bantouzelle sta ik in mijn onderbroek te wisselen. Goede keus, want daarna is het minder koud.

Honnecourt-sur-Escaut is de geboorteplaats van Villard de Honnecourt, één van de grotere middeleeuwse Franse architecten. Hij is ook een soort van lokale Leonardo-da-Vinci geweest. Voor de kerk staat een reproductie van zijn zaagmachine op water. Ik zie niet hoe dit ooit heeft kunnen werken, maar dat heb ik ook bij sommige werktuigen van Leonardo.

Verkeerd rijden op deze route is schier onmogelijk. Je wordt onderweg overvoerd met schelpen, pijlen en andere richtingsaanduidingen. Het verwarrende is wel dat sommige voor de wandelaars zijn en sommige voor de fietsers. Het helpt je wel steeds herinneren waar we mee bezig zijn.

De route is vrij landelijk vandaag. Voor Saint-Quentin is hij nog wel oké. De wegen zijn rustig en de koolzaadvelden staan in bloei. Her en der komen we nog een (gesloten) kerkje tegen.

We komen ook langs de bron van de Schelde. Nu zitten we al dagen langs de l’ Escaut, maar het duurde even bij mij voor het kwartje viel dat dit de Franse naam voor de Schelde is. In elk geval komen we langs de bron van deze rivier. Vanaf dit punt meandert hij in 360 kilometer langs 120 dorpjes in Frankrijk België en Nederland. Bijzonder dat zo’n waterput uiteindelijk uitmondt in een rivier van 5000 meter breed bij Vlissingen.

Via een jaagpad komen we in Saint Quentin. Ik ken deze naam alleen van het legendarische optreden van Johnny Cash in de gelijknamige gevangenis in Amerika, waar hij een van zijn hits ‘A boy named Sue’ heeft opgenomen. Maar het ligt hier al sinds de tweede eeuw. Eerst onder de Romeinse naam Augusta Viromanduorum maar later vernoemd naar de prediker uit Picardië, Quintines die in de derde eeuw onthoofd werd en zijn lichaam werd in het moeras gegooid. Heel normaal voor die tijd, toch? Maar wacht, nu wordt het interessant. Zijn lichaam wordt gevonden door een blinde vrouw (ze zal er wel over gestruikeld zijn) en daarna kon ze weer zien!

De route loopt langs de stad maar wij klimmen wel even naar het centrum om het flamboyante gotische stadhuis uit 1500 te bekijken en de gotische basiliek. De laatste is wat vervallen. Er ligt stof van eeuwen, vele beelden zijn nog gemutileerd door de Franse revolutie en er is wat achterstallig onderhoud. Toch is het een mooi gebouw waar genoeg te zien is. We vinden zowaar St. Jacobus ook in een van de erkers terug. In het schip van de basiliek van Saint-Quentin zijn, achter de kerkbanken, de vloertegels in de vorm van een labyrint gelegd. In vroeger tijden legden de kerkgangers deze 260 meter op hun knieën af.

In Saint Quentin hebben we trouwens een uitstekende maaltijd in een prachtig restaurant. Vooral het glas in lood plafond maakt indruk op me. We eten hier omdat we vanavond weer in een Airbnb zitten. Er is geen camping en ook geen restaurant.

De laatste dertig kilometer loopt eerst nog een tijd over het jaagpad langs het Canal de St. Quentin. Al snel komen we op drukkere en minder drukke D-wegen. Niet bijster interessant, zeker niet omdat de beloofde noordwesten wind een zuidwesten wind blijkt te zijn, en dus tegen.

Tegen kwart voor zes staat Annie ons al op te wachten in de Airbnb. Het is een adequate kamer maar wederom geen werkende kachel. Jacobus stelt ons telkens weer op de proef. In elk geval zitten we droog en warmer dan buiten. Want de voorspelling is vorst voor vannacht.

Dag 013:

Na een uitstekende nacht hebben we eerst Noyan op de agenda staan. Het belooft vandaag een mooie dag te worden en dan ziet alles er meteen anders uit.

De plaats bestond al in de eerste eeuw en in de zesde eeuw werd het een van de hoofdsteden van het Frankische rijk. Dat verklaart ook waarom er zo’n belachelijk grote kathedraal staat. Hierin werd Karel de Grote in de 9e eeuw gekroond. De kathedraal wordt gezien als een stilistisch meesterwerk uit de overgangsperiode van romaans naar gotisch. Wij nemen er natuurlijk een kijkje. Onderhand hebben we al de nodige kerken en kathedralen gezien dus we worden wat blasé. Maar de sint van de smid trekt toch even mijn aandacht.

