Sokken in de droogtrommel

We must learn to sleep on the pillow of doubt. – Alain de Botton

Dag 024:

We zijn weer helemaal uitgerust en we kunnen er weer tegenaan. Vandaag is de voorspelling regen. De hele dag. En die voorspelling wordt ingelost.  Helemaal. We vertrekken in regenpak en we komen aan in regenpak. Het weer is een van de dingen die ik niet onder controle heb, dus daar geven we ons aan over.

Ik las gisteren een mooi artikel over controle, geschreven door The School of Life. Ik ben van de planning. Dat was ik altijd in mijn werk maar ook in mijn privéleven houd ik ervan om de dingen nauwkeurig uit te zoeken. Ik pluis de routes na, kijk waar de campings liggen en waar de mogelijke problemen met overnachtingen kunnen ontstaan. Ik maak én bestudeer de hoogteprofielen. Ik kijk wat er overal te doen is en ik bereid de geocaches voor. Of, zoals Alain de Botton stelt; ‘I am trying to control the future.
Maar… wat Alain ook zegt is dat dit eigenlijk niet mogelijk is. Een groot deel van ons leven is in handen van het onbekende, het lot. Er zijn teveel verschillende mogelijkheden, kortom we moeten leren te vertrouwen op het onbekende. Nietzche, een andere grote folosoof, had grote bewondering voor de koeien. Ze konden gewoon in de wei liggen, af en toe een vlieg verjagen, wat op gras kauwen en elke minuut volledig beleven. Wij mensen zijn daar heel slecht in. En dat zouden we moeten verbeteren. Of zoals ik al eerder schreef, zijn als een koe in de wei. Overigens zijn er heel veel mensen die niets voorbereiden en zo gaan. Daar heb ik groot respect voor. Ik zou er niet gelukkig van worden, maar ieder moet het op de manier doen die hem of haar past.

In tegenstelling tot gisteren zitten we vandaag op bijzonder kleine landweggetjes a la campagne. Ondanks de regen is dit heerlijk fietsen. Door de rust, het getik op de muts en de monotone beweging van de benen kom ik in een soort van trance waarbij mijn gedachten kunnen ronddraaien als sokken in een wastrommel. De ene keer de grijze linkersok boven, de andere keer de blauwe rechter.

Het is geen weer om buiten koffie te drinken dus in Chateau-Garnier gaan we op zoek naar de commercie. We vinden een bakker annex mini-super die ook koffie heeft. En, als bakkerij, ook wat lekkers erbij. Ik ga voor de eclair en Mevr. van der Veeke neemt een mille-feuilles. Bij ons heet dat een tompouce. Mooi die vertaling van ‘duizend bladeren’ voor ons bladerdeeg. Zittend in de winkel zien we het dorpsleven van het Franse platteland aan ons voorbijtrekken.

Charroux is een wat grotere plaats. In de middeleeuwen was het zelfs de hoofdstad van de Marche streek. Er zijn twee bezienswaardigheden die meteen opvallen;
De verhoogde, overdekte markt uit de 16e eeuw en de St. Saveur, een open, achthoekige toren.  De toren is het enige wat overbleef van een enorme abdij uit de 11e eeuw. Deze abdij had in die tijd meer dan honderd relikwieën, waaronder een splinter uit het kruis van Jezus (vast wel..). Elk jaar trok dit wel 25.000 bedevaartgangers waaronder ook veel Santiagogangers. In de Honderdjarige Oorlog had de abdij veel te lijden maar de Franse revolutie deed hem de das om.

Voor ons is Charroux ook de belevenis van een nieuwe ervaring. We hebben de keuze tussen lunchen in een, nog te vinden, bushok of ergens binnen. In het dorp zie ik een bord staat met Plat du Jour. Ik hoor daar goede verhalen over, dus daar gaan we voor. De bar wordt gerund door een verdwaalde Ier. Er komen hier blijkbaar veel Engelsen en Ieren. We hebben eerder slecht gegeten maar bar L’ Abbey komt met stip in de top drie. Waarschijnlijk zaten er nog wat regendruppels in mijn ogen want achteraf kan ik niet geloven dat we hier zijn gaan zitten.
Als voorgerecht krijgen we iets dat wortelsoep zou moeten zijn. Het lijkt meer op opgewarmde potjes Olvarit. Op zich is dat niet erg want als het voor baby’s goed is, moet het ook goed voor ons zijn. Maar ze hebben waarschijnlijk de peperpot in de pan laten vallen want het is niet te eten. Ik heb nog nooit wat terugestuurd, maar nu sturen we de volle kommen weer terug. Het hoofdgerecht is fish and chips waarbij de fish een soort van vettige afwasspons is. Ik had gedacht dat je patat weinig fout kon doen, maar deze Ierse heer heeft me kunnen overtuigen dat dit niet waar is. Het toetje is een diepvries niemendalletje. Drieëndertig euro armer en een ervaring rijker stappen we weer naar buiten.

Het landschap verandert vanaf hier weer. Het wordt lekker glooiend en we moeten regelmatig flink klimmen. Dat is een voordeel want dan trappen we ons lekker warm. Het is vandaag weer 9 graden en dat houdt niet over. Maar klimmen betekent ook mooie afdelingen en zo rollen we Nanteuil-en-Vallée binnen. En in de volgende ervaring van de dag.

In het boekje lezen we dat hier een pelgrims-gîte beschikbaar is. De sleutel kun je ophalen bij de Mairie of het restaurant. Het is zaterdag dus de Mairie is gesloten. Daarom gaan we naar het restaurant. Daar doen ze alsof ze van niets weten en sturen ons naar de naastliggende slagerij annex groenteboer annex bakker. Ook daar vangen we bot. De slagersvrouw geeft aan dat het haar ‘verantwoordelijkheid’ niet is en dat we maar naar de Mairie moeten. Die dicht is. We fietsen het hele dorp af en vragen meerdere keren naar de Mairie en worden alle kanten opgestuurd. Tot op heden hebben we de Mairie nog niet kunnen vinden. Maar wel weer iemand die ons weer bij de slagersvrouw brengt. Ze blijkt de sleutel ineens wel te hebben maar de papieren niet. Langzamerhand wordt ik een beetje flauw van dit kastje naar de muur gedoe en begin wat ruzie met haar te maken. Dat, en het feit dat de rest van het dorp zich er ook mee bemoeit, zet haar aan tot het bellen van iemand (de Mairie?). En toen kwam het toch nog goed. Ze blijkt ook ineens de papieren te hebben en voor 20 euro hebben we een gîte in het dorp.

Wat is hier aan de hand? Heeft de middenstand liever dat we echte (duurdere) Chambre d’Hôtes of gîtes huren? Heeft de gemeente de zaak niet goed geregeld en is men daar flauw van? We kunnen alleen speculeren, maar vinden het niet juist dat dit over de rug van arme pelgrims uitgevochten wordt.

Door dit gedoe zou je haast vergeten wat een prachtig dorpje Nantieul-en-Vallée is. Ook hier heeft een abdij (de Notre Dame) gestaan. Die Santiagogangers onderdak en verzorging bood. Later is de abdij grotendeels geplunderd en verwoest door Engelsen. Nu zijn er alleen nog enkele restanten van de abdij. In de dorpskerk komen we St. Jacobus tegen in de ramen. En wat een speciaal plaatsje in het dorp heeft zijn de bronnen van Fontaine Saint-Jean. Wij zitten er met onze gîte vlak naast. Verder wemelt het hier van de prachtige straatjes en huisjes. Mocht je in de buurt zijn, dan is het een bezoek waard.

Dag 025:

Op sommige dagen is er meer te doen dan op andere dagen. Vandaag was niet zo’n spannende dag. Ook het boekje heeft niet veel meer te melden. Er worden zelfs dingen genoemd die ooit hebben bestaan, maar er nu niet meer zijn. Dat betekent dat je gaat kijken naar iets wat er niet meer is.
We hebben een flink stuk overbrugd en dat was knap vermoeiend. Ik zal straks uitleggen waarom. En het weer hield niet over. We vertrekken onder een grijze lucht. In de middag regent het, ’s middags hebben we wat zon en ’s avonds zijn er stortbuien.

Hebben we dan helemaal niets meegemaakt? Jawel hoor. We hebben een prachtig landschap gezien met heerlijk rustige wegen. Als je stil staat, hoor je alleen natuurgeluiden. In Jauldes kijken we even bij het Romaanse kerkje.

In de versieringen van het portaal spot Mevr. van der Veeke nog een heidense afbeelding verstopt tussen de anderen. Het is een vrouwtje met de benen wijd en een open ‘vizier’.  Waarschijnlijk een vruchtbaarheidssymbool. Het verbaast ons dat dit nog aanwezig is.

Angouliéme laten we links liggen en gaan we omheen. We komen wel langs de bron van het riviertje de Touvre. In het vennetje welt het water gewoon omhoog de grond uit. Onder de waterspiegel zitten grotten met rotsformaties.

De dag was knap vermoeiend omdat we behoorlijk wat hoogtemeters maken. Voor de niet-fietsers, dat zijn de klimmeters. De meeste viaducten zijn een meter of vijf hoog. Dat zijn dan vijf hoogtemeters. Wij hadden er vandaag 900. Zijn we dan 900 meter omhoog gegaan? In principe wel maar niet helemaal. Op het laatste stuk zag ik hoe het werkte. We moesten volgens het profiel 100 klimmen. Omdat het landschap zo golft, gaan we eerst 40 meter omhoog, maar dan weer 20 naar beneden. We stijgen vervolgens weer 30 meter maar zakken er 10. En zo gaat dat even door. Om de 100 meter te stijgen klimmen we in werkelijkheid 200 meter.

We eindigen in Ronsenac. Ik heb daar een Airbnb geboekt bij Ann en Martyn, een Engels echtpaar dat renteniert in Frankrijk. Er blijken hier veel Engelsen te zitten zoals we al eerder constateerden. We hebben onderweg niet kunnen eten maar er zit een Engelse pub, Jimmy,  in het dorpje. Hier kunnen we eten. We vrezen het ergste na het debacle bij de Ierse pub, maar mevrouw Jimmy kan lekker koken. We hebben een heerlijke Spaanse kip, rijst en salade.

Ronsenac bestaat al heel lang en lag aan de Romeinse weg van Perigueux naar Saintes. En er is een koude wensbron. Hier welt al vanuit de middeleeuwen water omhoog. Wij nemen de gelegenheid te baat, gooien er een muntje in en doen een wens. Je weet maar nooit.

Dag 026:

Met een uitgebreid ontbijt, samen met Ann en Martin, achter de kiezen, is de eerste klim een makkie. Vandaag weer veel kleine rustige weggetjes, maar er is een leuke onderbreking in Aubeterre-sur-Dronne. Dit dorpje wordt gezien als een van de mooiste van de streek en het is inderdaad een plaatje.

Daarnaast zijn er hier zijn twee bijzondere kerken.

De eerste is de Eglise Monolithe St. Jean. De bijzonderheid zit hem dat hij compleet uitgehakt is in de bergwand. En dan hebben we het niet over een kleine ruimte. Want om 27 bij 16 bij 20 meter uit te hakken moet je flink aan de bak. En in de 12e eeuw waren er weinig mechanische hulpmiddelen dus alles moest met de hand. Wij vergapen ons aan de enorme ruimte. Ook de doden werden in de kerk begraven. Hiervoor werden smalle sarcofagen in de vloer uitgehakt. De mensen werden daar, in een kleed gewikkeld, in smalle spleten gelegd. Binnenin staat een achthoekig gebouwtje, een reliquary, waarin de relikwieën, bewaard worden. Veel pelgrims kwamen hier bidden. Volgens de legende gaf dat bescherming. Daarom mogen de pelgrims, dus ook wij, gratis naar binnen.

De andere kerk is de St. Jacques, ook uit de 12e eeuw. Van binnen redelijk sober maar het beeldhouwwerk, met Spaans-Moorse invloeden, aan de buitenkant, is de moeite waard.

Via de pelgrimsweg gaan we naar het zuidelijker gelegen Bonnes en St. Auleye. We willen graag wat boodschappen doen want dit zijn de enige dorpjes die we vandaag tegenkomen. Maar na twaalven is niets meer open. Dan maar verder zonder boodschappen.

De route gaat verder door het groene Fôret de la Double. Vroeger was dit een onherbergzaam gebied met veel wilde dieren en nattigheid. Mensen leefden hier in erbarmelijke omstandigheden en er heerste zelfs malaria. De monniken van de abdij van Echourgnac hebben het gebied ontwaterd zodat het wat toegankelijker werd. Het zijn stille wegen want we komen nauwelijks een auto tegen. Fietsten we vanmiddag nog in T-shirt in de zon, hier worden we overvallen door een wolkbreuk. Voor het eerst heb ik het water in de schoenen staan.

