Coronawandeling

Binnen zitten is geen optie voor ons. Zeker niet als het mooi weer is. Wandelen kan altijd en op het Hogeland is ruimte genoeg om de gewenste afstand te houden. Recent hebben we  Waddenland routeland gevonden. Op dit moment zijn er nog maar een paar (wandel)routes maar hopelijk in de toekomst meer. Eerder deden we de route bij het Reitdiep die ons van Garnwerd naar Sauwerd bracht en terug. Afgelopen vrijdag kozen we voor de verhalen van het Zouteland. Bij Zouteland moet ik altijd aan Zeeland denken door de hit van Bløf maar hier in het hoge noorden hebben we ook een zout land.

Je downloadt de app op je telefoon, gaat naar het startpunt en vanaf daar wordt je begeleid door een route en onderweg poppen,op de juiste plaatsen, interessante weetjes op het scherm.

De theefabriek.

Wij starten in Houwerzijl bij de Theefabriek. Ooit had Houwerzijl een open verbinding met de zee en woonden hier alleen zeelieden en vissers. In de 18e eeuw kwam het in het binnenland te liggen vanwege de inpolderingen en werd het een gewoon boerendorp. De theefabriek is natuurlijk gesloten vanwege de Corona en het staat in de steigers. Nu is dé periode om onderhoud te doen. Het voormalige kerkje herbergt nu een theeschenkerij en het enige theemuseum van Nederland.

Alleen maar ruimte (klik om hem groter te zien).

Vanuit Houwerzijl gaan wij richting Zoutkamp. Je staat binnen no-time tussen de velden. Voor weidse gezichten moet je echt in Groningen zijn. En hier in Noord-Groningen helemaal. Nog niet zo heel lang geleden was dit gewoon nog wad/zee dat onderhevig was aan het spel van eb en vloed. Ik kan me goed voorstellen dat er maar weinig nodig is om naar deze staat terug te gaan. Ondanks de blauwe luchten en de zon is het fris. Er staat een straffe wind maar het is heerlijk om hier buiten te zijn. En je komt geen mens tegen dus de 1,5 meter wordt hier gemakkelijk 1,5 kilometer.

Reitdiep, uitzicht op Zoutkamp.

Bij het Reitdiep kunnen we niet verder en we volgen het water richting Zoutkamp. We hebben in het buitenland mooie uitzichten gehad maar gewoon hier naast de deur is het ook prachtig. Op een bankje drinken we koffie en zien in de verte Zoutkamp al liggen. We moeten door het Spookbos om in het dorp te komen. Het bos heeft deze naam gekregen omdat iemand ooit zijn buurman voor de gek wist te houden door zich als een spook voor te doen. Wij zien geen spoken maar alleen wat kinderen. Zelfs de kleine jongetjes dragen hier een oorbel met een scheepje. Als een drenkeling gevonden wordt met zo’n oorbel dan weet men dat het om een visser uit Zoutkamp gaat.

In de haven/De kleurige huisjes/Kaap Garmt.

Zoutkamp dankt zijn naam aan het feit dat hier in de late middeleeuwen nog zout werd gewonnen uit zoutveen. Daarna werd het een vissersplaats maar was het ook een militaire verdedigingsschans. De inwoners werden ‘Schelleviskoppen’ of ‘Vlintboksems’ genoemd. Na het afsluiten van de Lauwerszee ging de visserij hard achteruit. Toch zijn er nu nog steeds wat vissersboten met de code ZK in de haven aanwezig. De meeste doen wat onderhoud en we zien er ook een uitvaren naar de Waddenzee. Aan het feit dat er veel horeca is, kun je opmaken dat het hier vaak druk is. Nu is alles dicht en zien we enkel een hondenuitlater op straat. Gelukkig is de viskar bij de sluis wel open en daar scoor ik, op een afstand van anderhalve meter, een vers lekkerbekje. Staand op de sluis zie je de Kaap Garmt liggen. Een toren met daaronder een drenkelingenhuisje zoals op de Engelsmanplaat stond.

Panserpad.

Bij boerderij Panser (ik ga er automatisch Duits van praten) komen we op het Panserpad. Dit is een van de oude kerkenpaden die tussen de dorpen lag die wel en geen kerk hadden. De paden waren meestal maar één baksteen breed en gingen via de kortste weg recht door de weilanden. Het Panserpad liep tussen Zoutkamp (toen geen kerk) naar Vierhuizen (wel een kerk).

Hierbij komen we langs de boerderij Beusum. Vroeger stond hier de borg Bewsum die ergens in de 15e eeuw gebouwd was. Begin 18e eeuw is hij weer afgebroken. Een paar stenen in de gevel zijn de enige herinnering aan de borg. Wel zegt men dat het spookt op de boerderij. Vanuit de kwelders kwamen de ‘witte wieven’ naar de boerderij. Binnen spookt het ook want soms zie je de voormalige boerin in haar nachtgewaad langs zweven. En dat kan schrikken zijn.

De kerk van Vierhuizen.

Als je de wandeling doet, neem dan even de tijd om in Vierhuizen te kijken. Tot begin 20e eeuw lag dit dorpje (dat veel meer dan vier huizen heeft) nog aan zee. Het duurde lang voordat het ingepolderd was omdat de kerk van Zoutkamp en de kerk van Vierhuizen ruzie maakten over de grond.

Het 12e-eeuwse kerkje ziet er prachtig uit maar heeft een roerige geschiedenis. Zo dicht aan zee had het last van de natuurlijke elementen. Menig storm geselde het gebouwtje. Een jaar of tien geleden stond het op instorten maar omdat het aan het tv-programma ‘de Restauratie’ meedeed en won, kon het voor 1 miljoen euro gerestaureerd worden. En dat is te zien. Ook van binnen ziet het er prachtig uit.

De Chinese inktsteen/De steen van Klaas Jans.

Ook buiten is genoeg te zien. De Chinese kunstenaar Ping heeft hier met behulp van negen granieten blokken een platform gebouwd dat een Chinese inktsteen moet voorstellen. Het grootste deel zit onder de grond en ik ben er niet echt van onder de indruk. Voor mij ziet het eruit als een slordig stuk beton.