Achter de kathedraal staat de kapittelbibliotheek uit 1502 die deels rust op houten spanten. Ik vraag me af hoe lang ze het nog uithouden.

Bij de kerk was niets te doen en als we naar het centrum gaan, is het wel duidelijk waarom. Er is markt. Van alles wordt verkocht en sommige delen lijken wel een Berbermarkt. Er staan allerlei mensen die hun waar aankondigen en het werkt als een magneet op Mevr. van der Veeke. Met moeite kan ik haar redden uit deze poel van verderfs.

In Ourscamp staat wederom een priorij, gesticht door St. Bernardus. Wij hebben het wel even gehad met al het kerkelijke gebeuren, dus we wippen alleen even naar binnen voor een stempel.

Via het Foret de Laigue gaan we richting Compiègne. Na al die D-wegen is het heerlijk rustig in het bos waar je eindelijk de vogels kunt horen fluiten. Via Gert krijg ik nog een interessant feitje te weten:

Op de spoorlijn door het bos bij Compiègne is eerste wereldoorlog officieel beëindigd. In spoorwagon nummer 2419 D hebben de Duitsers op 11-11-1918 een wapenstilstand getekend. Sindsdien is de elfde van de elfde in België en Frankrijk een nationale feestdag. Op 24-06-1940 liet Hitler hetzelfde rijtuig op dezelfde plaats neerzetten om daar persoonlijk de Fransen op te wachten voor het tekenen van hun capitulatie. Wereldgeschiedenis dus.

Compèigne heeft een lange historie met Romeinse wortels. Koningen jaagden graag in de aanpalende bossen en de stad vormde zich in de 9e eeuw rondom een kasteel en een abdij. Ook Jeanne d ‘Arc heeft hier de nodige meters gemaakt. Sinds ik Game of Thrones kijk, heb ik een goed beeld van Jeanne. In de serie heet ze Brienne of Tarth. In elk geval kwam ze te hulp toen de stad werd belegerd. En als beloning werd ze voor 10.000 pond verkocht aan de Engelsen en we weten allemaal waar ze eindigde. Laten we hopen dat Brienne dit lot niet ten deel valt.

Ook werden hier in 1360 hier de eerste Franse Francs geslagen om Koning Jean II vrij te kopen van de Engelsen. Klopt me wat vreemd in de oren om je eigen monopolygeld te maken maar voor de Engelsen was dit geen probleem. De Franc werd overigens pas in 1795 de officiële munteenheid (als opvolger van de livre).

Wij zijn onder de indruk van het stadhuis die, volgens het boekje, een goed voorbeeld van de ontwikkeling van gotiek naar renaissance toont. En we gaan kijk bij de Eglise St. Jacques uit de 13e-14e eeuw. De naam is het enige wat we van onze beschermheer zien. In de kerk is het overbevolkt met andere heiligen, Jeanne d’Arc en ik vind een nisje dat uitpuilt van de relikwieën. Er liggen genoeg schedels, botten en andere lichaamsdelen om het volledige laatste avondmaal te bevolken.

De laatste 30 kilometer meanderen we door de velden richting Nointel. De klimmetjes worden hier wat langer en steiler, maar zijn nog steeds goed te doen. Er was hier wederom geen camping dus ik heb nu via Airbnb een heel huisje kunnen huren. En Christine, de verhuurster heeft beloofd de kachel lekker op te stoken voor als we komen. En dat doet ze. Heerlijk zoveel ruimte, luxe en warmte.

Dag 014:

Alles is in evenwicht. Hadden we gisteren een mooie, zonnige dag, vandaag hebben we een onstuimige dag met wisselbaden. We kunnen gelukkig nog vertrekken zonder regenbroek en gaan eerst even bij Clermont aan. Op zich hebben we het wel even gehad met de kerken, maar we gaan toch even in de Samsonkerk kijken. Dat we daarvoor naar het hoogste punt moeten klimmen, nemen we voor lief.

We komen speciaal voor de gebrandschilderde ramen en ze zijn prachtig. Alsof je naar een middeleeuws stripboek zit te kijken. Een ervan laat St. Jacob en de Jacobsladder zien. Een andere laat de boom van Jesse zien.

Als we de kerk uitkomen kan de regenbroek aan. En voorlopig hoeft hij ook niet uit. Een tijdje valt het wel mee, maar op een gegeven moment schuilen we toch even onder een paar bomen op een verlaten weggetje. Maar hoe lang moet je daar dan blijven staan? Wanneer houdt het op? Wij houden het vol totdat de bladeren boven ons ook verzadigd zijn en het onder de bomen natter wordt dan erbuiten.