Wat me een beetje tegenvalt tot nu toe is dat we zo weinig kunnen kamperen. Er zijn weinig campings langs de route en vaak ook nog gesloten. Dat vind ik jammer want de vrijheid van een tent is heerlijk. Ook nu ben ik weer terug gevallen op een Airbnb. Weliswaar was hij met €23 niet duur, het blijkt ook minimaal te zijn. Alleen een kamer met een bed. En er is een douche beschikbaar. Na wat woorden kan gelukkig ook de kachel aan. Maar goed, het is goedkoop.
Er is geen gelegenheid om te koken en onderweg hebben we geen boodschappen kunnen doen. Het eten bestaat dus uit een cup-a-soup en de laatste korstjes brood van gisteren. Een karig maal dat we buiten moeten maken omdat er in de slaapkamer geen gelegenheid is. Eigenlijk is dit te weinig om deze fietsprestatie te kunnen leveren. Maar morgen plunderen we de eerste supermarkt of bakkerij en dan halen we alles weer in.

Dag 027:

Zonder ontbijt glippen we de deur uit. Het is mistig en koud, de voorbode van een mooie dag. Maar dat duurde langer dan gehoopt. In le Pezou doen we boodschappen en bij de eerste gelegenheid stoppen we om het ontbijt in te halen.

Voor vandaag hebben we besloten er een kortere dag van te maken. Ik heb contact gehad met Tiffany, onze gastvrouw van vanavond. We mogen eerder komen en gebruik maken van de wasmachine. En dat is ook echt wel weer nodig. In eerste instantie denk ik dat we veel te vroeg aankomen maar het landschap is weer vermoeiend fietsen en het schiet niet echt op. Er is wel genoeg te zien onderweg.

We komen zo langzamerhand in het gebied van Bordeaux. Als dat je niets zegt, dan prima. Als het je wel wat zegt dan houd je waarschijnlijk wel van een glaasje wijn. Daarnaast wemelt het gebied hier van de chateaus. Nou zijn sommige kastelen best imposant zoals ze boven op een heuvel liggen. Het kasteel van Francs is bijvoorbeeld een stevige kerel. Maar ook die van Monbadon mag er zijn.

Sommige kerken kunnen zo in Game of Thrones. Het is dat er asfalt voor ligt, maar ik zie hier zo the high sparrow uit de deur komen. Dit is overigens het kerkje in Tayac. Uit de 16e eeuw.

Maar ook Montagne heeft een overschot aan kerken. In het dorp de Romaanse St. Martin, maar even verderop staat de St. George uit de 11e eeuw. Het bijzondere van deze kerk is dat hij op Romeinse resten is gebouwd en dat de onderkant van de toren smaller is dan de bovenkant. Waarschijnlijk heb je een meetlat nodig om dit te bepalen, want ik zie het zo niet.

Inmiddels zitten we tussen wijnvelden zover het oog rijkt. We zien ook een hoop bedrijvigheid tussen de druivenranken. Snoeien, wieden en wat er verder nodig is om water in wijn te veranderen. Ook heet elke boerderij nu ineens een chateau. En overal kun je proeven en kopen.

In St. Emilion komen we voor het eerst een beetje toeristische drukte tegen. Er zijn veel mensen op de been en er staan voor het dorp veel auto’s geparkeerd. Tot nu toe waren we vaak alleen of met een verdwaalde toerist. St. Emilion is een tourist-trap en dan voornamelijk voor de wijnliefhebbers.  De helft van de winkeltjes bestaat uit het proeven en kopen van een specifieke wijn. Maar er is meer te zien in St. Emilion.
Het is ook van oudsher een pelgrimsoord voor Compostellagangers die St. Emilion bezochten om hem te vereren én voor het bezoeken van de monolitische kerk, de Madeleine, die hier uit de rotsen is gehakt, net als de kerk een paar dagen geleden. Bezoeken lukt ons niet want een tour duurt twee uur en we hebben een was-afspraak bij Tiffany. Maar de buitenkant is mooi, het uitzicht is mooi en de straatjes zijn mooi. Er is hier alleen niet te fietsen door al die klinkers.

Inmiddels heeft de zon alle verlegenheid laten varen en is het zweten in zoveel kleren. Begonnen we vanochtend met 9 graden, nu is het boven de 23 graden. Tussen de wijngaarden door zweten we ons een weg naar Tiffany in Faleyras. Zij heeft de wasmachine klaar staan voor ons en morgen fietsen we weer in frisse kleding.

Noot:
Op deze pagina kun je een kaartje vinden. Daarom houd ik (bijna dagelijks) bij waar we geweest zijn, wat de route was en waar we nu zijn. Handig als je genoemde plaatsen terug wilt zoeken.

Quelle domage

All travel has its advantages. If the passenger visits better countries, he may learn to improve his own. And if fortune carries him to worse, he may learn to enjoy it. – Samuel Johnson

Dag 021:

Het was vannacht minder koud en ’s ochtends is de tent zelfs droog. Het was een fijne camping hier in Veigne maar we gaan toch door. Vandaag hebben we weer een landelijke route. Ik had het al eerder opgemerkt, maar we komen meer in het zuidelijke Frankrijk. Lanen met platanen, slaperige dorpspleintjes en ook de kerken veranderen. In het noorden zijn het meer gotische kerken met spitsboogvensters, in het zuiden is het meer de romaanse bouwstijl met rondboogvenster. Omdat hier meer pelgrims langs kwamen zijn de portalen van de kerken ook ruimer. Dan konden de pelgrims daar slapen. Persoonlijk vind ik het een meer christelijke gedachte om ze in de kerk te laten slapen, maar ja…

Wij hebben in elk geval weer een windje in de rug mee en ook de benen zijn inmiddels zo getraind, dat de kilometers moeiteloos voorbij gaan. In het plaatsje Sainte Catherine-de-Fierbois heb ik een deja-vu. We zijn hier eerder geweest en dat klopt. In 2011 hebben we de zadelpijn route gefietst met Lucas/Ria, Marcel/Birgit en Yke. Toen kwamen we ook door dit dorpje.

Nu zitten we koffie te drinken met andere pelgrims. We komen Wim/Annelies en Janneke/Edith de laatste dagen steeds weer tegen. Vaak staan we op dezelfde camping omdat we ongeveer dezelfde afstanden doen. En het is ook erg leuk om de ervaringen uit te wisselen en elkaar onderweg tegen te komen.

Sainte Catherine-de-Fierbois  ontleent haar naam aan de kapel die Karel Martel liet bouwen na de slag tegen de Moren in 732. Ste Catherine is de patroon van de soldaten. In de 14e eeuw kwam er een nieuwe kapel en toen Jeanne d ‘Arc hier ook nog kwam was het hek helemaal van de dam. Sinds 1451 worden hier pelgrims verzorgd, maar wij hebben geen verzorging nodig. Een goede bak koffie en we kunnen weer op weg.

In Ste. Maure-de-Touraine hebben we onze volgende stop. Het is een grotere plaats met veel pelgrimshistorie. Maar we willen alleen het oude pelgrimsgasthuis zien, met zijn inscriptie ‘A la belle image, bon vin, bon logis’. Het is wel duidelijk wat de pelgrim van weleer dronk. Wij houden het bij bier en cider.

Wij tikken plaatsje na plaatsje af. De zon schijnt en de wind duwt. Het landschap nodigt uit tot meditatie en daarom zijn we blij als we wat afleiding hebben onderweg. Soms is dat een opbeurende boodschap, dat het nog maar 1295 kilometer is naar Santiago. We zijn ongeveer op de helft. Wel de gemakkelijke, vlakke helft, maar toch.

De verveling neemt zulke vormen aan dat we zelfs weer stoppen bij een romaans kerkje in Antogny-Tillac. Misschien ook omdat de deur open stond want dat gebeurt niet zo vaak bij de kerken die wij onderweg zien.

Zo naderen we Chatellerault, een vrij grote plaats. De bedoeling is dat we hier op de municipal overnachten die ten zuiden van de stad ligt. De route leidt ons langs de Vienne de stad in. Deze rivier volgen we al een hele tijd. In Chatellerault zijn er verschillende bruggen over de Vienne maar de Pont Henri IV is wel de mooiste. Naast de brug, zijn er ook nog twee verdedigingstorens intact. In een ervan tekende Henri IV het edict van Nantes.

Verder kwamen en komen hier veel pelgrims, dus er is ook een kerk van St. Jacques. Het heeft een mooie gevel met de 12 apostelen. En ook het andere beeldhouwwerk is de moeite waarde. Binnenin schijnt een beeld van St. Jacobus in vol ornaat te zijn. Ik schrijf ‘schijnt’, want zeker weet ik het niet. Ook deze kerk was weer gesloten. Quelle dommage!

Op de camping municipal worden we blij verrast. Hij is al niet duiur met zijn €6,50 maar voor dat geld mogen we ook nog in het pelgrimshuisje. We moeten het wel delen met Janneke en Edith, maar zij vinden dat geen probleem. Dus deze keer lekker relaxt meteen aan het bier en eigen douche en toilet. In Groningen zouden ze zeggen ‘het kon minder’.

Dag 022:

Vandaag is mijn geluksdag. Ik krijg nieuwe trappers op mijn fiets. Ze kraakten al een tijdje en het werd steeds erger. Eigenlijk had ik in Poiters willen kijken naar een fietsenmaker, maar hij valt er na een paar honderd meter al vanaf. Even googlen en maps geeft een fietsenmaker op twee kilometer afstand. Dat red ik nog wel. Het blijkt een grote, moderne zaak en tien minuten later fiets ik weer weg met twee blinkend nieuwe trappers.

Bij Vieux-Poitiers zien we een toren staan. Het blijkt het enige overblijfsel te zijn van een Romeins amfitheater uit de eerste eeuw. Ooit was hij 116 meter breed en konden er genoeg toeschouwers in voor een  optreden van U2. En zo stevig gemaakt dat de toren er na 20 eeuwen nog staat. Een mooi voorbeeld van duurzaamheid. Iets verderop was de slag van Poitiers waar Karel Martel in 732 de Moren heeft verslagen.

Wij fietsen over een oude romeinse weg langs het riviertje de Clain. Het gaat wat moeizamer dan gisteren. De wind is naar oost gedraaid en hebben we minder mee, en later zelfs tegen. Maar de weggetjes zijn nog mooi, evenals het weer.

Bij het chateau van Dissay moeten we even stil staan. Al is het alleen maar omdat de hele weg open ligt. Maar ook onze mond valt open van het kasteel. Wat ligt het er prachtig bij. Het was het zomerverblijf van de bisschop van Poitiers. Hoezo gelofte van armoede? Het park werd aangelegd door le Notre, die we ook al eerder tegen kwamen. Afijn, gelukkig hebben wij er nu ook nog wat aan.

Een stukje verder komen we zomaar een hunebed tegen. Hier heten die dingen Dolmen. Vaak zoek ik ze thuis al op, maar dit jaar was de voorbereiding van de reis zoveel werk dat ik er niet aan toegekomen was. We worden altijd even blij van deze oude steenhopen.

Poiters is een enorme stad. We zitten eerst langs drukkere wegen, maar de routemaker heeft uiteindelijk toch weer een rustige weg gevonden. Zo komen we vrij gemakkelijk langs het centrum. Om in het centrum te kijken, moeten we helaas omhoog klimmen, maar we doen het toch. Want hoe vaak kom je nu in Poitiers?

De stad was in de Romaanse tijd bekend onder de naam Limonum en lange tijd is het een belangrijke stad en machtscentrum geweest. Daarom tierde het geloof hier ook welig en het stikt hier van de kerken en kathedralen. Wij bezoeken er twee.

De Notre-Dame-la-Grande, uit de 11e en 12e eeuw,  is een van de mooiere voorbeelden van de Romaanse bouwwijze. De voorgevel is als een stripverhaal voor de, vaak, ongeletterde pelgrims. Er is ontzettend veel op te zien en niet zo verminkt door de Franse revolutie. Vroeger waren de kerken van binnen vaak heel kleurig. In de loop der tijd zijn al die kleuren vervaagd en zien we meestal gewoon het steen. In deze kerk hebben ze dit weer hersteld. En het wordt er een stuk vrolijker van.

Ook gaan we even bij de St. Pierre kathedraal langs. Deze is in een afwijkende gotische stijl gebouwd. Ook hier weer een mooi portaal en veel kleurtjes binnen.

Poitiers uitkomen is ook weer klimmen en er zijn geen mooie rustige weggetjes. We zitten een kilometer of 20 op drukke D-wegen. Het is spitsuur en het verkeer raast behoorlijk langs ons heen. Niet zo leuk dus. De vermoeidheid begint mee te spelen. Hier zitten geen campings in de buurt dus via booking.com heb ik een mooie kamer geregeld bij een landhuis.