Veel leuker is de grafsteen van Klaas Jans. Hij werd maar 28 jaar. Zijn relaas staat in dichtvorm op zijn steen. Hij leed al jaren aan een liesbreuk en in de winter in 1787 schaatste (!) hij over het Reitdiep naar Groningen om daar de dokter op te zoeken. De dokter was niet thuis en onverrichterzake schaatste hij weer naar huis. De uitputting en de koorts deden hem de das om:

ik kwam zoo thuis
Doornat gesweet van pijn en kruis
Bij mijn geliefde vrouw en kroost.
Direkt na ’t bed, ‘k was afgeslooft.
Terstond gehaald twee ars om raad
Vlijt angewend, maar ’t was te laad.
Want ziet, geen kruid voor mij zij kenden
Moest ik den derden dag ten enden
Mijn leeftijd zijn, dus ben ik net
Ten tijnde dag in ’t graf gezet.
Vanwaar ik weer verijsen zal
Vaarwel geliefde, looft God al.

Bij het verlaten van Vierhuizen komen we langs het kerkhof dat gek genoeg niet bij de kerk ligt. Ze hebben een prachtig (onderhouden) hekwerk met symbolen van leven en dood die ons wijzen op de tijdelijkheid van het aardse leven. Van boven naar onder de uil (symbool van de nacht/dood), een zandloper met vleugels (de tijd vervliegt en de mens is vergankelijk), de zeis (gereedschap van de dood) en de ouroboros (symbool van de wedergeboorte).

Hierna wandelen we over de oude kwelderwal richting Ulrum. Dit is de opgehoogde oever van een riviertje dat vroeger door het wad liep. Vanaf de 9e eeuw werd deze wal bewoond en ontstond een rij van wierden waar later Vierhuizen, Ulrum, Leens en Wehe-den-Hoorn uit ontstonden. Het is een mooie route die grotendeels via kleine, verlaten weggetjes door de velden loopt. Geen coronaproblemen hier.

Via Niekerk komen we na 15 kilometer weer bij Houwerzijl. Hier kun je een extra lusje maken van 3 kilometer en dat doen we natuurlijk ook nog even. Hierbij komen we langs Vliedorp of wat daar van over is. En dat is bar weinig. Een heuvel waar vroeger de kerk op heeft gestaan en wat grafstenen.

Het dorpje ontstond in de 13e eeuw en was een plaats (vlie=vlucht) waar mensen bij hoog water heen konden gaan. Het was niet hoog genoeg om de Corona-, nee ik bedoel natuurlijk de kerstvloed van 1717 te weerstaan. 32 huizen, 48 mensen, 142 koeien, 29 paarden, 16 varkens en 194 schapen legden het loodje. Het dorp was al een tijdje aan het leeg lopen maar dit was de nekslag. In 1750 stond er geen huis meer en de kerk is in 1800 afgebroken. De begraafplaats bleef nog in gebruik tot begin 20e eeuw. Het is een magisch plekje.

Via een hoogholtje steken we de Houwerzijstervaart over. Hoogholtje is de Groninger naam voor de hoge bruggetjes. Wat ik niet wist is dat als ze van ijzer zijn, ze dan officieel een ‘hoogiezertje’ heten en bij beton een ‘hoogbetonje.

Bij de theefabriek pikken we de auto weer op. Groningen is prachtig en het is heerlijk om hier een frisse neus te halen. Zo kunnen we er weer even tegen.

Pieterpad (5)

Donderdag 16 januari 2020
Van Rolde naar Schoonloo (18 km)

In tegenstelling tot wat ik eerder dacht, kunnen we deze en de volgende etappe nog uitstekend vanaf huis doen. Tussen de begin- en eindplaatsen van de etappes komt elk uur bus 21 langs. We zetten de auto in Schoonloo, laten ons in een kwartier naar Rolde brengen en gebruiken de rest van de dag om terug te lopen naar de auto.

Hunebed D18

Het wordt vandaar een ‘bossige’ dag maar voordat het zover is, moeten we eerst Rolde nog uit. En daarbij vallen we meteen met onze neus in de boter. We komen, net buiten Rolde, hunebed D17 en D18 tegen. En ze zijn duidelijk door verschillende aannemers gebouwd. Waar D18 eruit ziet als een hunebed zoals we ons voorstellen, lijkt het alsof D17 door de Biereco’s is gebouwd.  

Hunebed D17.

Leuk detail van deze hunebedden is dat het markebestuur (zie verderop) deze in 1872 openbaar wilden verkopen als bouwafval maar de Gedeputeerde Staten van Drenthe protesteerde hiertegen. Uiteindelijk zijn ze voor 150 gulden aan het Rijk overgedaan. En dat is maar goed ook want het waren begin 1900 een van de weinige archeologische bezienswaardigheden van Nederland. Ze zijn heel veel bezocht en met name D18 is op heel veel foto’s terecht gekomen.

De route loopt vandaag over het Drents plateau, het land van Ellert en Brammert. Deze twee rovers (ze worden vaak als reuzen weergegeven)  zouden hier geleefd hebben van het beroven en vermoorden van reizigers. Een van de gevangen vrouwen zetten ze voor zich aan het werk en die zorgt, zoals gebruikelijk bij vrouwen, voor de ondergang van de twee. In Schoonoord (niet aan de route) hebben ze hier een mooi toeristisch-economisch model uit weten te maken.

We gaan langs de Koelandsdijk (gemeenschappelijke gronden voor hooi) en over het Rolderdiep. Als we de weg oversteken zien we de restanten van een oude spoorlijn Assen-Rolde (die uiteindelijk tot Gasselternijveen gaat) liggen. Deze is in 1977 geheel opgedoekt en nu pas realiseren we ons dat het wandelpad over de oude spoorlijn loopt.

Over de spoorlijn (die er niet meer is).

Een ander kenmerk van het plateau is dat het nat is. Heel nat. Het is eigenlijk een omgekeerd bord met leem en keien waar het water nauwelijks weg kan. Hierdoor is het lange tijd een geïsoleerd en onherbergzaam gebied geweest. Ideaal voor Ellerts en Brammerts typen. Pas vanaf 1920 is Staatsbosbeheer met de ontginning begonnen. In die tijd waren er nauwelijks bossen in Drenthe. Er werden hier mensen ‘te werk gesteld’ om vakken van 300 bij 300 meter te beplanten met bomen. Zwaar werk dat door landlopers, dronkenlappen en criminelen uitgevoerd werd. Die kwamen bijvoorbeeld uit Veenhuizen waar een prachtig boek en dito voorstelling van gemaakt is. Als je gelegenheid hebt, is het zeker de moeite waard om het Pauperparadijs te gaan bekijken.
Gelukkig hebben we goede schoenen aan waardoor we ons weinig aantrekken van de plassen en de modder maar des te meer genieten van de natuur en de stilte.