Maar wij zijn niet de enige die last hebben van regen. In allerlei dorpen is er wat te doen omdat het een feestdag is. En dat verregend ook compleet. We zien mensen bij verlopen marktjes staan en bij sommige is het ook gewoon afgelast.

Naast de marktjes vinden we het opvallend stil op straat. En ook de meeste winkels zijn gesloten. Van de dorpsgek in Clermont had ik al vernomen; het is vandaag een feestdag. Voor ons is het even puzzelen maar 8 mei in Frankrijk is hetzelfde als de 5e mei bij ons. Hier heet het de Féte de la Victorie Alles is dan gesloten en bij de oorlogsmonumenten worden kransen gelegd.

Wij zijn inmiddels flink verregend en snakken naar een bakkie koffie. In Mouy vinden we een bar-tabac die wel open is. Inmiddels weten we dat het altijd gezellig is in zo’n bar. Mensen die binnen komen geven vaak iedereen (dus ook ons) een hand en er zijn altijd mensen geïnteresseerd in onze reis. Ik heb een boekje met daarop de hele route en die gaat de hele kroeg rond waarbij we allerlei loftuitingen en bewonderende blikken krijgen.

Na het uitdelen van de handtekeningen moeten we toch verder. Het weer begint inmiddels een beetje op te klaren. Op de Europese buienradar zie ik dat het om een grote storing boven Frankrijk gaat, maar dat wij redelijk aan de rand zitten.

Meru heeft een historie in parelmoer, ivoor en been. Hiervan werden knoopjes, dobbelstenen en dominostenen gemaakt. Er is een museum over deze industrie, de la nacre et de la Tabletterie, en we willen daar graag kijken. Maar we moeten drie kwartier wachten voor een rondleiding van een uur en dat vinden we wat te lang. Daarom kijken we alleen even rond in de expositieruimte.

Het gaat vandaag flink op en neer (de hoogtemeters kun je hier zien) dus we zijn al best moe. In Henonville rusten we even, in het zonnetje, uit. Het symmetrische chateau geeft ons een mooi plaatje om naar te kijken.

Vanaf hier rijden we door de velden naar Marines. Het valt me op dat het landschap zoveel mooier is onder blauwe hemel met zon, dan een grijs wolkendek. Het wordt zelfs nog een beetje warm met een temperatuur in de dubbele cijfers.

In Marines heb ik wat geboekt via booking.com. Het blijkt bij een gezin thuis te zijn. Cecile doet alle moeite om het ons naar de zin te maken. Ze stuurt zelfs haar man op pad om een biertje te halen en we krijgen zelf gebakken koekjes gepresenteerd. Heerlijk om zo verwend te worden.

Waterleed en zegeningen

Dag 009:

It always rains on tents. Rainstorms will travel thousands of miles, against prevailing winds for the opportunity to rain on a tent. ~ Dave Barry

Het was werkelijk een godsgeschenk om in de hostel te zitten. Zoveel ruimte, warmte, stroom en eigen douche en toilet. We kunnen er weer helemaal tegen.

We merken dat het meer begint te heuvelen. In Geraardsbergen is er dan ook ‘de Muur’, een heuvel van 110 meter hoog die berucht is bij de wielrenners. Wij doen hem niet helemaal, maar we fietsen wel even omhoog naar het dorsplein om te kijken want het is best wel een mooi dorpje. En als we er toch zijn, dan nemen we even de plaatselijke lekkernij, ‘Mattentaart’ mee. Deze gaat terug tot de middeleeuwen (wij kopen wel een verse) en is gebaseerd op gestremde melk. Bij de koffie smaakt hij heerlijk. Een soort van zoete cake.

Zo langzaamaan overschrijden we de taalgrens. De afgelopen dagen was het al wisselen tussen het Vlaams en het Frans, maar hier is het enkel Frans. Vind ik op zich erg jammer want ik houd van de Vlaamse spraak. Als je woorden als kuisen, plezant en een tas koffie in je taal hebt, dan heb je bij mij een streepje voor. En zoals de dames het hier uitspreken, daar krijg ik helemaal een warm gevoel van. Mocht ik ooit in de hemel komen, dan spreekt elke vrouw daar als Geike Arneart. En je kunt wel raden welke stem Siri heeft bij mij. In elk geval is het vanaf hier bonjour, als we mensen tegen komen.

We blijven het jaagpad langs de Dender volgen tot Lessines. Hier moeten we voor het eerst op de pedalen om bij de rivier vandaan te komen. Iets wat ik van België wat minder kan waarderen is dat de meeste dorpen nog vol liggen met kinderkopjes. Het ziet er mooi authentiek uit maar bij de fietsers rammelen de vullingen uit de kiezen. We fietsen hier dan ook veel op de stoep.