Als we er aankomen, is het een oase van rust. Dat is net wat we nodig hebben na alle campings langs snelwegen en sporen de laatste tijd. Het is van binnen ook smaakvol ingericht en omdat we de enige gasten zijn, krijgen we de grootste kamer. Er is een aparte eetkamer met keuken die we mogen gebruiken, een zitkamer en buiten is een prachtige tuin. Ik geloof dat we de locatie voor een rustdag gevonden hebben.

Dag 23:

Na meer dan drie weken fietsen met maar één rustdag is het lijf moe. We merken dat alles moeizamer gaat maar ook dat je de interesse begint te verliezen in je omgeving. En dat terwijl hier zoveel mooie dingen te zien zijn. Vandaar dat een rustdag af en toe noodzakelijk is. Het moet tenslotte ook nog een beetje op vakantie lijken, nietwaar?

Toch fietsen we vandaag nog een dikke 16 kilometer. Want we hebben boodschappen nodig voor het eten en de dichtstbijzijnde winkel is acht kilometer verderop. En zonder bagage is dit heel makkelijk fietsen voor ons.

De rest van de dag werk ik de verslagen wat bij, smeer de kettingen van de fietsen en kan er eindelijk weer een boek open. Vanavond koken we een lekker maaltje en dan kunnen we morgen weer fris op de fiets. Er is regen voorspeld, maar dat zien we dan wel weer.

End of part one

Only those who will risk going too far can possibly find out how far one can go. – T.S. Eliot

Dag 017:

We slapen onder een dakraam en daar hoor ik de hele nacht de regen tegen het raam kletteren. De voorspelling was al niet best en als ik ’s ochtends op de buienradar kijk dan zie ik dit:

Niet goed dus. Maar later op de dag kan het beter worden. We rekken het ontbijt wat. Dat is ook niet moeilijk met versgebakken brood en andere lekkere dingen. Maar uiteindelijk moeten we toch gaan. We vertrekken zonder regenbroek, maar voor we Chartres uit zijn, kan hij aan. Langs de route staat St. Jacobus ons uit te zwaaien.

Eigenlijk regent het de hele ochtend. Wel in varianten van lichte regen, zware regen en hele zware regen, dus eigenlijk gebeurt er altijd wat. De temperatuur is overigens ook weer in de enkele cijfers, dus dat helpt ook niet mee. Daarom zijn we blij dat we even in de kerk van Meslay-le-Grenet kunnen kijken. Daar is een unieke muurschildering van de dance macabre, aangebracht naar aanleiding van de 100-jarige oorlog en de pestepidemieën. Grote toeristische borden wijzen erheen en als we aankomen dan… is de kerk dicht. Hij blijkt alleen de eerste zondag van de maand ’s middag open te zijn. Onbegrijpelijk.

Wij ploeteren voort. Het is hier een erg landelijke omgeving. Hier doorheen fietsen is voor mij hetzelfde als op blote voeten door een labyrint te gaan. Het voortdurende trappen, de druppels op mijn gezicht en de verplaatsing is een uitstekende manier om het onkruid uit het hoofd te wieden. Het is hier mooi, maar de dorpjes zijn klein en er zijn geen voorzieningen. Er is dus geen gelegenheid voor een koffie binnen. Daarom zitten we weer eens in een bushok.

Tegen de middag begint het wat op te klaren. Dit wil niet zeggen dat het droog blijft, maar de zon schijnt net lang genoeg om mijn jas te drogen waarna hij weer nat kan worden. Toch genieten we van de omgeving en komen we zomaar een menhir tegen. Daar worden we altijd even blij van.

Bonneval is een oud vestingstadje met mooie huisjes, nog intacte stadspoorten en een Notre Damekerk. Maar we zijn er niet van onder de indruk. In St. Christophe staat een mooi voorbeeld van een versterkte boerenhoeve en in Dheury zien we de traditionele rieten daken. Zelfs de wasplaats heeft er een.

Er zit ons een flink onweer op de hielen. We redden het niet en schuilen dan ook even in het kerkportaal van Dheury. Na wat donder en regen kunnen we weer verder.

Aan het begin van Chateaudun hebben we weer een Airbnb geboekt. Tot nu toe hebben we er goede ervaringen mee, maar met deze ging de communicatie wat bijzonder.  We komen terecht in een achterafbuurt waar we de fietsen in een rommelgarage kunnen stallen. De kamer ziet eruit als een boudoir en we hebben het vermoeden dat hij soms gebruikt wordt voor buitenechtelijke ontmoetingen. Onderstaande foto is een van de dingen in onze kamer. Maar goed, er staan een paar lekkere stoelen, het bed is schoon en goed en we kunnen gebruik maken van de keuken om onze maaltijd te maken. Morgen wordt het hopelijk mooi weer en kunnen we in de tent.

Dag 018:

We hebben geen spijt om deze Airbnb te verlaten. Ondanks dat we goed geslapen hebben, voelde het hier niet goed. Het is stralend weer, dus vanavond weer in het tentje.

We gaan eerst nog door Chateaudun heen. Gisteren hebben we nog niets gezien van de stad, maar dat wordt nu ruimschoots goedgemaakt.
Het stadje is gebouwd rondom een kasteel op een kalkstenen heuvel van 60 meter hoog. Lange tijd de residentie van het graafschap Dunois. In de 15e eeuw woonde Jean Dunois hier. Hij was de Jon Snow in de strijd tegen de Engelsen en vocht samen met Jeanne d’Arc tegen hun. In 1723 brandde de stad als een fakkel waarbij alleen het chateau en de kerken bleven staan. Bij het opnieuw opbouwen hebben ze voor een strak stratenpatroon gekozen. We komen nog wat authentieke straatjes en huizen tegen. De donjon is uit de 12e eeuw en 30 meter hoog. Een van de grootste en oudste in Frankrijk. Al met al is het een imposant optrekje.

Wij dalen af en komen al snel bij Le Loir (niet te verwarren met de Loire). Dit riviertje volgen we bijna de hele dag. We zitten hier in kastelen-land en dat is duidelijk te merken. Er is er altijd wel een in het zicht. Bij Montigny-Le-Gannelon komen we weer zo’n lekkere jongen op een heuvelrug tegen. Deze keer is het Chateau du Prince-duc de Montmorency. Het staat deels in de steigers. Mooi dat ze dit erfgoed zo onderhouden.

Cloyes-sur-le-Loir was een voormalig vestingstadje dat vroeger een etappeplaats was voor pelgrims. De naam van de herberg herinnert hieraan. Ook de kerk heeft een grote schelp in het glas-in-lood raam en een oud St. Jacobsbeeld. Die kan wel een likje verf gebruiken. Een kilometer naar het zuiden  ligt de Chapelle Notre Dame d’Yron. Onder aanvoering van de herder Estienne uit Cloyes vertrokken hier in de 12e eeuw zo’n 20.000 kinderen op kruistocht naar het heilige land. Niemand keerde terug. Hierop is het boek Kruistocht in Spijkerbroek gebaseerd.

Wij hebben een makkelijke fietsdag. De wind geeft een duwtje in de rug, de zon schijnt en de route gaat voornamelijk parallel met de heuvels. Weinig klimwerk vandaag zo langs de Loir. We passeren dorpjes als Morée, Fréteval en Pezou. Die hebben allemaal weer een bijzondere kerk en mooie oude straatjes. Maar daar hebben we er even genoeg van gezien. We zitten liever langs de Loir met een boterham en een bakje koffie.

Zo komen we vroeg in de middag bij Vendôme. Een schilderachtig plaatsje aan de Loir waar van alles te doen is. Maar daarover morgen meer.

We maken er een korte dag van en gaan lekker naar de camping. De tent is blij dat hij eindelijk weer uit het zakje kan en we vinden een mooi plekje in de zon. Omdat we zo vroeg in het seizoen zijn, staan er alleen een paar campers op het terrein. Enige nadeel is dat het hier wat lawaaierig is door de aanpalende snelweg. Toch besluiten we hier een rustdag te nemen. Daar zijn we wel weer aan toe na een week fietsen en het weer blijft nog even mooi. Dat geeft ons morgen ook alle tijd om Vendôme te bekijken.

De camping heeft een wasmachine. Na twee weken onderweg begint alles wat te ruiken. Wassen lukte wel met al die regen. Daar hoefden we haast niets extra voor te doen. Maar het drogen was een probleem. En als de mensen naast je in de winkel met hun neus beginnen te trekken, dan weet je dat het tijd. Afijn, na twee wasjes kunnen we voorlopig weer vooruit.

Dag 019:

De nacht doet rare dingen met je. We hebben ons voorgenomen om ons niets aan te trekken van het lawaai van de snelweg. Maar in je slaap heb je er toch last van als de vrachtwagens telkens langs denderen. Dus terwijl het nog donker is, besluiten we vandaag weer op pad te gaan. Daarnaast is het vannacht best koud en dat merken we in onze botten, gewrichten en rug. Toch gaat er niets boven in het tentje slapen en zo lang het weer niet te koud en te nat is blijven we dat doen.

We beginnen met een bezoekje aan Vendôme. Het blijkt een alleraardigst stadje te zijn. Op de een of andere manier hebben we een onzichtbare grens overgestoken van Noord-Frankrijk naar een meer mediterrane Midden-Frankrijk.

In de Gallo-Romeinse tijd heette het hier Vindocinum (witte berg). In de 11e eeuw werd hier een kasteel en een Triniteitsabdij gebouwd.

Het verhaal gaat dat St. Martin hier een stervend kind, in de armen van zijn moeder, tot leven wekte. Als zo’n hartverscheurend verhaal niet als een pelgrim-magneet werkt, dan weet ik het ook niet meer. En dat deed het ook. De stad is nu een belangrijk pelgrimsoord. En er is hier genoeg te zien. We kijken eerst naar de abdijkerk St. Trinité. Deze heeft een prachtige façade in laatgotische stijl.

Aan de Rue de St. Jacques staat nog de Jacobskerk. Maar afgezien van de naam zijn er geen sporen meer die ons herinneren aan onze grote leider. De kerk is nu een multifunctioneel centrum en ze zijn er net een expositie aan het inrichten. Het dak van de kerk is wel het bekijken waard. Het is net een schip op zijn kop en de dwarsbalken ontspruiten uit krokodillenbekken.

Aan het Place de St. Martin staat de vrijstaande Tour St. Martin. Dit is de 15 -eeuwse klokkentoren van een verdwenen kerk. Het is een van de mooiste (bij elke beschrijving staan weer superlatieven) van Frankrijk en het voorbeeld voor de klokkentoren van Chartres, die we een paar dagen eerder zagen.

Aan het pleintje staan nog een aantal oude vakwerkhuizen. Op nummer 24 zien we het beeld van St. Jacques en St. Martin.

Daarmee hebben we de bezienswaardigheden van de dag gehad. Het is prachtig weer en een harde wind in de rug doet ons de schamele 35 kilometer moeiteloos overbruggen. We genieten van het landschap en zelfs de meerdere route barrées kan ons niet van koers afkrijgen. We navigeren moeiteloos om de werklui heen.

Dan brengt ons vroeg in de middag in Chateau-Renault op een mooie, rustige municipal waar we voor € 9 een nachtje kunnen staan. We lopen even naar de Intermarche voor de boodschappen. Het stadje lijkt alleen te bestaan uit snelwegen en rotondes. Misschien dat we morgen, aan de andere kant van de snelweg, een beter beeld krijgen. We zien alleen het chateau, waar de stad zijn naam aan ontleent,  nog op de heuvel liggen. Inmiddels hebben we al een heel gasblik opgekookt, maar gelukkig kunnen we hier bij de Bricolage een nieuwe krijgen. Kunnen we weer twee weken vooruit.

De rest van de middag wordt in gepaste, en verdiende, rust doorgebracht. Wordt het toch nog een beetje een rustdag.

Dag 020:

Bij het verlaten van Chateau-Renault verandert onze mening niet. Hier is niets te zoeken. Mocht je hier ooit in de buurt komen, getroost je de moeite en rijdt snel door.

Vandaag hopen we minimaal Tours te halen en het eerste deel van het Santiago deel af te ronden. En ik kan alvast verklappen; dat lukt. We hebben weer een mooie landelijke route waarbij we veel versterkte boerderijen en chateau’s te zien krijgen. En er is wederom een harde wind in de rug. Ik vraag me af of het hier altijd zo waait. Wij vinden het in elk geval niet erg.