Goede schoenen noodzakelijk.

Het Andersche diep is een beekdal waarin het gelijknamige riviertje meandert en gaandeweg het regen- en kwelwater verzameld. Dit stroomt via het Rolderdiep in de Drentse Aa. Het stuk langs de Westerlanden en door de Zondagsbroek is mooi. Het gebied is in pacht uitgegeven en die mensen laten er gedurende een groot deel van het jaar Charolais koeien rondlopen. Omdat deze dieren de neiging hebben om weg te lopen (zou ik ook doen als ik telkens zulke natte voeten kreeg) zijn er wat pittoreske hekjes geplaats wat altijd een mooi fotomomentje oplevert.

Zo denk je de wilde beesten buiten te houden.

Het Andersche diep is een zogenaamd Dotterbloemgrasland. Door de goede kwaliteit van het water bloeit de dotterbloem hier volop. Helaas pas vanaf april dus wij zien voornamelijk verlopen gras en de plantjes zonder bloemen. Ook de Beenbreek, het Duizendknoopfonteinkruid en de Zonnedauw en Moeraswolfsklauw zijn hier in de betere maanden te vinden. Reden genoeg om een keer terug te komen in de zomer.

Geen bloemen, alleen droog gras.

Hier steken we ook het Andersche diep over. Vroeger was hier alleen een doorwaarbare plaats, ook wel een voorde genoemd. Deze term komt nog in veel plaatsnamen voor. Denk aan Coevorden. Het isee n plek waar het water wat minder diep is zodat je over kunt steken. Om te voorkomen dat karren wegzakten in de modder, werden er stenen in het water gelegd. En die hadden ze hier genoeg.

Ook nu kun je hier nog oversteken met behulp van een touw. Erg romantisch maar wij kiezen toch voor het bruggetje dat 20 meter verderop ligt.

Wij geven de voorkeur aan droge fouten.

Wij verruilen de waterige landen voor het bos en komen in boswachterij Gieten. Hier leer ik een nieuw scrabblewoord; compensatiebos. Eigenlijk net zoiets als vliegschaamte maar nu gaat het over land. Omdat de supermarktketen de Spar elders in Drenthe een distributiecentrum bouwde werd hier een sparrenbos (gelukkig bestond er een boom gelijk aan hun naam) geplant ter compensatie. Maar deze sparren zijn een uitzondering want we zien voornamelijk loofbossen. Die hebben nu hun blad op de grond liggen en dat maakt het een stuk lichter dan de donkere sparrenbossen.

Geen compensatiebos voor ons.

We blijven een tijdje in de bossen en komen langs een markesteen die vroeger de grens aangaf tussen de marken van Drouwen en Grolloo. Andere termen in dit verband zijn dingspelen en etten. Ik had in de vorige blog al beloofd hierop terug te komen en deze steen is een mooie aanleiding.

Landschap Drenthe (zoals de provincie vroeger genoemd werd) bestond uit zes dingspelen. Daarom zitten er zes sterren in de vlag van Drenthe.  Een ding was een rechtszitting die, tot 1580, drie keer per jaar werd gehouden. Een dingspel was dus een rechtsgebied. Elk dingspel werd bestuurd door etten. Dit waren vertegenwoordigers van de dorpsbesturen van de marken. Marken waren een soort van collectief van boeren die het gebruik van gemeenschappelijke gronden reguleren. Tegenwoordig zou je dit, denk ik, een dorp noemen. Gemeenschappelijke gronden moet je hier ook al met een korreltje zout nemen. Ook toen was het al zo dat ‘some pigs are more equal than others’ dus het werd niet gelijkelijk verdeeld. Maar het was het meest democratische wat uit de aanwezige feodale organisatie te halen viel.  De marke regelde ook sociale zaken, zoals een dorpsfeest, bijstand en hulpverlening. Pas in 1886 (Markewet) kon men deze lokale bolwerken van macht opheffen. Tegenwoordig hebben we nog het noaberschap wat in de buurt komt van het marke-idee. Een marke was ook een gebiedsaanduiding wat vaak afgebakend werd met een markant punt in het landschap, al dan niet kunstmatig in de vorm van een (grote) steen. Want prikkeldraad hadden ze toen nog niet.

Grensmarkering oud (steen) en nieuw (prikkeldraad).

Via het Meindersveen komen wij op het Grolloërveld. Grolloo zijn we wel met de bus doorheen gekomen maar niet te voet. Jammer, want ik graag even de hoofdstad van de Drentse blues willen zien. Het is de geboorteplaats van Cuby and the Blizzards. Met hun langspeler Groeten uit Grollo (toen werd Grollo nog met één o gespeld) schreven ze geschiedenis van de Nederlandse blues. Het nummer Somebody will know someday staat nog gegrift in mijn geheugen. Mooi om even over te mijmeren op een bankje.

Blues-mijmerbankje.

Ik vind het altijd leuk als je langs de weg ziet waar je mee bezig bent en of je vooruitgang boekt. Wegwijzers, markeringen of andere manier die inzichtelijk maken dat je daadwerkelijk ergens naar op weg bent. Of vandaan loopt. Het is maar hoe je het bekijkt. Langs de Koestukkenweg staat dit bankje. We hebben er nu een zesde van de route opzitten (letterlijk en figuurlijk).

We zijn er bijna…

Nog een woord wat ik niet kende is strubbenbos. Dit is een, meestal eiken, bosje bij een dorp dat hout levert voor dagelijks gebruik zoals ovenhout, gereedschap, palen en meubels. Het wordt ook wel een geriefbosje genoemd. Hier zou je ook andere associaties bij kunnen hebben, maar goed. Vlak voor Schoonloo loopt de route er doorheen. Gelukkig zien we niemand hun gerief halen en lopen we er alleen. Dat brengt ons in Schoonloo.

Bosje voor uw gerief.