Na Lessines volgen we een route door het binnenland. Het is afgelopen met de mooie fietspaden en het worden rustige kleine weggetjes. Alhoewel er soms ook een spannend weggetje tussen zit.

Zo naderen we Tournai (of Doornik in het Vlaams). Inmiddels komen we steeds meer fietsende pelgrims tegen. Uit Nederland maar ook uit Vlaanderen. Vaak maken we onderweg even een praatje. We zullen ze vaker tegenkomen de komende weken. Onderweg zien we steeds tekenen dat we op de goede weg zitten.

Volgens de schrijver van het routeboekje is Tournai een stad om een dagje te blijven. Nu ben ik er geweest en ik zou er nog niet dood gevonden willen worden. Ik dacht dat we het vanaf de slechte kant naderden, met veel industrie, maar als we Tournai verlaten dan zien we dat het erger kan. Daarnaast staat het verkeer volledig vast in  de stad en als het rijdt, dan is het een hels kabaal door de kinderkopjes of betonplaten. En de stad ondergaat net een open-hart operatie. Het enige positieve dat ik kan melden dat de kathedraal er mooi uitziet. Tenminste voor het deel dat schoongemaakt is. Maar goed, hij staat ook in de steigers (kerken zijn bij ons dicht of staan in de steigers).

Vanuit Tournai fietsen we een stukje langs de Schelde. Bij Antoing zien we het kasteel van de prinsen van Ligne liggen. Vanuit het torentje moet je een mooi uitzicht hebben.

Vlak voor Rumegies steken we de grens over naar Frankrijk. Er staan geen borden maar ik zie het op de GPS. En een beeld van de grenswachter is een kleine hint.

We kiezen voor een kleine camping in Rumegies. Als we aankomen kunnen we net de tent opzetten voor het behoorlijk begint te regenen. We zijn weer de enige kampeerder en dat heeft als voordeel dat we lekker droog op de veranda van naastgelegen bungalow kunnen zitten. En tegen de tijd dat we koken en eten is het zonnetje weer in zicht.

Iets later op de avond komt er nog een camper. Op een lege camping kiest hij ervoor om deze een halve meter voor onze tent te parkeren. Na wat discussie, in het Frans, begrijp ik dat hij al drie dagen op deze plek staat. Maar gelukkig is hij niet te beroerd om een plekje verder te gaan staan.

Dag 010:

Ik snap dat een pelgrim moet lijden. Maar, zoals Gert ook al terecht opmerkte, soms mag het wel ietsje minder. Vannacht was het twee graden. En mijn voeten voelde als de voeten van Ötzi na 100 jaar. En nu zou je zeggen dat ik dan een paar sokken moet aantrekken maar zo werkt het brein ’s nachts niet. Daarnaast gingen vannacht de hemelsluizen open. En  nu is het goed om het nieuwe tentje eens te testen onder natte omstandigheden maar dit waren hoeveelheden waar Noach jaloers op zou zijn.

Genoeg voor het mopperstraatje. Als ik naar mijn zegeningen kijk dan zijn dat er vele. Het bleef droog in de tent. Het is een uitstekende manier om bruin vet te kweken. We hebben een afdak waar we droog onder kunnen ontbijten. Als we de tent inpakken regent het even niet. En ik doe nieuwe ervaringen op want dit is voor het eerst dat ik bij 5 graden Celsius buiten ontbijt.

Het is onstuimig weer als ik op de buienradar kijk. Wij zitten bij het blokje maar uiteindelijk valt het mee.  Het ene moment schijnt de zon als een dolle, het andere moment hagelt het. Gelukkig hebben we vandaag wind mee en tijdens de enige echte bui die we hebben, kunnen we even schuilen in een bushok. We vertrekken in elk geval in vol (regen) ornaat inclusief handschoenen. Zo’n regenbroek is ook nog lekker warm.

Omdat het zo koud is, willen we graag een koffie binnen drinken. Maar dat valt hier nog niet mee. Veel dorpen zijn leeggelopen en er is geen middenstand meer. In Hornaing vinden we een bar annex tabac annex gokkantoor waar het lukt. Maar daarvoor moeten we wel eerst door een demonstratie om het plaatselijke postkantoor te behoeden voor sluiting. De protesten vallen even stil als we langs komen

In de bar is het een komen en gaan van mensen. Sommigen komen voor een bier/wijn (het is nog geen 11 uur), maar de meeste komen om te gokken.