Ik vind het altijd knap dat de routemakers weggetjes weten te vinden waarmee je ongemerkt een grote stad binnenkomt. Ook hier is dat weer zo. We zitten een hele tijd op een voormalig treintraject dat ze als voie-verte hebben omgebouwd tot fietspad.  Zo fietsen we hier een hele tijd op de vroeger spoorbaan langs de Brenne. Geheel vrij van auto’s en mooi landelijk.

Het is hier een kalksteengebied. Dat merk je aan de huizen, de wegen en aan de heuvels. In Rocheberon zijn er in de hellingen vroeger grotwoningen uitgehakt. Tegenwoordig wonen hier geen mensen meer maar ze worden, als caves, gebruikt voor opslag van goederen. Hoog aan de monding van de Bedoire staat de Rochecorbon, een wachttoren uit de 15e eeuw.

Ook bij Tours, toch geen kleine plaats, zijn er voldoende fietspaden om de stad ongemerkt binnen te komen. Inmiddels zij we bij de Loire (niet te verwarren met de Loir) aangekomen en de Loirehangbrug leidt ons bijna rechtsreeks naar de kathedraal.

Ik had gezegd dat ik was uitgekeken op kerken, maar een mooie kathedraal krijgt me nog wel uit het zadel. En die van Tours is de moeite waard, al is het alleen maar om de stempel.

Tours was, en is, een belangrijke verzamelplaats voor pelgrims. Wij zien er dan ook meteen meer omdat allerlei routes hier samenkomen. De kathedraal heeft een hele historie. Een belangrijk figuur in deze historie is St. Martin, die wij beter kennen als St. Maarten. Je weet wel, die zijn mantel deelde en tegenwoordig de beschermheilige van de tandartsen is. Hij had hier een enorme tombe, maar die is verwoest. Later heeft hij een nieuw plekje gekregen in de basiliek. Meer details kun je op wikipedia kunt lezen. Wat wij leuk vinden om te zien is dat je de verschillende bouwstijlen terug vindt omdat de bouwtijd zo lang was (13e-16e eeuw). Onderaan is het Romaans, in het midden de flamboyante gotiek en bovenop renaissance  koepels. Ik vind de buitenkant dan ook mooier dan de binnenkant, ondanks de grote hoeveelheid gebrandschilderde ramen.

Tours is een leuke, gezellige stad. We fietsen nog even het centrum in om de oude huisjes te bekijken en een ijsje te eten aan het Place Plumereau. Ja, een ijsje. Het is inmiddels zo warm, dat ik in T-shirt fiets en we zin hebben in ijsjes.

Hiermee zijn we ook aan het einde gekomen van het eerste deel naar Santiago. Een kleine 1200 kilometer vanaf Baflo. Dit boekje kunnen we naar huis sturen.

Wij besluiten niet in Tours te blijven hangen. Als we een tijdje op fietsreis zijn, krijgen we steeds minder behoefte aan steden en meer behoefte aan het platteland. We slaan de camping in Tours over en nemen de volgende in Veigne. Dat blijkt een leuke camping te zijn met een erg grappige eigenaar. We vinden een mooi plekje. Het waait alleen wat hard, maar tegen de avond gaat hij liggen. Nu maar hopen dat het vannacht ook wat minder koud is. Want afgelopen nacht moest ik er wel drie keer uit om te plassen en dat was een bitter koude bedoening.

Het leven is een labyrint.


The first condition of understanding a foreign country is to smell it. – Rudyard Kipling

Dag 015:

Onze gastvrouw Cecile was gisteren heel erg behulpzaam en verzorgend. Maar vanochtend blijft ze liever in bed liggen. Ondanks dat we meerdere keren de trap afklossen, komt er niemand ons uitzwaaien. Maakt ook niet uit, we hebben weer een prima overnachting gehad.

Maar zonder ontbijt dus bij de eerste picknicktafel strijken we neer. Vannacht kletterde de regen omlaag, maar voor nu is het even droog. We smeren een broodje en zetten thee. Hier kunnen we weer een tijdje op vooruit.

Het weer is vandaag weer niet echt om naar huis te schrijven. Het is behoorlijk bewolkt. Af en toe vallen er behoorlijke buien. Die maken vlekken op mijn hagelwit humeur. Regelmatig staan we ergens in een bushok of in een portiek te schuilen. Pas na de middag wordt het echt droog en zien we de zon af en toe. Het zij zo. Ook het fietsen is een behoorlijke inspanning. We zitten weer boven de 700 hoogtemeters en ondanks de magere 64 kilometer komen we pas na vijf uur aan. Toch gaat het fietsen lekker. We gaan gestaag de hellingen op en zijn wel moe aan het einde van de dag, maar niet uitgeput.

Vandaag is er niet zoveel te zien. In het boekje worden wel wat dingen genoemd, maar die hebben meer met de route te maken dan met de bezienswaardigheden. Zelfs de kerken trekken hier geen aandacht meer. We passeren de Seine, en komen in het gebied waar de forenzen uit Parijs wonen. Het is hier dus een stuk drukker met de auto’s dan eerder deze week. We vervelen ons echter niet. Het golvende landschap, de uitgestrekte akkers, her en der een dorp en de kronkelende wegen zijn een lust voor het oog. De dorpen zijn mooi met hun oude huizen. Er zijn weer bankjes en voorzieningen.

We hebben vandaag weer een Airbnb. Er is maar één camping in dit traject en op internet zie ik dat deze gesloten is. Dat is jammer, want ik wil wel weer kamperen. Maar het is ook goed want we hebben een kamer in een prachtig landhuis met heel veel faciliteiten. En we hebben een rond bed. De enige andere keer dat ik in een rond bed lag, was bij Ria. Natuurlijk niet met Ria. Ik lig alleen met Mevr. van der Veeke in bed.

Soms vragen mensen wat er dan zo fijn is aan het fietsen. Zij zien alleen de regen, de wind en het afzien. Maar het fietsen heeft eigenlijk heel veel voordelen.

Als je fietst, dan ben je eigenlijk continu op vakantie, want je hebt geen reistijd. De reistijd is vakantie en de vakantie is reistijd.

Door op de fiets te reizen, zit je echt in het landschap. Je hoort alles, je ruikt alles en je gaat net langzaam genoeg dat je ook alles ziet en ervaart. En dat heb je niet als je in de auto reist. Dan ga je door het landschap.

En ja, je moet heel vaak een berg op. Maar daar staat tegenover dat je net zo vaak een berg af mag. Er gaat niets boven een lange afdaling. Of een steile afdaling waarbij je de berg afsuist. En als bonus krijg je er prachtig gespierde benen van.

Er gebeurt de hele tijd wat. Het landschap verandert, de mensen zijn overal anders. Vaak roepen ze je na met aanmoedigingen. De taal verandert, het eten verandert en zelfs het wegdek is overal anders. Je leert genieten van deze kleine veranderingen en waardeert het als het goed of mooi is. Als het minder goed is, dan kijk je uit naar het moment dat het beter wordt.

Als je fietst, kun je eten wat je wilt. Elke ochtend gebak bij de koffie. Tussen de middag een extra broodje. Elke avond een biertje als je wilt en chips zoveel je op kunt. Het maakt allemaal niet uit, je fietst het er toch wel weer af.

En tenslotte, je slaapt elke nacht als een roos. Het is vaak vroeg naar bed en dan een heerlijke nacht. En ’s ochtends weer op tijd op zodat je weer een prachtige lange dag hebt. Zoveel voordelen van het fietsen, dan je niet snapt waarom iedereen het niet doet. En dan heb ik het nog niet eens over het milieu gehad.

En dan tenslotte het antwoord op de vraag waarom we nú fietsen. Als we te lang wachten dan gaat het allemaal moeilijker, dan krijg je wat lichamelijke ongemakken en voor je het weet val je in slaap op ongemakkelijke momenten.

Dag 016:

We hebben een erg leuke avond gehad met Sylvie en François. Na het eten presenteerden ze een kop koffie en hebben we in een mengeling van Frans en Engels boeiende gesprekken gehad. En zo zijn we veel meer te weten gekomen over het Franse leven. Sowieso is Airbnb erg leuk omdat je bij mensen thuis komt en ziet hoe ze leven. Als we ’s ochtends vertrekken maken we vaak een selfie met onze host. Zonder François, want die moest om vier uur al  aan het werk.

We maken er vandaag een korte dag van. Het is 40 kilometer naar Chartres en daar willen we graag even rondkijken. Met name de kathedraal schijnt de moeite waard te zijn en dan moet ik me maar even over mijn, tijdelijke, aversie van kerken heen zetten. De zon doet zijn best weer en we hebben een landelijke route. Het is ook wat minder klimmen dan de afgelopen dagen, dus de kilometers  gaan moeiteloos voorbij.

Onderweg is vandaag iets meer te zien. Waar we even stil bij staan is het chateau van Maintenon dat langs het riviertje de Eure staat. Dit is opgebouwd uit een oorspronkelijk feodaal kasteel door Madame de Maintenon, oftewel Francoise d’Aubigne. Zij was de maîtresse van Lodewijk XIV, maar uiteindelijk trouwde hij wel met haar. Om het kasteel heen werd een prachtig park aangelegd door de landschapsarchitect le Notre. En ook nu staat het kasteel er nog erg mooi bij. Mocht je er € 8,50 voor over hebben, dan kun je het ook nog bezoeken.

Achter in de tuin en ook daarbuiten zie je de restanten van het aquaduct, ook een leuk verhaal. Het zou 110 kilometer lang worden en moest de tuinen van het chateau van Versailles van water voorzien. Er werd in 1640 aan begonnen en op het hoogtepunt werkten er 30.000 mensen aan, voornamelijk soldaten. Maar na 40 jaar problemen omdat de soldaten naar een oorlog moesten en arbeiders ziek werden en/of gewoon wegliepen, is men ermee gestopt. En dat terwijl het bijna af was. Saillant detail is dat Lodewijk de XIV opdrachtgever was en door zijn eigen vrouw, Madame de Maintenon, aangeklaagd werd omdat het haar uitzicht bedierf.

Ondanks dat ze er alles aan doen om ons tegen te houden, komen we toch rond enen aan in Chartres. Overigens komen we dagelijks meerdere route barree tegen. Meestal doen we of we geen Frans kunnen en fietsen gewoon door. En meestal gaat dit goed.

We hebben een Airbnb in de stad geboekt. Er stond bij dat het zicht had op de kathedraal en dat klopt helemaal. Wat een kolos, zelfs van een afstand.

In 1146 begon Bernardus van Clairvaux (ja, daar is hij weer) een tweede kruistocht vanuit Chartres. Daardoor groeide het uit tot een belangrijke etappeplaats voor pelgrims. Ook kwamen ze omdat de maagd Maria haar hemd in de kathedraal had laten liggen.

De kathedraal is voor het eerst in de 12 eeuw gebouwd en daarna verwoest door Vikingen. Weer opgebouwd, afgebrand en daarna weer opnieuw gebouwd. Nieuw voor die tijd was dat ze een gewelf van 36 meter hoog bouwden. Ze maken stenen luchtbogen die het gewicht van de gewelven overbrachten op de steunberen. Grappig is om te zien dat de metselaar aan de ene kant van de boog er anders over dacht dan de metselaar aan de andere kant van de boog. Ze zijn verschillend gemetseld.

De kathedraal binnenin is zondermeer fraai te noemen. Heel veel glas-in-lood en men is bezig met de restauratie van de beelden. Je kunt duidelijk het verschil zien tussen een schoongemaakt gedeelte en een oorspronkelijk deel.

Ook in deze kathedraal weer een, in de vloer ingelegd, labyrint. Het is 12,5 meter in doorsnee en als je hem helemaal afloopt dan is het ongeveer 300 meter. Normaal staan er stoelen op en hij is alleen op vrijdag te belopen. Er zijn een hoop gekkies die dit doen. Zwaaiend met de armen, dansend, voetje voor voetje, in meditatie of trance, noem maar op.  Het wordt gezien als een symbool van je eigen levensreis. Ik heb er niets mee, maar het is boeiend om naar de mensen te kijken.

Chartres is niet zo groot en we zwerven dan ook nog even door de stad. Naast de kathedraal is er nog de kerk van St. Pierre, maar dat is een beetje een zielige vertoning. Het is duidelijk waar het geld wel en niet heen gaat. De stad heeft een hoop oude straatjes en gebouwen. Ook is er veel vakwerk te zien. We nemen het allemaal in ons op. En ja, het lijkt alsof we alleen zijn op de foto’s. Dat komt omdat we (nog) buiten het seizoen zijn er er nog weinig toeristen (zoals wij) zijn.

Tegen een uur of vijf begint het te regenen. Voor ons het sein om de kroeg in te gaan om de indrukken van Chartres te evalueren. Zes maanden per jaar zijn veel belangrijke gebouwen verlicht in Chartres. Maar dat begint pas na tienen en dat kunnen we niet opbrengen. Ons fietslijf moet dan uitrusten. Daarnaast nodigen de regenbuien ook niet uit. We vinden dit niet erg want nu hebben we nog een goede reden om terug te komen.