Schoonloo heeft niets met de propere mensen die er wonen te maken. Schoon betekent in dit verband kaal of leeg. En loo staat natuurlijk voor bos. Dus het was van oorsprong een bos met een droge, kale bodem. Gelukkig is er nu Café Hegeman. Niet alleen kun je hier de auto mooi parkeren, je kunt er ook een droge en dorstige keel lessen. Tegenover het café staat de Trekkerskei. Deze kei, van 25 ton, werd in 1966 bij de ruilverkaveling gevonden en stond eerst in Rolde. Nu dus hier. Waarom en hoe heb ik niet kunnen vinden. Schoonloo is, tot mijn verbazing, ook de plek waar een enorme zoutkoepel onder de grond ligt. Maar daar zien we niets van want er is nog nooit wat aan ontginning gedaan. Verder is er niets in Schoonloo wat ons overtuigt om te blijven. We strepen deze etappe af en keren weer huiswaarts.

De trekkerskei in Schoonloo.

Pieterpad (4)

Dinsdag 7 januari 2020
Van Zuidlaren naar Rolde (18 km)

Het dreigt één dag mooi te worden deze week en dat is vandaag. Een uitstekende reden om nog een etappe van het Pieterpad te lopen. Het is de laatste keer dat we vanuit huis in één dag op en neer kunnen gaan. Hierna gaan we waarschijnlijk meerdere etappes aaneengesloten doen met een overnachting tussendoor. Maar zo ver is het nog niet. Eerst naar Zuidlaren en dat doen we onwaarschijnlijk snel. Daarom lopen we om kwart over negen al over de Brink in Zuidlaren. Deze keer nemen we iets meer tijd om dit dorp te bekijken.

Zuidlaren is onder andere bekend van de Zuidlaardermarkt oftewel de paardenmarkt. De grootste van Europa. Al in de 13e eeuw werd deze gehouden maar de eerste geschreven vermelding is pas in de 17e eeuw te vinden. De markt is op de derde dinsdag in oktober en er komen rond de 150.000 mensen en 2000 paarden, die hier verhandeld worden. (De paarden dan, niet de mensen.)  Reden genoeg om er na 800 keer een standbeeld voor neer te zetten en als je het Pieterpad loopt, kun je er nauwelijks omheen.

Zuidlaren is ook bekend van Berend Botje van het gelijknamige kinderliedje. De route van het Pieterpad loopt er niet langs maar we lopen er graag een stukje voor om want zijn monument staat ook in Zuidlaren. We zien een beetje een sullig Popeye-achtig figuurtje.

De algehele stelling is dat Berend Botje eigenlijk de zeeheld Lodewijk van Heiden is die uit Zuidlaren kwam, en op zijn 9e al op zee zit. Toen ik 16 was sleutelde ik voornamelijk aan mijn brommer en droomde van meisjes maar hij wordt op zijn 16e een luitenant ter zee. Als hij 22 is, komt hij in dienst van de Russische Tsaar en wordt bevelhebber over de Russische vloot. In een van de laatste zeeslagen met zeilschepen weet hij de Grieken te helpen tegen de Turken. Ze waren zo blij met hem dat hij zelfs een eigen Griekse postzegel krijgt. Na al die veldslagen was hij wat moe en keerde terug naar Zuidlaren waar hij met zijn bootje regelmatig op het Zuidlaardermeer te zien is. Maar Drenthe blijkt toch wat te landelijk voor hem. Iets wat ik me goed kan voorstellen als je zeeslagen gewend bent. Hij vertrekt naar Amerika, net zoals het versje verhaalt. Uiteindelijk gaat hij naar Talinn (Estland) waar hij ook zijn laatste adem uitblaast. Al met al doet het beeldje in Zuidlaren hem weinig recht vind ik.

Als we Zuidlaren uitlopen komen we ook langs Dennenoord. Eind 19e eeuw werd hier een tehuis ter verzorging van Krankzinnigen en zenuwlijders gesticht. Hier zitten de mensen met glanzende amygdala’s en overspelige dendrieten. Ze werden verzorgd in een soort van gezin met een surrogaat vader en moeder. En natuurlijk mochten ze niet van het terrein. Er stond een groot hek omheen en de bewoners kregen bepaalde kleding zodat je ze meteen als gekken kon herkennen als ze ontsnapt waren. Daarom was het gesticht ook zelfvoorzienend. Niemand hoefde weg.

Ik heb nooit geweten dat het zo groot was. Het bestaat uit meerdere paviljoens, een watertoren en een heel park erbij. We lopen er dwars overheen en kunnen een paar van de bijzondere gedichten lezen die hier hangen. Waarschijnlijk geschreven door bewoners van het park. Ook zien we een beeld dat we meteen als een Anita Franken herkennen. Anita kenden we van het sporten en omdat ze bij ons 25-jarig huwelijk een beeldje van ons gemaakt heeft. Hier staat een wat groter beeld ter nagedachtenis aan de helletocht aan het einde van de Tweede Wereldoorlog. Toen werd het hospitaal gevorderd door de Duitser en moesten de patiënten via een helse reis naar Franeker. Velen overleefden het niet.

Vandaag zitten we veel in de natuur. Als we Zuidlaren en Westlaren verlaten komen we in de bossen en over de heide en zien we tot Rolde nauwelijks meer bebouwing. Om onze tocht wat op te luisteren hebben Mevr. Van der Veeke en ik elk een eigen missie op ons genomen. Ik zou graag de bomen willen herkennen maar dat is in dit jaargetijde knap lastig. Mevr. Van der Veeke wil graag vogelgeluiden herkennen maar bij wat research blijkt dat de vogelpopulatie grofweg voor 50 procent uit eenden bestaat en voor de andere helft uit meeuwen. Die moeten te herkennen zijn, lijkt me.

De Drentse Aa heet hier inmiddels het Schipborgse diep en we zien hem hier mooi kronkelen door het landschap. Iets verderop komen we ook nog over het Anlooër diepje, een zijbeek van de Drentse Aa maar je zou mij ook goed kunnen wijsmaken dat het de Drentse Aa is. In juni schijnen hier orchideeën te bloeien maar nu zien we alleen maar zompig gras.