De route leidt ons langs rustige weggetjes en met een duwtje in de rug komen we 10 kilometer verder in Mastaing. Het is na twaalven en op de buienradar zie ik een schip met zure appelen aankomen. We hebben weer een gelukje. Er staat een grote overkapping met stoelen en tafels waar we een boterhammetje kunnen maken. De verwachte bui blijft overigens uit.

Cambrai was een Romeins provinciehoofdstad aan de weg tussen Boulogne en Straatsburg. Het heeft eeuwenlang onderdak geboden aan pelgrims. Wij nemen een kijkje in de kathedraal waar verder niets te doen is. Ook het 70 meter hoge belfort is een plaatje waard. Waar ze in Cambrai minder goed in zijn, is het weren van het blik uit het centrum. Overal staan auto’s en overal rijden auto’s. Je kunt zeggen wat je wilt van het Groninger circulatieplan, maar het centrum is er een stuk prettiger van geworden.

Onder dreigende luchten met af en toe een druppel fietsen we verder. Het is nog steeds niet boven de 6 graden gekomen. Het landschap is glooiend. Dat betekent dat we gemakkelijke klimmetjes hebben en dat de afdalingen eindeloos lijken te duren.

Toen ik gisteravond lag te rillen in de tent heb ik een Airbnb opgezocht en gevonden. Vlak langs de route in les Rues-des-Vignes ligt een belachelijk goedkoop adres. We hebben daar een ruime kamer en een gedeelde badkamer. De ontvangst door Catherine is prettig. Ze begrijpt wat mannen willen want ze biedt me meteen een biertje aan in plaats van thee. Vannacht liggen we warm en vanavond gaan we uit eten in een authentiek Frans restaurant. Het is hier zo fijn, dat we er morgen maar meteen een rustdag aan koppelen.

Dag 011:

Vandaag is de fiets niet uit de stal geweest. We hebben lekker uitgeslapen en een goed ontbijt van Catherine gehad. Daarna wat gelezen en een rondje door het dorp gemaakt.

Les Rues-des-Vignes lag ooit op een kruispunt tussen drie Gallische stammen. Daarna in het grensgebied tussen verschillende Franse koningen.  En in 717 vond hier een bloedige veldslag plaats tussen koning Chilperic en Charles le Batard. Van dat alles is nu niets meer te merken in dit slaperige dorpje. Eigenlijk zijn hier maar twee dingen te doen: We kunnen naar  klein archeologisch parkje iets verderop en we kunnen naar de abdij van Vaucelles, een paar kilometer verderop. We besluiten beide te doen.

Als we het archeologisch museum binnenkomen hangen er wat mensen verveeld aan een tafel. Het museum blijkt nog niet open te zijn. Niet omdat het nog geen tijd is, maar omdat de directeur nog niet gearriveerd is. Op de vraag of we dan alvast even rond mogen kijken, volgt een ‘Non!’. Dat was het museum voor ons.

De abdij is een stukje wandelen en dat vinden we niet erg. Onderweg komen we nog een Romaans torentje (Echauguette) tegen. Het maakte deel uit van een vestigmuur van 9 kilometer lang die in de 12e eeuw was opgetrokken. Hij staat hier mooi in het landschap.

De abdij van Vaucelles (1132) is de 11e van 116 kloosters die gesticht zijn door St. Bernard. Hij verrichte hier een wonder door een lamme soldaat weer te laten lopen (1147). In 1261 schonk de koning van Frankrijk een relikwie; een doorn uit de kroon van Christus (yeah, right…). Het heeft tijden van voorspoed gekend maar ook wat mindere tijden. Zoals het bij veel van dit soort gebouwen gaat, worden de stenen vaak geroofd voor de bouw van schuurtjes. Uiteindelijk is het deels gerestaureerd en is het weer toegankelijk voor bezoekers.  Het bevat de grootste cisterciënzer kapittelzaal van Europa. Bewaard is gebleven; het monnikenvertrek, het auditorium (alleen hier mocht gepraat worden), de kloosterzaal en de kapel. Ook kunnen we door de tuinen lopen.

Daarna lopen we door de velden terug naar het dorp.
We mogen de keuken van Catherine gebruiken om een maaltijd te koken en we eten samen met haar en haar man. Het zijn erg aardige en gastvrije mensen. Het is even lastig converseren in het Frans, maar we komen er wel uit. En we leren steeds meer woorden Frans.
Het weerbericht komt langs op tv. Helaas nog geen dubbele cijfers bij de temperaturen maar het zal in elk geval droog zijn. Morgen maar weer warm fietsen.