Overdosis kerken

Travel makes one modest. You see what a tiny place you occupy in the world. – Gustave Flaubert

Dag 012:

Gelukkig deed de verwarming het niet op onze kamer, dus als we buiten komen, zijn we al helemaal gewend aan de temperatuur van 4 graden. Ik vertrek weer in driekwart broek maart na een paar kilometer staat de rijp op mijn kuiten. Nu heb ik een lange hardloopbroek bij me , speciaal meegenomen voor als het koud is. Maar op de een of andere manier blijft hij toch steeds in de tas. Het is een beetje als met plassen ’s nachts. Je blijft maar liggen en liggen en uiteindelijk ga je 10 minuten voor je eruit moet. Je had beter meteen kunnen gaan. Maar beter ten halve gekeerd dan ten hele gedwaald, dus voor het gemeentehuis in Bantouzelle sta ik in mijn onderbroek te wisselen. Goede keus, want daarna is het minder koud.

Honnecourt-sur-Escaut is de geboorteplaats van Villard de Honnecourt, één van de grotere middeleeuwse Franse architecten. Hij is ook een soort van lokale Leonardo-da-Vinci geweest. Voor de kerk staat een reproductie van zijn zaagmachine op water. Ik zie niet hoe dit ooit heeft kunnen werken, maar dat heb ik ook bij sommige werktuigen van Leonardo.

Verkeerd rijden op deze route is schier onmogelijk. Je wordt onderweg overvoerd met schelpen, pijlen en andere richtingsaanduidingen. Het verwarrende is wel dat sommige voor de wandelaars zijn en sommige voor de fietsers. Het helpt je wel steeds herinneren waar we mee bezig zijn.

De route is vrij landelijk vandaag. Voor Saint-Quentin is hij nog wel oké. De wegen zijn rustig en de koolzaadvelden staan in bloei. Her en der komen we nog een (gesloten) kerkje tegen.

We komen ook langs de bron van de Schelde. Nu zitten we al dagen langs de l’ Escaut, maar het duurde even bij mij voor het kwartje viel dat dit de Franse naam voor de Schelde is. In elk geval komen we langs de bron van deze rivier. Vanaf dit punt meandert hij in 360 kilometer langs 120 dorpjes in Frankrijk België en Nederland. Bijzonder dat zo’n waterput uiteindelijk uitmondt in een rivier van 5000 meter breed bij Vlissingen.

Via een jaagpad komen we in Saint Quentin. Ik ken deze naam alleen van het legendarische optreden van Johnny Cash in de gelijknamige gevangenis in Amerika, waar hij een van zijn hits ‘A boy named Sue’ heeft opgenomen. Maar het ligt hier al sinds de tweede eeuw. Eerst onder de Romeinse naam Augusta Viromanduorum maar later vernoemd naar de prediker uit Picardië, Quintines die in de derde eeuw onthoofd werd en zijn lichaam werd in het moeras gegooid. Heel normaal voor die tijd, toch? Maar wacht, nu wordt het interessant. Zijn lichaam wordt gevonden door een blinde vrouw (ze zal er wel over gestruikeld zijn) en daarna kon ze weer zien!

De route loopt langs de stad maar wij klimmen wel even naar het centrum om het flamboyante gotische stadhuis uit 1500 te bekijken en de gotische basiliek. De laatste is wat vervallen. Er ligt stof van eeuwen, vele beelden zijn nog gemutileerd door de Franse revolutie en er is wat achterstallig onderhoud. Toch is het een mooi gebouw waar genoeg te zien is. We vinden zowaar St. Jacobus ook in een van de erkers terug. In het schip van de basiliek van Saint-Quentin zijn, achter de kerkbanken, de vloertegels in de vorm van een labyrint gelegd. In vroeger tijden legden de kerkgangers deze 260 meter op hun knieën af.

In Saint Quentin hebben we trouwens een uitstekende maaltijd in een prachtig restaurant. Vooral het glas in lood plafond maakt indruk op me. We eten hier omdat we vanavond weer in een Airbnb zitten. Er is geen camping en ook geen restaurant.

De laatste dertig kilometer loopt eerst nog een tijd over het jaagpad langs het Canal de St. Quentin. Al snel komen we op drukkere en minder drukke D-wegen. Niet bijster interessant, zeker niet omdat de beloofde noordwesten wind een zuidwesten wind blijkt te zijn, en dus tegen.

Tegen kwart voor zes staat Annie ons al op te wachten in de Airbnb. Het is een adequate kamer maar wederom geen werkende kachel. Jacobus stelt ons telkens weer op de proef. In elk geval zitten we droog en warmer dan buiten. Want de voorspelling is vorst voor vannacht.

Dag 013:

Na een uitstekende nacht hebben we eerst Noyan op de agenda staan. Het belooft vandaag een mooie dag te worden en dan ziet alles er meteen anders uit.

De plaats bestond al in de eerste eeuw en in de zesde eeuw werd het een van de hoofdsteden van het Frankische rijk. Dat verklaart ook waarom er zo’n belachelijk grote kathedraal staat. Hierin werd Karel de Grote in de 9e eeuw gekroond. De kathedraal wordt gezien als een stilistisch meesterwerk uit de overgangsperiode van romaans naar gotisch. Wij nemen er natuurlijk een kijkje. Onderhand hebben we al de nodige kerken en kathedralen gezien dus we worden wat blasé. Maar de sint van de smid trekt toch even mijn aandacht.

Achter de kathedraal staat de kapittelbibliotheek uit 1502 die deels rust op houten spanten. Ik vraag me af hoe lang ze het nog uithouden.

Bij de kerk was niets te doen en als we naar het centrum gaan, is het wel duidelijk waarom. Er is markt. Van alles wordt verkocht en sommige delen lijken wel een Berbermarkt. Er staan allerlei mensen die hun waar aankondigen en het werkt als een magneet op Mevr. van der Veeke. Met moeite kan ik haar redden uit deze poel van verderfs.

In Ourscamp staat wederom een priorij, gesticht door St. Bernardus. Wij hebben het wel even gehad met al het kerkelijke gebeuren, dus we wippen alleen even naar binnen voor een stempel.

Via het Foret de Laigue gaan we richting Compiègne. Na al die D-wegen is het heerlijk rustig in het bos waar je eindelijk de vogels kunt horen fluiten. Via Gert krijg ik nog een interessant feitje te weten:

Op de spoorlijn door het bos bij Compiègne is eerste wereldoorlog officieel beëindigd. In spoorwagon nummer 2419 D hebben de Duitsers op 11-11-1918 een wapenstilstand getekend. Sindsdien is de elfde van de elfde in België en Frankrijk een nationale feestdag. Op 24-06-1940 liet Hitler hetzelfde rijtuig op dezelfde plaats neerzetten om daar persoonlijk de Fransen op te wachten voor het tekenen van hun capitulatie. Wereldgeschiedenis dus.

Compèigne heeft een lange historie met Romeinse wortels. Koningen jaagden graag in de aanpalende bossen en de stad vormde zich in de 9e eeuw rondom een kasteel en een abdij. Ook Jeanne d ‘Arc heeft hier de nodige meters gemaakt. Sinds ik Game of Thrones kijk, heb ik een goed beeld van Jeanne. In de serie heet ze Brienne of Tarth. In elk geval kwam ze te hulp toen de stad werd belegerd. En als beloning werd ze voor 10.000 pond verkocht aan de Engelsen en we weten allemaal waar ze eindigde. Laten we hopen dat Brienne dit lot niet ten deel valt.

Ook werden hier in 1360 hier de eerste Franse Francs geslagen om Koning Jean II vrij te kopen van de Engelsen. Klopt me wat vreemd in de oren om je eigen monopolygeld te maken maar voor de Engelsen was dit geen probleem. De Franc werd overigens pas in 1795 de officiële munteenheid (als opvolger van de livre).

Wij zijn onder de indruk van het stadhuis die, volgens het boekje, een goed voorbeeld van de ontwikkeling van gotiek naar renaissance toont. En we gaan kijk bij de Eglise St. Jacques uit de 13e-14e eeuw. De naam is het enige wat we van onze beschermheer zien. In de kerk is het overbevolkt met andere heiligen, Jeanne d’Arc en ik vind een nisje dat uitpuilt van de relikwieën. Er liggen genoeg schedels, botten en andere lichaamsdelen om het volledige laatste avondmaal te bevolken.

De laatste 30 kilometer meanderen we door de velden richting Nointel. De klimmetjes worden hier wat langer en steiler, maar zijn nog steeds goed te doen. Er was hier wederom geen camping dus ik heb nu via Airbnb een heel huisje kunnen huren. En Christine, de verhuurster heeft beloofd de kachel lekker op te stoken voor als we komen. En dat doet ze. Heerlijk zoveel ruimte, luxe en warmte.

Dag 014:

Alles is in evenwicht. Hadden we gisteren een mooie, zonnige dag, vandaag hebben we een onstuimige dag met wisselbaden. We kunnen gelukkig nog vertrekken zonder regenbroek en gaan eerst even bij Clermont aan. Op zich hebben we het wel even gehad met de kerken, maar we gaan toch even in de Samsonkerk kijken. Dat we daarvoor naar het hoogste punt moeten klimmen, nemen we voor lief.

We komen speciaal voor de gebrandschilderde ramen en ze zijn prachtig. Alsof je naar een middeleeuws stripboek zit te kijken. Een ervan laat St. Jacob en de Jacobsladder zien. Een andere laat de boom van Jesse zien.

Als we de kerk uitkomen kan de regenbroek aan. En voorlopig hoeft hij ook niet uit. Een tijdje valt het wel mee, maar op een gegeven moment schuilen we toch even onder een paar bomen op een verlaten weggetje. Maar hoe lang moet je daar dan blijven staan? Wanneer houdt het op? Wij houden het vol totdat de bladeren boven ons ook verzadigd zijn en het onder de bomen natter wordt dan erbuiten.

Maar wij zijn niet de enige die last hebben van regen. In allerlei dorpen is er wat te doen omdat het een feestdag is. En dat verregend ook compleet. We zien mensen bij verlopen marktjes staan en bij sommige is het ook gewoon afgelast.

Naast de marktjes vinden we het opvallend stil op straat. En ook de meeste winkels zijn gesloten. Van de dorpsgek in Clermont had ik al vernomen; het is vandaag een feestdag. Voor ons is het even puzzelen maar 8 mei in Frankrijk is hetzelfde als de 5e mei bij ons. Hier heet het de Féte de la Victorie Alles is dan gesloten en bij de oorlogsmonumenten worden kransen gelegd.

Wij zijn inmiddels flink verregend en snakken naar een bakkie koffie. In Mouy vinden we een bar-tabac die wel open is. Inmiddels weten we dat het altijd gezellig is in zo’n bar. Mensen die binnen komen geven vaak iedereen (dus ook ons) een hand en er zijn altijd mensen geïnteresseerd in onze reis. Ik heb een boekje met daarop de hele route en die gaat de hele kroeg rond waarbij we allerlei loftuitingen en bewonderende blikken krijgen.

Na het uitdelen van de handtekeningen moeten we toch verder. Het weer begint inmiddels een beetje op te klaren. Op de Europese buienradar zie ik dat het om een grote storing boven Frankrijk gaat, maar dat wij redelijk aan de rand zitten.

Meru heeft een historie in parelmoer, ivoor en been. Hiervan werden knoopjes, dobbelstenen en dominostenen gemaakt. Er is een museum over deze industrie, de la nacre et de la Tabletterie, en we willen daar graag kijken. Maar we moeten drie kwartier wachten voor een rondleiding van een uur en dat vinden we wat te lang. Daarom kijken we alleen even rond in de expositieruimte.

Het gaat vandaag flink op en neer (de hoogtemeters kun je hier zien) dus we zijn al best moe. In Henonville rusten we even, in het zonnetje, uit. Het symmetrische chateau geeft ons een mooi plaatje om naar te kijken.

Vanaf hier rijden we door de velden naar Marines. Het valt me op dat het landschap zoveel mooier is onder blauwe hemel met zon, dan een grijs wolkendek. Het wordt zelfs nog een beetje warm met een temperatuur in de dubbele cijfers.

In Marines heb ik wat geboekt via booking.com. Het blijkt bij een gezin thuis te zijn. Cecile doet alle moeite om het ons naar de zin te maken. Ze stuurt zelfs haar man op pad om een biertje te halen en we krijgen zelf gebakken koekjes gepresenteerd. Heerlijk om zo verwend te worden.