Het Pieterpad loopt over de Gasterse duinen. Heel vroeger was dit allemaal heide en vennen maar door overbegrazing en druk verkeer (!) is het stuifzand geworden. De wielen van de karren reden de heide stuk waardoor het zand omhoog kwam en de meeste vennen gedempt werden. Als ik hier loop, dan waan ik me in het verleden. Volgens mij moeten de mensen toen hetzelfde gezien hebben als ik. Alleen heide, zand, karrensporen en geen tekenen van beschaving. Het is prachtig hier.

Klik op de foto om hem groter te zien.

Als we de duinen verlaten komen we hunebed D10 tegen, vlak boven het dorpje Gasteren. Het hunebed werd tijdens de renaissance Duyffelskutte, ’s Duyvels Kut of De Kut van de Duivel genoemd. Nou ja, het is maar waar je opgewonden van raakt. Het hunebed is niet compleet want er missen twee dekstenen.

Gasteren is wederom een esdorp met een centrale brink en bestaat slechts uit een paar huizen. We hopen even binnen te kunnen zitten met een bakje koffie maar helaas. De pannenkoekenboerderij is door de week gesloten.

Daarom gaan wij door naar het Balloërveld. Dit is een groot stuk woeste heide van 367 hectare. Vroeger werd dit al bewoond en archeologisch gezien is hier een hoop te doen. Er zijn 40 grafheuvels uit de late steentijd, bronstijd en ijzertijd, urnenvelden en een raatakker (celtic field). Veel later is het een tijdje (1918-2006) gebruikt voor legeroefeningen en de zandpaden waar de tanks over reden liggen er nog steeds. Het is hels zwaar lopen door dat losse zand en we worden er best moe van. Gelukkig hebben we genoeg afleiding van het landschap met vennen en een pingoruïne. Pingo’s zijn heuvels die ontstaan omdat het ijs de bodem omhoog duwt. In Alaska en Groenland kun je ze nog in het wild vinden. Als het ijs smelt, zoals hier in Nederland al lang geleden gebeurt is, dan zakt de heuvel in en ontstaat er een kratervormig meertje. Tegenwoordig wordt het Balloërveld bewoond door Drentse heideschapen, het enige Nederlandse ras met hoorns. En er schijnen ook wat hooglanders rond te zwalken, maar beide zien we niet.

Het torentje van Rolde komt al in zicht als we weer een archeologische locatie tegenkomen. Tenminste zo lijkt het. Het zijn veel grote stenen in een cirkelformatie. Maar het is helemaal niet oud. Het is van deze tijd. Een kunstwerk als markering van het Pieterpad.  Bedenker van dit markeringsteken is Pieterpad-wandelaar Jilles Bodegom uit Assen. De uitvoerder van het idee is kunstenaar Arie Fonk uit Rolde, hij gebruikte er zestig zwerfkeien voor, die samen goed zijn voor veertig ton. De grootste steen, met daarop de afstanden tot Pieterburen en de Sint Pietersberg in Maastricht, weegt zes ton. De kei is aan de rand van het Balloërveld bij Gasteren opgegraven. In de steen zit een plaat waarop staat hoever het wandelen is naar de Sint-Pietersberg in Maastricht en naar het Groningse Pieterburen.

Hierna is het nog een klein stukje naar Rolde. De route loopt eigenlijk ten noorden van Rolde langs, maar wij gaan naar het centrum om de bus te pakken. Rolde is een van de zes dingspelen, maar daarover later meer. Rolde schijnt ook het dorp van Bartje te zijn, maar hier is weinig van te zien. We nemen de bus naar Assen en komen daar wel Bartje tegen als we naar het museum lopen. Het is een beeldje met gewelddadige geschiedenis. Het origineel is van steen maar dat bleek erg kwetsbaar. Daarna is er een bronzen versie gemaakt die meerdere malen van zijn sokkel geroofd is, met name door oudejaarsverenigingen.

In Assen nemen we nog even een kijkje in het Drents museum. Daar is tot 22 maart 2020 een tentoonstelling van kunstenaars die het Drentse landschap hebben geschilderd. Het is extra leuk om dit te zien omdat we zojuist door dit landschap zijn gelopen. Veelal werd het liefelijke plattelandsleven weergegeven. Je moet je dan voorstellen een herder of, nog liever, een herderinnetje die op een landerige voorjaarsdag wat schapen hoedt op een bloemrijk veld. Topstuk is een schilderijtje van van Gogh die juist de andere kant liet zien. Het was een hard en zwaar leven op dit schrale platteland. Als je in Assen de bus of trein pakt, dan is het zeker de moeite waard om deze tentoonstelling nog even mee te nemen.

Pieterpad (3)

Zondag 29 december 2019
Van Groningen naar Zuidlaren (21 km)

De weermannen hadden beter beloofd, het blijkt vandaag toch een koude, grijze dag te zijn. Mutsenweer. Maar goed, wel droog, dus eigenlijk prima om te lopen. We zitten nog steeds op bekend terrein als we Groningen uit gaan. Dit gaat voornamelijk langs de Drentsche Aa, die hier nog het Hoornse diep heet. Dat is dit meanderende riviertje, dat voor de afwatering van het Drents Plateau zorgt, wel gewend want in Drenthe krijgt het bij elk dorp een andere naam en is bekend onder Anreeper Diep, Deurzer Diep, Looner Diep, Taarlose Diep, Oudemolense Diep, Schipborgse Diep en Westerdiep. What’s in a name, zullen we maar zeggen?

Het Groningse deel van deze rivier is niet natuurlijk gevormd, maar gegraven. Ik had me dit nooit gerealiseerd maar een aantal namen in de stad zijn afgeleid van dit riviertje. Je ziet dit in het Hoge- en Lage der A (in de loop der tijd is er een ‘a’ afgevallen) en natuurlijk de A-kerk. Ook zijn delen opgenomen in het Noord-Willemskanaal dat sinds 1861 Groningen een waterweg verbinding geeft met de rest van Nederland.

Wij meanderen lekker mee langs het Hoornse meer. Dit is ontstaan toen men zand nodig had voor de aanleg van snelwegen en een nieuwbouwwijk bij Groningen. Daarna is het een recreatiegebied geworden. Bij mooi weer ligt half Groningen aan de Hoornse Plas te bakken en te braden. Even tikken we het Noord-Willems kanaal aan en daar zien we de Clio toren, een van de 9 stadsmarkeringen van Groningen. Deze geeft de oudste toegangsweg naar Groningen aan. Elke automobilist die Groningen nadert ziet hem. ’s Avonds branden een aantal vlammen, naargelang de dag in de week. De 1040 slaat op het geboortejaar van Groningen en licht elke avond om twintig voor elf (ja…valt het kwartje?) op.

Wij volgen de Aa verder en komen bij het gehucht Nijveensterkolk. Inmiddels is het Hoornse meer het Paterswoldse meer geworden. Deze laatste is ontstaan in de 17e eeuw door de afgraving van veen. Het schutsluisje maakt het mogelijk om van het Paterswoldse meer naar het Noord-Willemskanaal, en dus de rest van Nederland, te komen. Het geheel is in 1927 aangelegd en geeft een mooi zicht op de poldermolen de Helper. Dit was niet de oorspronkelijk plaats van de molen. Hij zorgde ooit voor de (vijzel) bemaling van de polder Helpman, ten zuiden van Groningen, dat nu een woonwijk is. In de jaren zestig van de vorige eeuw was dat niet meer nodig en zat hij in de weg voor de A28. Toen hebben ze hem hierheen verplaatst.

Bij Haren steken we het Noord-Willemskanaal over en verlaten we voorlopig even de Aa maar niet het water. We lopen tussen de Wolddelen door waarvan Sassenhein wel de bekendste is. We hopen bij Saskia en Hein een koffie te kunnen scoren maar ze zijn helaas dicht. Gelukkig staan de terrasstoelen er nog wel en kunnen we met een fraai uitzicht toch een eigen bakje drinken.

Inmiddels hebben we de Groninger klei verlaten en komen meer in de zanderige gebieden van de Hondsrug. Deze verhoging tussen Emmen en Groningen is ontstaan in de voorlaatste IJstijd en liep heel vroeger door tot Baflo. Het is geen stuwwal omdat hij in de lengte ligt. Waarschijnlijk was het een spleet in de gletsjer die over het land schoof en zo ruimte gaf voor een verhoging. Je loopt er iets hoger mee in het landschap maar voor ons betekent het met name zand onder de schoenen en dat loopt wel lekkerder dan asfalt.

We worden niet alleen geboeid door de oude tijden. Ook van de nieuwere geschiedenis is genoeg te zien onderweg. De spoorbrug bij Onnen lijkt wel gemaakt van meccano. In 1870 werd het spoor aangelegd tussen Groningen en Assen. In 1920 kwam hier een groot rangeer terrein en werd deze brug gebouwd. Zo zie je ze tegenwoordig niet meer. Grappig detail is dat je in de brug nog kogelgaten kunt vinden die de Engelse Spitfires erin schoten in de Tweede Wereldoorlog.

Het leuke van wandelen is dat ik nu op plaatsen kom waar je niet met de auto en de fiets komt. We gaan eerst door de Appélbergen, een voormalig militair oefenterrein maar nu een natuurterrein met veel flora en fauna. Het schijnt dat je hier nog de adder tegen kunt komen. Het is een populair wandelgebied en het is er druk op deze zondag. Iedereen wil er na de kerstdagen nog even uit. Daarna komen we door het Noordlaarderbos. Soms zeggen ze dat het leven een tranendal is. Nu weet ik waar dat dan precies is..

We verlaten bijna de provincie Groningen maar op de valreep pikken we nog wel even het enige ‘wilde’ Groninger hunebed mee. Deze heeft de naam G1 en is de meest noordelijke van alle hunebedden. Later is er nog een in Delfzijl (G2) gevonden maar die is opgegraven, getemd en in het zeeaquarium in Delfzijl gezet. Vermoedelijk zijn er meer geweest maar zijn de stenen hiervan voor andere doeleinden gebruikt. Als ze te groot waren om te verplaatsen, werden ze opgeblazen. Gelukkig hebben we G1 nog en het is een fraaie representatie van hun soort. Hij ligt mooi in een verhoogd bosje omgeven door akkers.

Over hunebedden valt een hoop te vertellen maar Wikipedia kan dat veel beter. Wat ik wel grappig vind is dat de kennis van de hunebedden vrij recent is. Tot in de 19e eeuw was men nog in de veronderstelling dat ze door een reuzenvolk, de Huynen, gebouwd waren. Want gewone mensen konden die stenen echt niet tillen. En ze werden bewoond door Witte Wieven. Deze theorie werd met name door Dominee Picardt uitgedragen. Pas later, toen de archeologie zich meer ontwikkelde, kwamen we tot de inzichten van nu en kwamen er ook betere theorieën over de bouw.

Vlak voor Zuidlaren komen we onze eerste Drentse hunebedden tegen. Deze liggen vlak langs een huis. Wisten zij veel dat ze dit op een prehistorisch kerkhof bouwden? Een gietijzeren bordje wijst de weg naar een kermis van stenen. Het Trechterbekervolk bouwde ze zo’n 5000 jaar geleden. Ze heten zo omdat ze gebruik maakten van trechtervormige bekers. Ik vraag me af hoe ze ons over 5000 jaar noemen? Het smartphonevolk?  Of het vervuilersvolk? We zullen het nooit weten.

Alhoewel de hunebedden nu open ruimtes lijken, waren ze vroeger bedekt met modder. Ik blijf het indrukweekend vinden om zoveel grote stenen bij elkaar te vinden. Deze zwerfstenen zijn in de IJstijden hierheen geduwd vanuit Scandinavië en sommige mensen vinden dat ze terug naar hun eigen land moeten. Ze gaan hierin zover dat ze deze zelf terugbrengen.

We zijn nu bijna bij Zuidlaren maar voor die tijd hebben we nog een leuke geocache. Voor wie niet weet wat dit is; Mensen verstoppen een ‘schat’, publiceren de coördinaten op internet en andere mensen kunnen hem dan opzoeken. Deze geocache heeft een leuke puzzel die je op moet lossen om bij de schat te komen. Door het ruiken aan potjes en de bijbehorende cijfers in de juiste volgorde te zetten, kun je het slotje open maken.