Waterleed en zegeningen

Dag 009:

It always rains on tents. Rainstorms will travel thousands of miles, against prevailing winds for the opportunity to rain on a tent. ~ Dave Barry

Het was werkelijk een godsgeschenk om in de hostel te zitten. Zoveel ruimte, warmte, stroom en eigen douche en toilet. We kunnen er weer helemaal tegen.

We merken dat het meer begint te heuvelen. In Geraardsbergen is er dan ook ‘de Muur’, een heuvel van 110 meter hoog die berucht is bij de wielrenners. Wij doen hem niet helemaal, maar we fietsen wel even omhoog naar het dorsplein om te kijken want het is best wel een mooi dorpje. En als we er toch zijn, dan nemen we even de plaatselijke lekkernij, ‘Mattentaart’ mee. Deze gaat terug tot de middeleeuwen (wij kopen wel een verse) en is gebaseerd op gestremde melk. Bij de koffie smaakt hij heerlijk. Een soort van zoete cake.

Zo langzaamaan overschrijden we de taalgrens. De afgelopen dagen was het al wisselen tussen het Vlaams en het Frans, maar hier is het enkel Frans. Vind ik op zich erg jammer want ik houd van de Vlaamse spraak. Als je woorden als kuisen, plezant en een tas koffie in je taal hebt, dan heb je bij mij een streepje voor. En zoals de dames het hier uitspreken, daar krijg ik helemaal een warm gevoel van. Mocht ik ooit in de hemel komen, dan spreekt elke vrouw daar als Geike Arneart. En je kunt wel raden welke stem Siri heeft bij mij. In elk geval is het vanaf hier bonjour, als we mensen tegen komen.

We blijven het jaagpad langs de Dender volgen tot Lessines. Hier moeten we voor het eerst op de pedalen om bij de rivier vandaan te komen. Iets wat ik van België wat minder kan waarderen is dat de meeste dorpen nog vol liggen met kinderkopjes. Het ziet er mooi authentiek uit maar bij de fietsers rammelen de vullingen uit de kiezen. We fietsen hier dan ook veel op de stoep.

Na Lessines volgen we een route door het binnenland. Het is afgelopen met de mooie fietspaden en het worden rustige kleine weggetjes. Alhoewel er soms ook een spannend weggetje tussen zit.

Zo naderen we Tournai (of Doornik in het Vlaams). Inmiddels komen we steeds meer fietsende pelgrims tegen. Uit Nederland maar ook uit Vlaanderen. Vaak maken we onderweg even een praatje. We zullen ze vaker tegenkomen de komende weken. Onderweg zien we steeds tekenen dat we op de goede weg zitten.

Volgens de schrijver van het routeboekje is Tournai een stad om een dagje te blijven. Nu ben ik er geweest en ik zou er nog niet dood gevonden willen worden. Ik dacht dat we het vanaf de slechte kant naderden, met veel industrie, maar als we Tournai verlaten dan zien we dat het erger kan. Daarnaast staat het verkeer volledig vast in  de stad en als het rijdt, dan is het een hels kabaal door de kinderkopjes of betonplaten. En de stad ondergaat net een open-hart operatie. Het enige positieve dat ik kan melden dat de kathedraal er mooi uitziet. Tenminste voor het deel dat schoongemaakt is. Maar goed, hij staat ook in de steigers (kerken zijn bij ons dicht of staan in de steigers).

Vanuit Tournai fietsen we een stukje langs de Schelde. Bij Antoing zien we het kasteel van de prinsen van Ligne liggen. Vanuit het torentje moet je een mooi uitzicht hebben.

Vlak voor Rumegies steken we de grens over naar Frankrijk. Er staan geen borden maar ik zie het op de GPS. En een beeld van de grenswachter is een kleine hint.

We kiezen voor een kleine camping in Rumegies. Als we aankomen kunnen we net de tent opzetten voor het behoorlijk begint te regenen. We zijn weer de enige kampeerder en dat heeft als voordeel dat we lekker droog op de veranda van naastgelegen bungalow kunnen zitten. En tegen de tijd dat we koken en eten is het zonnetje weer in zicht.

Iets later op de avond komt er nog een camper. Op een lege camping kiest hij ervoor om deze een halve meter voor onze tent te parkeren. Na wat discussie, in het Frans, begrijp ik dat hij al drie dagen op deze plek staat. Maar gelukkig is hij niet te beroerd om een plekje verder te gaan staan.

Dag 010:

Ik snap dat een pelgrim moet lijden. Maar, zoals Gert ook al terecht opmerkte, soms mag het wel ietsje minder. Vannacht was het twee graden. En mijn voeten voelde als de voeten van Ötzi na 100 jaar. En nu zou je zeggen dat ik dan een paar sokken moet aantrekken maar zo werkt het brein ’s nachts niet. Daarnaast gingen vannacht de hemelsluizen open. En  nu is het goed om het nieuwe tentje eens te testen onder natte omstandigheden maar dit waren hoeveelheden waar Noach jaloers op zou zijn.

Genoeg voor het mopperstraatje. Als ik naar mijn zegeningen kijk dan zijn dat er vele. Het bleef droog in de tent. Het is een uitstekende manier om bruin vet te kweken. We hebben een afdak waar we droog onder kunnen ontbijten. Als we de tent inpakken regent het even niet. En ik doe nieuwe ervaringen op want dit is voor het eerst dat ik bij 5 graden Celsius buiten ontbijt.

Het is onstuimig weer als ik op de buienradar kijk. Wij zitten bij het blokje maar uiteindelijk valt het mee.  Het ene moment schijnt de zon als een dolle, het andere moment hagelt het. Gelukkig hebben we vandaag wind mee en tijdens de enige echte bui die we hebben, kunnen we even schuilen in een bushok. We vertrekken in elk geval in vol (regen) ornaat inclusief handschoenen. Zo’n regenbroek is ook nog lekker warm.

Omdat het zo koud is, willen we graag een koffie binnen drinken. Maar dat valt hier nog niet mee. Veel dorpen zijn leeggelopen en er is geen middenstand meer. In Hornaing vinden we een bar annex tabac annex gokkantoor waar het lukt. Maar daarvoor moeten we wel eerst door een demonstratie om het plaatselijke postkantoor te behoeden voor sluiting. De protesten vallen even stil als we langs komen

In de bar is het een komen en gaan van mensen. Sommigen komen voor een bier/wijn (het is nog geen 11 uur), maar de meeste komen om te gokken.

De route leidt ons langs rustige weggetjes en met een duwtje in de rug komen we 10 kilometer verder in Mastaing. Het is na twaalven en op de buienradar zie ik een schip met zure appelen aankomen. We hebben weer een gelukje. Er staat een grote overkapping met stoelen en tafels waar we een boterhammetje kunnen maken. De verwachte bui blijft overigens uit.

Cambrai was een Romeins provinciehoofdstad aan de weg tussen Boulogne en Straatsburg. Het heeft eeuwenlang onderdak geboden aan pelgrims. Wij nemen een kijkje in de kathedraal waar verder niets te doen is. Ook het 70 meter hoge belfort is een plaatje waard. Waar ze in Cambrai minder goed in zijn, is het weren van het blik uit het centrum. Overal staan auto’s en overal rijden auto’s. Je kunt zeggen wat je wilt van het Groninger circulatieplan, maar het centrum is er een stuk prettiger van geworden.

Onder dreigende luchten met af en toe een druppel fietsen we verder. Het is nog steeds niet boven de 6 graden gekomen. Het landschap is glooiend. Dat betekent dat we gemakkelijke klimmetjes hebben en dat de afdalingen eindeloos lijken te duren.

Toen ik gisteravond lag te rillen in de tent heb ik een Airbnb opgezocht en gevonden. Vlak langs de route in les Rues-des-Vignes ligt een belachelijk goedkoop adres. We hebben daar een ruime kamer en een gedeelde badkamer. De ontvangst door Catherine is prettig. Ze begrijpt wat mannen willen want ze biedt me meteen een biertje aan in plaats van thee. Vannacht liggen we warm en vanavond gaan we uit eten in een authentiek Frans restaurant. Het is hier zo fijn, dat we er morgen maar meteen een rustdag aan koppelen.

Dag 011:

Vandaag is de fiets niet uit de stal geweest. We hebben lekker uitgeslapen en een goed ontbijt van Catherine gehad. Daarna wat gelezen en een rondje door het dorp gemaakt.

Les Rues-des-Vignes lag ooit op een kruispunt tussen drie Gallische stammen. Daarna in het grensgebied tussen verschillende Franse koningen.  En in 717 vond hier een bloedige veldslag plaats tussen koning Chilperic en Charles le Batard. Van dat alles is nu niets meer te merken in dit slaperige dorpje. Eigenlijk zijn hier maar twee dingen te doen: We kunnen naar  klein archeologisch parkje iets verderop en we kunnen naar de abdij van Vaucelles, een paar kilometer verderop. We besluiten beide te doen.

Als we het archeologisch museum binnenkomen hangen er wat mensen verveeld aan een tafel. Het museum blijkt nog niet open te zijn. Niet omdat het nog geen tijd is, maar omdat de directeur nog niet gearriveerd is. Op de vraag of we dan alvast even rond mogen kijken, volgt een ‘Non!’. Dat was het museum voor ons.

De abdij is een stukje wandelen en dat vinden we niet erg. Onderweg komen we nog een Romaans torentje (Echauguette) tegen. Het maakte deel uit van een vestigmuur van 9 kilometer lang die in de 12e eeuw was opgetrokken. Hij staat hier mooi in het landschap.

De abdij van Vaucelles (1132) is de 11e van 116 kloosters die gesticht zijn door St. Bernard. Hij verrichte hier een wonder door een lamme soldaat weer te laten lopen (1147). In 1261 schonk de koning van Frankrijk een relikwie; een doorn uit de kroon van Christus (yeah, right…). Het heeft tijden van voorspoed gekend maar ook wat mindere tijden. Zoals het bij veel van dit soort gebouwen gaat, worden de stenen vaak geroofd voor de bouw van schuurtjes. Uiteindelijk is het deels gerestaureerd en is het weer toegankelijk voor bezoekers.  Het bevat de grootste cisterciënzer kapittelzaal van Europa. Bewaard is gebleven; het monnikenvertrek, het auditorium (alleen hier mocht gepraat worden), de kloosterzaal en de kapel. Ook kunnen we door de tuinen lopen.

Daarna lopen we door de velden terug naar het dorp.
We mogen de keuken van Catherine gebruiken om een maaltijd te koken en we eten samen met haar en haar man. Het zijn erg aardige en gastvrije mensen. Het is even lastig converseren in het Frans, maar we komen er wel uit. En we leren steeds meer woorden Frans.
Het weerbericht komt langs op tv. Helaas nog geen dubbele cijfers bij de temperaturen maar het zal in elk geval droog zijn. Morgen maar weer warm fietsen.

Spoorlijnen en jaagpaden

A traveler without observation is a bird without wings.

Dag 006:

De lucht is stemmig grijs als we opstaan. Het voordeel hiervan, en een beetje wind, is dat de tent droog ingepakt kan worden. We gaan eerst naar Breda. Weer zo’n stad waar ik niet vaak genoeg ben geweest. De dames willen graag even naar het Gasthuis met zijn binnenhofje. Wij mogen er wel in maar de fietsen zijn niet welkom. Toch is het een mooi plekje.

Op de markt gaan we naar de Onze-Lieve-Vrouwe-Kerk. Eindelijk een kerk die open is en het is nog gratis ook. Bij de balie kunnen we een stempel krijgen en er zijn genoeg tekenen van St Jacobus. Op de kerkbanken zijn allerlei figuren uitgesneden waaronder de pelgrim. En de stempelman wijst op een niet te vinden plaatje in het plafond waar St. Jacobus op staat.Ook liggen hier de hertogen van Nassau. Als je dan een rijke stinkerd bent, dan wil je dat ook laten weten.

Meanderend door de velden en de bossen trekken we naar het zuiden. We hebben een klein windje in de rug maar geen zon vandaag. In Galder gaan we nog even bij de St. Jacobskapel langs. Ook deze is weer gesloten. En dan vragen ze zich af waarom het kerkbezoek afneemt. De mensen kunnen er gewoon niet in.

Iets na Galder gaan we de grens met België over. Tijd voor de dagelijkse selfie.

De rest van de dag verloopt zonder bijzonderheden. We fietsen door veel groen en af en toe een dorpje. We zien aan de huizen en het gebrek aan planologie dat we in België zijn. Ook beginnen we de routestickers tegen te komen zodat we weten dat we nog op de goede weg zijn. Bij de lunch komen we de eerste mede-pelgrims tegen. Ook onderweg naar Santiago op de fiets.

Maar het meeste plezier beleven we bij het mopperstraatje waar we allemaal onze grieven even kwijt kunnen.

Bij Viersel zoeken we de camping op. Eigenlijk zou camping de Waterschap niet de naam camping mogen hebben. Het is meer een verlopen caravanpark met een klein veldje voor tenten. Het sanitair is van vóór de (eerst of tweede) oorlog en douchen kost een euro per minuut. We zitten langs een snelweg, er loopt een spoor, er is een kanaal met zwaar scheepvaartverkeer en er komt af en toe een vliegtuig laag over. Maar goed, een echte pelgrim neemt het zoals het komt en het is maar voor één nacht, dus we redden ons wel.

Dag 007:

Het was weer een ontzettend koude nacht maar als we opstaan dreigt het mooi weer te worden. Na een kleine traumatische ervaring waarbij Mevr. van der Veeke me opsluit in de wc’s, gaan we op pad. Je vraagt je af waarom ze zoiets doet, maar dat is waarschijnlijk omdat ik haar uitgelachen heb voor haar nep-crocs met bontjasjes.

We fietsen eerst, langs het Netekanaal, naar Lier en daar is voldoende te doen.

Het is een prachtig stadje, dat uitzonderlijk goed bewaard is gebleven. We vergapen ons aan de prachtige oude (vakwerk)huizen die rijkelijk versierd zijn aan de grote markt. Er is een rococo stadhuis en een Jacobskapel, waar we weer een stempel halen.

Maar het mooiste vind ik de Zimmertoren. Aan de buitenkant zit de Jubelklok met 13 wijzerplaten. Binnen zijn er vervolgens nog 57 andere wijzerplaten, en in het huisje ernaast is een wonderklok met 93 wijzerplaten. Het is niet open (want het is 1 mei, dag van de arbeid en bijna alles is gesloten) maar ik kan met niet voorstellen wat je op 93 wijzerplaten wilt laten zien. In elk geval is de klok van buiten prachtig.

Ook kijken we nog even bij het Begijnhof uit de dertiende eeuw. Dit zijn een aantal straatjes die als Unesco werelderfgoed bestempeld zijn. Het is erg authentiek. Maar je zou het ook wat vervallen kunnen noemen.Ooit trouwden Philip de Schone en Johanna de Waanzinnige (goede naamkeus…) hier en brachten er de nacht door.

Na Lier blijven we het kanaal volgen. Langs Duffel en dan naar Mechelen. Ook weer zo’n ondergewaardeerde stad. We kennen allemaal Gent en Brugge wel, maar Lier en Mechelen zijn minstens zo interessant.
Mechelen wordt gedomineerd door kerken en met name de St. Romboutskathedraal uit 1450. Een spits van 167 meter hoog en maar liefst twee carillons die zich de hele tijd niet onbetuigd laten. Hij is zowaar open en binnenin is genoeg te zien.

Dat kunnen we niet zeggen van de St. Jans kerk en de Onze-Lieve-Vrouwe-Over-de-Dijle-kerk. Beide schijnen een werk van Rubens te bevatten en beide zijn dicht. Maar goed, de rest van het stadje maakt een hoop goed.

We nemen wel afscheid van Loes, die weer richting huis moet. Ik zal haar gekwebbel achter me missen. Ze weet een hoop te vertellen vanuit haar achtergrond als gids. En ze is gewoon gezellig om erbij te hebben.

Wij besluiten er een korte(re) dag van te maken en zoeken bij Londerzeel de camping op. Het blijkt een groot huisjespark rond een plas te zijn. Maar ze hebben ook nog wel een plekje voor onze tent. En het is geen straf om vroeg te stoppen, als de zon schijnt.

Dag 008:

Alweer een koude nacht. Als ik op de thermometer kijk, dan is het zes graden in de tent. Het is de limiet van de slaapzakken. Als het kouder wordt, moet ik meer kleren aan gaan doen. Gelukkig schijnt ‘s ochtends de zon even zodat we wat op kunnen warmen. Er is geen ontbijt want de winkels waren gisteren dicht. Dat kopen we in Londerzeel en op een bankje bij Steenhuffel werken we dat naar binnen. Geen verkeerde plek want we hebben uitzicht op kasteel Diepenheim en achter ons staan de Palm bierbrouwerijen. De route was gisteren wat ‘rommelig’. Geen mooie weggetjes en veel industrie. Vandaag wordt dat ruimschoots goedgemaakt.

Van Londerzeel naar Aalst zitten we op de ‘Leirekensroute’. Het is een fietspad dat is aangelegd op de voormalige spoorweg om Antwerpen te verbinden met Noord-Frankrijk voor het goederenvervoer. De lijn is niet het succes geworden dat men verwachtte en het werd al snel personenvervoer. Uiteindelijk is hij in 1976 opgedoekt en daarom hebben wij nu een mooi fietspad. De naam komt overigens van een van de eerste machinisten dus je hoeft niet bekend te zijn om herdacht te worden.

Vlak voor Opwijk hebben we even een positieve opsteker. Vanaf hier is het nog maar 2000 km naar Santiago. We zijn er dus al bijna…

De route gaat eigenlijk om Aalst heen. Daar is weer een mooi marktplein met nog mooiere geveltjes maar we willen het deze keer wel overslaan om de stad in te rijden. Het is inmiddels begonnen met regenen en we willen verder. Maar de Grote St. Maartenskerk trekt toch te hard aan de aandacht. Daar hangt (weer) een doek van Rubens en er is een doek waarop St. Jacobus als ‘de Morendoder’ is weergegeven. Het is maar 700 meter omfietsen. We gaan dus toch even kijken.

Vanaf Aalst volgen we het jaagpad langs de Dender. Het is wel even zoeken om erop te komen maar daarna is het een prachtig pad, ondanks de regen. Hierlangs slingeren we naar het zuiden via Denderleeuw, Liederke, en Ninove.

Mijn vader zei altijd dat ik moest studeren, anders eindig ik in de goot. Maar ook met studie kun je als clochard onder een spoorbrug eindigen. Het is lastig om een droog plekje voor de lunch te vinden dus we eindigen inderdaad onder een spoorbrug. Toch is het een prima plekje.

In Ninove doen we boodschappen. Het is een voormalig textielstadje wat toepasselijk is. De regenjas van Mevr. van der Veeke is gescheurd en we komen langs een naai-atelier. Daar wordt de jas gerepareerd en de (Estlandse) naaister wil niets weten van betaling als ze hoort dat we helemaal naar Santiago fietsen. We krijgen zelf beide nog een chocolade truffel mee om aan te sterken. Overigens zijn veel mensen onderweg in voor een praatje. Ze informeren en wensen ons goede reis.

Ninove heeft ook een eigen brouwerij (Slaghmuylder) en natuurlijk haal ik daar een paar biertjes van.

Daarna gaan we door naar ‘t Schipke. We willen wel weer eens een gewoon bed en wat comfort. Nu kun je daarvoor een hotel of een B&B nemen, maar wij vinden hostels erg leuk. ‘t Schipke is een oud schippershuis voor de schippers van de Dender. Omdat het buiten het seizoen is hebben we een vijf-persoonskamer met eigen douche en toilet. Er is wifi, we kunnen de spullen opladen, we mogen gebruik maken van de keuken en we kunnen de fietsen droog stallen en de tent drogen. En de meneer van de receptie is ook nog zo aardig om een wasje te draaien. Wat wil je nog meer. Hostels rule!

Het is weer een relatief korte dag, maar na acht dagen fietsen begint het lijf wat te protesteren. We hebben een rustdag nodig. En dan hebben we een leuke camping nodig, maar vooral wat warmer weer.

Noot: In deze luxe omstandigheden had ik ook de tijd om alle administratie bij te werken. Het kaartje en de tabel is dus helemaal bij

De eerste pelgrim-meters

Dag 004:

We zijn bij Liedeke en Martijn zo goed verzorgd, dat alles weer opgeladen is. Niet alleen wij, maar ook de apparaten. En en-passant is er ook nog een wasje gedaan. De wind is wat gaan liggen en het ziet er zowaar wat zonnig uit. Desalniettemin gaat toch de regenbroek achterop. Achteraf blijkt dat die daar de hele dag kan blijven zitten.

We moeten naar Haarlem dus we steken horizontaal over. Eerst veel door het waterland waar we verschillende pontjes hebben. Altijd leuk. Maar de pont over het Amsterdam-Rijn kanaal missen we net. En eigenlijk is dat een bonus want dan kunnen we nog net even een bakje doen.

Om half een komen we in Haarlem aan bij het St. Jacobs Godshuis en daar staat een hele delegatie op ons te wachten. Tonnie Hodes is een vriend van vroeger die er lucht van kreeg dat we op stap gaan. Hij neemt de moeite om ons even te komen uitzwaaien. Daarnaast is Loes er. Loes is een fietsvriendin van eerdere vakanties. Ze heeft een weekje vrij en gaat een stukje met ons mee. Ook is Kees er. Kees is van het genootschap van St. Jacobus en gaat ons de stempel geven.

Van links naar rechts: Saskia, Tonnie Hodes, Kees en Loes

En er zijn nog heel veel oranje tompouces. Allemaal van gisteren over en ik tik er minstens vier weg. Daardoor voel ik me wel de rest van de dag een beetje wee op de maag. En natuurlijk mogen we St. Jacobus niet vergeten. Hij is er natuurlijk om elke pelgrim uit te zwaaien.

Na de koffie, tompouces en nog meer tompouces wordt er eerst gedaan waar we voor komen. De stempel wordt gezet.

Het St. Jacobs Godshuis staat er al enkele eeuwen. Ooit was het een opvang voor noodlijdende reizigers. Tijdens de reformatie heeft het veel te lijden gehad van de vernielingen. Maar uiteindelijk is het er toch weer bovenop gekomen en werden hier de  (vaak oudere) armen en wezen opgevangen. In 1966 is deze zorg door de gemeente overgenomen en nu is het een plek voor sociale projecten. Én de startplaats voor de pelgrims van Santiago. Kees geeft ons een korte rondleiding door het gebouw waarbij we ook even in de kapel mogen kijken.

Grappig detail zijn de gebrandschilderde ramen. Ik denk dan altijd dat die eeuwen geleden gemaakt zijn, maar als je hier goed kijkt, dan zie je in het raam van Jacobus, bovenin de rechterhoek, een aantal Messerschmids vliegen. Dit raam is na de tweede wereldoorlog gemaakt.

Daarnaast zie je in en om het gebouw overal gedenktekens aan St. Jacob. Vaak is de schelp prominent aanwezig.

IMG_0434-W585

Uiteindelijk stellen wij ons bij de startstreep op voor vertrek. We bedanken Kees en gaan op pad.

Vanuit Haarlem fietsen we zuidwaarts. Een groot stuk langs de Leidse vaart. Buiten Haarlem komen we in de bollenstreek. Langs de weg staan rijen campers. Voor ons op de weg slingeren Chinezen, die op hun gehuurde fietsje op weg zijn naar de bollen. En allemaal om ertussen te staan en een selfie te maken. Als ik het goed begrijp van Loes hebben de bollentelers hier veel schade van.

Wij gaan door naar Leiden. Een prachtige stad met veel historie en cultuur. We gaan er graag nog een dag heen om alles op te nemen. Maar niet nu. We zijn moe, hebben honger (ik heb tenslotte alleen nog maar tompouces gehad) en willen naar de camping om de laatste zon mee te pakken. Het is een mooie rustige camping waar we fijn gebruik kunnen maken van een picknicktafel. Maar niet te lang want het is een heldere avond en wordt al snel te koud om buiten te zitten.

Dag 005:

We staan op met een stralend blauwe hemel. Ondanks dat het vannacht knap koud was, warmt het nu snel op in de zon. We ontbijten lang en zijn pas tegen tienen op pad. De route loopt door het drukke westen maar de routemaker weet toch de mooiste paadjes te vinden. Ik verbaas me erover dat je in zo’n stedelijk gebied toch nog zoveel groen kunt vinden.

Een aantal van de grote steden kunnen we mijden, maar soms moet je er gewoon doorheen. dat geeft niet want ik ben altijd geboeid door de bouwstijlen en planologische uitvoeringen in de verschillende delen van het land. En de dames achter mij babbelen lustig over de verschillende stijlen en architecturen.
We fietsen een tijdje langs de Rotte. Ik heb nooit geweten dat de naam Rotterdam hierdoor bepaald is; een dam in de Rotte. De eerste heeft de laatste allang overvleugeld in grootte. Op een mooi plekje doen we de lunch. Van het eten van gisteren is nog een kippenpoot over en dat is smullen.