Zuidlaren is een esdorp. Oorspronkelijk waren dit een paar boerderijen rondom een open plek, de brink. Hier kon het vee staan, werden markten en bijeenkomsten gehouden en had een dobbe, een vijver waarin de dieren konden drinken. Zuidlaren is een mooi voorbeeld hiervan want hier zijn maar liefst zeven brinken. Vandaag zien we er niet veel van want als we gaan kijken hoe laat de bus naar Groningen gaat, komt hij er net aan. Zonde om te laten lopen want op zondag gaat hij maar één keer per uur. We nemen ons voor om Zuidlaren wat meer aandacht te geven bij de start volgende etappe, want hij eindigt nu wat abrupt. Wel zijn we blij dat de benen even kunnen rusten. Het was weer een mooie wandeldag van het Pieterpad.

Pieterpad (2)

Donderdag 12 december
Van Winsum naar Groningen (20 km)

‘Chaotisch’ is het beste woord voor de start van deze etappe. Ik kan het niet anders noemen. Nadat we met de bus van Baflo naar het zwembad in Winsum zijn gegaan, kruipen we door de bosjes om op de route te komen. Terwijl dit nergens voor nodig is, we kunnen ook 50 meter omlopen. Even verderop willen borden ons terug laten lopen. Zijn we helemaal voor niks door de bosjes gekropen. Ze zijn hier duidelijk aan het werk geweest, maar nu kun je er toch weer langs. En na de eerste afslag denken we dat we, aan de track te zien, verkeerd zijn gelopen. Die loopt door het weiland naar de Garnwerderweg en wij lopen via Schillingeham. Veel mooier en later blijkt ook dat dit de gewijzigde route is.

Het traject vandaag is grotendeels bekend. Ontelbare keren heb ik deze route al gefietst. Maar goed, nu doen we het een keer op de langzame manier. Ik kan melden dat het toch anders is dan fietsen.We beginnen met wat omtrekkende bewegingen om Garnwerd. Veel over fietspaden en omdat het winter is, zijn er niet veel fietsers onderweg dus we voelen ons vrij. Waar mogelijk gaan we even de dijk op voor het uitzicht. Dijken zijn hier veel want we zitten nog steeds in het Middag-Humsterland. Een landschap dat voornamelijk gevormd is door de waterloop van de Hunze toen het nog onder het eb en vloed regime viel. De dijkjes geven mooie uitzichten op het landschap en de restanten van de oude meanderende Hunze.

Garnwerd is een oud slapend wierdedorpje. Het kwam pas tot bloei toen het aan het Reitdiep kwam te liggen. Dat was in 1629 toen het Reitdiep uitgegraven werd. Ik vind dat onvoorstelbaar dat ze in die tijd zo’n kanaal hebben uitgegraven. Met de hand! Afijn, voor Garnwerd was het wel fijn. We willen eigenlijk koffiedrinken bij Café Hamming dat een authentiek interieur heeft. Maar die is pas om elf uur open. Gelukkig is bij Garnwerd aan zee wel op tijd de wekker gegaan. Ze serveren een heerlijke Velvet cake. En als we lopen, dan mogen we aan het lekkers.

Garnwerd heeft nog een mooie molen en claimt het smalste straatje van Nederland te hebben. Ook de gietijzeren ophaalbrug ziet er oud uit. Maar die is van 1933. Voor die tijd was er een voetveer. Dat kwam van de Wierummerschouw waar we later langs komen. Op een hete zomerdag ben ik ooit van deze brug gesprongen in het Reitdiep. Garnwerd blijft een plaatje, in welk seizoen je er ook komt.

We gaan terug over de brug en volgen de LF-fietsroute naar Wetsingerzijl. Zijl is het Groninger woord voor sluis. Deze zijl is al in 1634 gebouwd in het Sauwerdermaar. In 1867 is er een versie met 5 paar deuren gekomen. In 1929 ging hij buiten bedrijf en verviel. Nu hebben ze er 1 miljoen (!) euro in gestopt en is hij in zijn oude luister hersteld. Gewelfde gemetselde muren met ijzeren banden. Dit noemen ze ‘wulfmuren’.

Iets verderop is de Wetsingersluis. Waarom de ene een zijl heet en de andere een sluis, is me een raadsel. Deze is als schutsluis in het Reitdiep geplaatst om de stad te beschermen tegen hoog en zout water. Er zit een prachtige ijzeren draaibrug op. Voor ons doen ze hem net even open.

Oostum is de volgende stop. Het is een kerkje op een afgegraven wierde met een paar huizen eromheen. Je kan het geen dorp meer noemen. De kerk is een mooie stopplaats. Aan de achterkant staat een bankje waar je in de zon kunt zitten. En er is een openbaar toilet. Als wij er zijn, is de kerk open en kunnen we binnen ons bammetje doen.

Het kerkje is gebouwd in de 13e eeuw met drie traveeën (muurvakken). Toen in de 14e eeuw de toren werd toegevoegd kwam er een halve travee te vervallen. Het zadeldak op de toren is bijzonder omdat het dwars staat. Ongebruikelijk voor deze regio. De dakbedekking zijn overigens ‘monniken’ en ‘nonnen’. Halfronde pannen die beurtelings met de bolle en de holle kant naar boven liggen. Iets wat we eerder ook bij andere Groninger kerken zagen. Het is een van de meest gefotografeerde en geschilderde kerken van Groningen.

Via een Dode Laan (kortste weg naar het kerkhof, nu komen we er net vandaan) lopen we door de velden naar Wierummerschouw. Het woord schouw verwijst naar het feit dat hier vroeger een pontje was. Juist ja, het pontje wat later naar Garnwerd is gegaan. Hier moeten we een omleiding volgen. Omdat vorig jaar al de Paddenpoelsterbrug eruit is gevaren moeten we een stukje omlopen via de nieuwe brug bij Dorkwerd. Die Paddenpoelsterbrug is een soap op zich. Sommige boze tongen beweren dat het opzet was omdat ze van het van Starkenborghkanaal een scheepvaart-snelweg willen maken en dan ligt zo’n brug maar in de weg. Feit is in elk geval dat er weinig schot zit in de vervanging. Zelfs een noodbrug of een pontje voor de fietsers en wandelaars kan niet voor 2022 gerealiseerd worden. Ook de Tweede Kamer maakt zich er druk om. Wij kunnen er weinig aan veranderen dus we lopen gewoon om. Inmiddels begint het lijf langzamerhand te protesteren maar de stad komt in zicht en gelukkig hebben we nog wat afleiding.