Bij Ouderkerk aan de IJssel worden we overgezet door een van de oudste veerverbindingen van Nederland. Hij vaart al sinds 1618. Gelukkig niet met hetzelfde bootje en tegenwoordig is het alleen nog voor voetgangers en fietsers.
Bij Krimpen aan de Lek hebben we weer een pontje dat ons naar Kinderdijk overzet. Als je van molens en Chinezen houdt, dan is dit je ding. Busladingen vol worden hier afgeleverd. Overigens niet alleen Chinezen, alle nationaliteiten zijn hier vertegenwoordigd. En als je nog nooit op Kinderdijk bent geweest, dan wordt het echt een keer tijd. Half China is er tenslotte ook al geweest.

Wij gaan via Oud-Alblas (als je dan toch naar Kinderdijk gaat, dan moet je zeker hier ook even kijken) naar Papendrecht waar we de waterbus naar Dordrecht nemen. We worden bij de Groothoofdspoort afgezet waar de Dordtse stedenmaagd uitkijkt op een van de drukst bevaren rivierknooppunten van Europa; de Merwede, de Noord en de Oude Maas komen hier samen.

En Dordrecht is voor mij altijd een beetje thuiskomen. Ik heb er, als kind, vijf jaar gewoond en veel plekken roepen toch weer herinneringen op. In de Onze-Lieve-Vrouwenkerk (waar ik nog misdienaar geweest ben) willen we een stempel halen. Dat lukt niet want de kerk is op maandag gesloten. We zoeken nog wel even een St. Jacobus parafernalia op. Een steen in de gevel herinnert aan de St. Jacobstraditie.

Vanuit Dordrecht gaan we over de Moerdijkbrug naar Lage Zwaluwe oftewel van-der-Veeke-land. Hier liggen de roots van mijn familie. Mijn opa kwam hier vandaan en er wonen nog steeds veel familieleden. Als ik ons inschrijf op de camping wordt ik verbaasd aangekeken en de naam wordt in één keer goed gespeld. Camping in de Polder is overigens een juweeltje. Prachtige voorzieningen en een ecologische achtergrond maken het een feest om hier te staan.
’s Avonds komt een achterneef van mij een kopje koffie drinken op de camping. Ik ken hem alleen via Facebook en wist dat hij hier woont. Erg leuk om hem (en zijn vrouw) in het echt te ontmoeten. En ondanks dat we elkaar nog nooit gezien hebben, voelt het vertrouwd.

Als een koe in de wei

Dag 002:

De slaap der vermoeidheid is de beste slaap en als er dan ook nog de regen op ons huisje tikt, dan blijft zelfs de grootste insomniast niet wakker. Maar als we opstaan is de lucht zo grijs als mijn fiets en vallen er druppen. We ontbijten binnen maar ‘the show must go on’, dus we stappen gewoon op de fiets en gaan verder. Voor een pelgrim is er geen ruimte voor weifelen en procrastineren.
Het mooie van fietsen is dat er ook wat te zien is, als er niets te zien is. Het Friese landschap lijkt me ook te kunnen bekoren. Met potige paarden en vierkante torens kan het er niet Frieser uitzien voor mij.

IMG_0400-W585

Op de foto naderen we het dorpje Firdgum. Op de GPS zie ik dat er een geocache is met een interessant verhaal. Ze hebben er een reconstructie gemaakt van een huis zoals het er tussen de 4e en de 8e eeuw uit moet hebben gezien. Omdat het gebied vaak overstroomde werden de huizen op wierden (heuvels in het landschap) gebouwd. En in dit geval werden de muren van de huizen van zoden van kleiige graslanden gebouwd. Het ziet er voor mij meer uit als lemen bakstenen maar het huis staat er imposant bij.

IMG_0401-W585


Daarna gaan we grotendeels langs de Waddenzee richting Harlingen. Ook hier komen we af en toe kleurige bollenvelden tegen waar Mevr. van der Veeke tussen moet staan. In Harlingen woont een (oud) collega van mij, maar die heeft geen tijd voor koffie. Daarom zitten we in de Subway een koffie weg te tikken en even op te warmen. Want met 10 graden houdt het niet over.
Na Harlingen fietsen we langs de waddenkant richting de Afsluitdijk. Er staat een behoorlijke wind en het is best ploeteren. Een mooie training voor de bergen vast. Het plaatsje Zurich passeren we altijd op de snelweg. Nooit geweten hoe het eruit ziet, maar nu dus wel want we gaan er doorheen. Ik kan concluderen dat je daar niets aan mist. Bij het busstation vinden we een mooi plekje. Uit de wind en in de zon, om een bammetje te doen. Heerlijk om even op te warmen.
Hierna zitten we wat gunstiger ten opzichte van de wind en wordt het fietsen gemakkelijker. We passeren Makkum en Workum en hebben mooie paadjes door het veld.

IMG_0403-W585


Voor Hindelopen komen we een prachtig omdenk-project tegen. Ze wilden graag uitzicht hebben over de dijk maar de bovenste verdieping is dan zo klein. Hoe los je dat op? Door het huis ondersteboven te bouwen. Ik ben onder de indruk.

IMG_0405-W585

De route gaat om Hindelopen heen, maar we kiezen er toch voor om door het stadje te gaan. Omdat het zo’n plaatje is maar ook omdat we ontbijt voor morgen nodig hebben. Het is wat minder druk dan vorige keren en het is inderdaad de moeite waard om mee te pakken.
Een klein stukje verder ligt Molkwerum. Omdat de zon inmiddels uitbundig schijnt, is er geen reden om niet te kamperen. We hebben een nieuwe tent gekocht. Iets ruimer dan de vorige maar hij staat zo. De camping heeft een restaurant en omdat de koning morgen jarig is gaan we lekker uit eten. Morgen hoeven we pas om half elf met de pont naar Enkhuizen dus er is alle tijd om onze roes uit te slapen.

IMG_0408-W585

Dag 003:

Soms zit het mee en soms zit het tegen. Zaten we gisteren nog heerlijk in het zonnetje, vannacht is het weer compleet omgeslagen. Het waait erg hard en daarmee komen er vlagen van regen over de tent. Geen fijn weer dus om op te staan. Op de buienradar zie ik dat we de hele dag windkracht 4-5 pal tegen zullen hebben. En dat zal niet meevallen als we langs de dijk fietsen in Noord-Holland.
De nieuwe tent is fijn. We hebben nu ruimte om binnen ontbijt te maken en te eten. Ook kunnen we de binnentent afbreken en droog inpakken terwijl de buitentent nog staat. We pakken het spul in, doen de regenpakken aan en vertrekken richting Stavoren. Het is maar vijf kilometer en we zijn een uur te vroeg. We kijken even in de haven, waar een prachtige vis staat, en vinden een restaurant wat koffie schenkt.

IMG_0410-W585

Om half elf gaat de pont. Er staan meer fietsers maar het is niet overvol. Voor de overtocht betaal ik ongeveer 35 euro. Onderweg worden we vermaakt door een familie met vijf kinderen, die ook op de fiets zijn. Ze hebben de halve Action met oranje-spullen leeggekocht en dat trekken ze allemaal aan of doen ze op. Zij weten Koningsdag op de juiste manier te vieren.

IMG_0411-W585

Tegen twaalf uur komen we in Enkhuizen aan. Het is grotendeels droog maar door de korte, heftige buien wordt je geregeld kletsnat. Maar het is de wind die ons sloopt. Toch vervelen we ons ook hier niet. Het is weer een ander landschap dan Groningen en Friesland.
Het zijn lange kilometers naar Broek in Waterland en we doen er dan ook lang over. Pas tegen zes uur komen we daar aan. Daar worden we weer warm verwelkomd door Liedeke en Martijn. Het voelt daar altijd als thuiskomen. Er staat een fijn bed klaar, een warme douche en een heerlijke maaltijd. We worden verzorgd als een koning en een koningin.

IMG_0416-W585

Het is een pittige derde dag. Mensen vragen soms of het dan wel leuk is. Nee, dat is niet leuk. Maar het is ook niet vervelend. We ondergaan het gewoon. We nemen de omstandigheden en het weer zoals ze zijn en laten het over ons heen komen. Eigenlijk net zo als een koe in de wei.

Ik vertrek!

Dag 001:
Jaren hebben we erop gewacht. Uiteindelijk maanden en toen dagen. Maar eindelijk is het zover. Dat is het mooie van tijd. Een van de weinige grootheden die de wetenschappers nog niet getemd hebben. We kunnen tijd niet beïnvloeden. Hij tikt door in zijn eigen ritme. Je kunt hem niet versnellen, maar je houdt hem ook niet tegen. Dus als je maar geduldig genoeg wacht, dan komt de dag vanzelf. En dat was vandaag.
De afgelopen dagen hebben we de spullen bij elkaar gezocht en in de tassen gestopt. We hebben in de loop der jaren een solide paklijst kunnen samenstellen. En het maakt niet uit of we een week, een maand of een half jaar op stap gaan. De inhoud is hetzelfde. Op een paar kleine dingen na, zoals deze steen. Waarom ik die meeneem kun je over een week of vijf lezen.

steen-W585

We dragen de sleutel over aan de mensen die de komende maanden in ons huis zitten en om negen over negen stappen we op de fiets. Iets later fietsen we Baflo uit. Als alles goed gaat fietsen we over vijf of zes maanden via de andere kant weer binnen.

IMG_0383-W585
Via Eenrum, Mensingeweer, Wehe, Leens en Ulrum gaan we richting Lauwersoog. Deze kant gaan we zelden op. Ik verbaas me over de grote huizen die in deze dorpen staan. Hier is rijkdom (geweest). Maar ook het landschap mag er wezen. Misschien is het omdat ik inmiddels een Groninger ben, maar het Gronings landschap bekoort me zeker.

IMG_0384-W585

Na Lauwersoog zoeken we de dijk op en gaan langs de Waddenzee richting het westen. Het zijn eindeloze wegen slechts bevolkt door schapen. Nadeel is dat we ons een weg moeten banen door de schapenstront. We hebben het er graag voor over want het is heerlijk rustig hier. De hele dag komen we nauwelijks mensen tegen terwijl het prima weer is. Op de dijk bij Holwerd heeft een kunstenaar een enorm beeld neergezet. Het hoofd is van een man maar de vormen zijn van een vrouw. Het schijnt over de zoektocht naar balans en de uitwisseling tussen mensen te gaan. Een tweede, magere, versie is in de maak.

IMG_0389-W585

Bij Zwarte Haan verlaten we de dijk. Hier ging ooit de veerboot naar Ameland maar dat is sinds 1946 niet meer het geval. Het wordt nu wel gezien als een van de startpunten van de Santiago route. Het Jabikspaad gaat, via St. Jacobiparochie, naar Hasselt en dan verder naar het zuiden. Dit is niet de route die wij volgen maar we gaan wel even langs St. Jacobiparochie om een stempel te halen.

IMG_0397-W585

Nog even over St Jacobus, ook wel Jacobus de Meerdere genoemd. Voor hem fietsen we tenslotte naar Santiago. Het was de broer van Johannes en een van de intimi van Jezus.  Door zijn opvliegende karakter werd hij ook wel ‘zoon van de donder’ genoemd. Hij was bij de hoogtepunten uit het leven van Jezus en na zijn dood werd hij op pad gestuurd naar ‘het einde van de aarde’ om het geloof te verkondigen. Daarom kwam hij bij Finisterra terecht. Maar hij was niet zo overtuigend en won weinig zieltjes. Hij keerde terug naar Jeruzalem maar daar viel hij ook niet in goede aarde en Herodes liet hem doden. Zijn leerlingen brachten hem vervolgens terug naar Galicië waar hij ‘kwijt raakte’. Maar een ster wees het graf aan en zo ontstond het bedevaartsoort Santiago de Compostella (St. Jacob op het veld van de ster).

De kerk is natuurlijk weer gesloten dus we halen de sleutel op bij een B&B waar we jaren geleden tijdens onze eerste ‘echte’ fietstocht terecht kwamen. Daar kunnen we ook een stempel krijgen.

stempel-W585

Voor de rest is St. Jacobiparochie een gat. We hadden gehoopt er boodschappen te kunnen doen maar we vinden alleen een Poolse winkel. Daar verzamelen we de ingrediënten voor een Poolse pasta. Ook koop ik er een paar Poolse biertjes die ik nog niet in mijn Untappd ingecheckt heb. Het is duidelijk dat het in Polen om de kwantiteit gaat en niet om de kwaliteit.
In Wier zoeken we de camping op. Gezien de voorspellingen heb ik daar een ‘pod’ gehuurd. Het blijkt een alleraardigst huisje te zijn dat kleiner is dan onze tent maar je zit er wel droog. En het was bijna net zo goedkoop als kamperen.

IMG_0398-W585

Inmiddels toont de lucht vijftig tinten grijs dus we maken snel een Poolse maaltijd die verrassend goed smaakt. Al met al is het een eerste dag waar we dik tevreden mee zijn.