Waar nu het nieuwe ICT/Kennis-gebied Zernike uit de grond gestampt wordt, stond vroeger het Galgenveld. Hier werden de misdadigers opgehangen als afschrikking voor de reizigers met snode plannen, die de stad binnen kwamen. Als herinnering staat er een metalen hand met gedicht.

Als we de wijk Selwerd binnenkomen, staat er het kunstwerk Levensloop. Alhoewel het heel toepasselijk lijkt, al die schoenen, voor het Pieterpad, het heeft er niets mee te maken. Het gaat over de vele (80) verschillende nationaliteiten die in deze wijk wonen.

Via een interessante route gaan we door de stad naar het station. Er is onderweg veel te zien maar voor ons, als Groningers, is het allemaal gesneden (Groninger) koek. We komen langs de Noorderbegraafplaats, door het Noorderplantsoen en langs de Noorderhaven. Allemaal mooi.

Maar de spieren en heupen willen op dit moment maar één ding en dat is naar huis gaan. Dus alle andere bezienswaardigheden laten we even links liggen en spoeden ons naar het station. Daar zijn ze al helemaal in kerstsfeer en dit maakt de stationshal er nog mooier op.

Ondanks dat deze etappe de bekende weg was, hebben we toch genoten. En na ’s avonds een uurtje gezeten te hebben, komt het lijf ook weer wat bij. Mooi dat we weer een stukje verder zijn en op naar het volgende traject!

Pieterpad (1)

Zondag 1 december
Van Pieterburen naar Winsum (12 km)

Kleine wolkjes verlaten mijn mond als ik adem. We kijken uit over een donkere massa klei en heldere luchten. De luchten zijn in de herfst op zijn mooist. Als in oudhollandse schilderijen. Complexe wolken, in de oneindige verte, met de belofte van regen. In het veld gakken de ganzen en voeren een evacuatie oefening uit. Met honderden stijgen ze op, cirkelen even boven ons en dalen weer neer. We lopen in het Middag-Humsterland, Groningse wierden- en marengebied, en sinds 2005 Nationaal landschap.

Ja, je leest het goed. We fietsen niet, maar we lopen. In de winter is het te koud om te fietsen en daarom heb ik deel 1 van het Pieterpad besteld en afgelopen zaterdag binnen gekregen.

In feite is elke dag geschikt om te beginnen, dus waarom vandaag niet. Ondanks dat er natte bytes mijn buienradar-app binnenstromen gaan we gewoon op pad. De eerste etappe is van Pieterburen naar Winsum. Twaalf kilometer. Dat moet zelfs voor ons, als notoire fietsers, te doen zijn.

Om in Pieterburen te komen nemen we de bus. Je kunt hier aan de provinciale weg bij Baflo instappen en 10 minuten later sta je bij het startpunt van het Pieterpad. Gemakkelijker kunnen we het niet maken.

Pieterburen kennen we al. Reden om meteen de rood-witte bordjes te volgen. Even langs de kerk, ‘Domies-toen’ en binnen no-time staan we met de schoenen in de modder en het hoofd in de ruimte.

Het Groninger land is relatief kort geleden land geworden. Lang was het hier zee met ambities. Pas zo’n 2500 jaar geleden begon men hier wierden op te werpen. Verhogingen in het landschap zodat je niet twee keer per dag natte voeten kreeg. De Romeinen noemden het boomloze baggerhopen en in feite waren het niet meer dan dat. Op de wierden werden hutten gebouwd en deze wierden groeiden van huiswierden tot dorpswierden. Kerken zijn onvermijdelijk en zo groeiden de dorpen zoals we die nu om ons heen zien. Want zeker de kerk en de doden (begraafplaatsen) moesten droog blijven. Sommigen waren wel vijf meter hoog.

In de 19e eeuw kwam men erachter dat die wierden eigenlijk bestonden uit vruchtbare grond want het groeide aan door aarde, mest en huisvuil. Een soort van composthoop naast de voordeur. Dat kon natuurlijk goed verkocht worden. Begin 19e eeuw werd het voor 55 cent de ton afgegraven en verkocht. Via modderschepen werd het afgevoerd en kijken wij tegen gemutileerde wierden aan. Tegenwoordig is men weer bezig dit te herstellen.

Het land wordt nu minder beheerst door de getijden. Was het vroeger de Hunze die de stad Groningen met de zee verbond. Na het ontbochten hiervan heeft het de naam Reitdiep gekregen. Dat water hier nog een grote rol speelt zie je aan de vele bruggetjes waarmee we het water oversteken.

We hebben hier vaak gefietst maar wandelen is toch anders. Het is prachtig om door de velden te lopen. Nog meer dan met het fietsen wordt je gedwongen te vertragen. Nog meer zit je in het landschap en nog meer worden al je zintuigen aangesproken.  Zonder moeite en voor we het weten komen we door Eenrum, een wierde-dorp pur-sang. Boven op de bult staat de kerk, uit de 13e eeuw. Voor het eerst zie ik hier ook de waterpompen staan waarvan de rode wel erg in het oog springt.

Langs de hoofdweg lopen we naar Mensingeweer. Vroeger liep hier de provinciale weg doorheen. Tegenwoordig is er een rondweg en daar is het dorp flink van opgeknapt. Bij de molen doen we een cache en via het hoogholtje steken we het water over. Het is hier heerlijk rustig nu. Onderweg komen we nauwelijks mensen tegen ondanks dat het, tegen verwachting in, prachtig weer is.

Langs Mensingeweerster loopdiep komen we in Winsum. Ik ben hier honderdduizend keer geweest maar kom toch in steegjes die ik niet eerder heb gezien. Winsum is een dubbeldorp dat, naast Winsum op de zuidelijke wierde, ook nog bestaat uit Obergum, op de noordelijkwe wierde. Beide delen worden verbonden door ‘de Boog’, midden in het dorp. Net als alle dorpen hier, is er in Winsum ook een haven. En in die haven de Jeneverbrug. Uit het boekje leer ik dat deze naam komt omdat er een café aan beide zijden was. Tegenwoordig zit er een Chinees dus misschien moet het nu de Pekingbrug worden.

Vanuit Winsum kunnen we de trein naar Baflo nemen. Maar dan moeten we nog een klein uurtje wachten. Het is maar 5 kilometer, dus dat kan er nog wel bij.  Enigszins stijf in de heupen komen we thuis. De eerste etappe zit erop. We kijken uit naar de rest.