Zaterdag 18 juli : Van Dawlish naar Beer

Het begint vandaag goed. Op deze speciale dag hebben we het eerste cadeau al binnen. Het is mooi weer en het is erg fijn om in de zon de tent in te kunnen pakken en te ontbijten.

Het eerste deel van de route is lekker vlak om de Exe heen. Ze hebben hiervoor een speciaal fietspad aangelegd met mooie fietsbruggen. Ik was alweer vergeten hoe makkelijk het is om vlak te fietsen. Met weinig moeite gaan we zomaar 20 km/uur. Veel mensen maken gebruik van deze route. We zien wandelaars, fietsers en skaters. Wij doen onderweg ook nog een paar caches. Sommige zijn erg slim verstopt. Terwijl we koffie drinken bij een cache komen er andere cachers aan. Leuk om even een praatje te maken. In de verte zien we Powderham Castle nog liggen. Helaas op zaterdag gesloten.

Bij Topsham nemen we het pontje. Voor £ 3,50 missen we zo de drukke brug een eindje verderop. Het is maar goed dat we de enigen zijn, want we passen maar net met de fietsen samen in het bootje.

Iets verderop nemen we ons feestgebak van de dag. Op deze speciale dag hebben we iets lekkers uitgezocht en Mevr. vd Veeke heeft vandaag zelfs weer haar feestjurk aan.

Van Exmouth zien we alleen de buitenkant en de haven. Daarna door naar Budleigh Salterton. Hier komen we weer aan het strand en de boulevard. Ondanks dat de zon schijnt, is het best wel koud. Dat houdt de Engelsen niet tegen om de zee in te gaan. Kinderen hebben dan vaak een wetsuit aan. Ze kennen hier ook het fenomeen van strandhuisjes. Dit zijn vierkante houten huisjes aan het strand. Meestal karig ingericht, maar soms met kooktoestel en meer faciliteiten. Er staan altijd twee strandstoelen in. Daarmee zit je dan in (met veel wind) of voor je huisje. De deurtjes zijn vaak kleurig geschilderd.

Wij eten een broodje aan het strand. Onze fietsen trekken altijd de aandacht. Nu ook van een andere fietser. Ze willen altijd weten waar we vandaan komen en waar we naartoe gaan. Daarna komen meestal hun eigen plannen en dromen, die ze helaas vaak niet realiseren. Ook hier blijft er iemand staan praten. Ik denk een geschiedenisleraar vanwege de vele jaartallen die eruit komen. Hij zit vol met tips wat we zouden moeten doen. Aan zijn buik te zien, zijn het allemaal dingen die hij (nog) niet gedaan heeft. Toch blijft het gezellig zo’n praatje.

Naar Otterton toe hebben we een mini weggetje. Auto’s kunnen hier niet meer langs. Wegens erosie is een deel van de weg weg. Een probleem wat ze op meer plaatsen aan de kust hebben.

Onderweg doen we nog een kerkencache. Wederom een mooi plekje. We zijn niet de enigen die de cache zoeken. Er lopen ook twee punkers rond. Terwijl wij in de kerk kijken vinden zij de cache. Maar ze missen een pen. Zo hebben we een gemakkelijke find.

In Sidmouth is het erg druk. En dat snap ik ook wel. Als je langs de kust gaat dan zijn de wegen erin en eruit zo loeistijl, dat je er gewoon niet meer weg komt. Voor ons betekent het dat we eerst afdalen en met roodgloeiende velgen stoppen in Sidmouth. Eerst bij Connaught gardens. Een mooie botanische tuin met een witte trap (Jacobs ladder) naar het strand. In de tuin en het theehuis klonteren vooral bejaarden samen, al dan niet duttend. De stranden zijn mooi en hier beginnen ook de steilere kliffen. Daarnaast heeft Sidmouth ook een mooie boulevard. Voor ons nog net even te koud om aan te zitten.

Bij het verlaten van Sidmouth komen we nog een ford tegen. Hier loopt de weg gewoon door het water van een beek. Voor fietsers is hij niet geschikt. Maar eigenwijs als ik ben, bewijs ik het tegendeel.

Hierna willen we uit deze hell-hole voor fietsers weg zien te komen. Binnen anderhalve kilometer moeten we meer dan 200 meter stijgen. Dit zijn drie streepjes op de kaart. Dat trek ik niet met mijn 23 kilo bagage. Voor het eerst deze vakantie moet ik stukken lopen. Niet alleen omdat de benen in staking gaan, het is ook wel even lekker om de kuiten te strekken. Dat is een van de redenen dat ze een fiets in Engeland ook wel een push-bike noemen. Meer dood dan levend komen we boven aan.

We blijven langs de kust. Naar Branscombe dalen we weer een stuk af. Er komt nog een drie-streper op de route aan. Dus we maken onze borst nat met een kopje thee. Ze hebben hier ook mooie huisjes.

Hoe we na Branscombe weer boven zijn gekomen weet ik niet meer. Tijdens die klim moest er zoveel bloed naar mijn benen dat mijn hersenen even uitgeschakeld zijn. Maar goed, we komen boven ondanks de gemiddeld 17%.

Daarna is het afdalen naar Beer. De naam komt niet van het medicinale drankje wat ik dagelijks tot me neem, maar is afgeleid van het Angel-Saxische woord bearu wat bos betekent, wat oorspronkelijk dit plaatsje omringde. Nu is het bekend van de Beer stone wat hier in de afgravingen gewonnen wordt. En het is een prachtig vissersplaatsjes. Bijzonder omdat het geen haven heeft, maar de boten worden op het (keien) strand getrokken.

Wij hebben voor dit alles geen oog meer, vanwege de vermoeidheid. Tot overmaat van ramp ligt de camping bovenop een heuvel bij Beer. Dit is de derde drie-streep beklimming in korte tijd. Wat dat betreft krijgen we het wel voor de kiezen op deze feestelijke dag. Ik zal hem me nog lang heugen.

De camping is voornamelijk een groot sta-caravanpark. Voor tentjes is niet veel plek. Het is weekend en praktisch alles is bezet. We kiezen voor het forgotten plekje naast de bistro. Hiervoor betalen we £ 20. Een slechte keus, zoals later zal blijken. We zitten vlak naast de afvoer van de afzuigkap, dus de etensgeuren hangen continu in de lucht. Evenals het lawaai. Maar het ergste komt vannacht nog. Maar daarover morgen meer.

We denken lekker gemakkelijk in de bistro te kunnen eten. Maar helaas hebben ze geen plek meer voor ons. We moeten naar Beer om te eten. En ondanks dat we hiervoor eerst bij de camping de heuvel op moeten en naar Beer de heuvel weer af (we zijn wel lopend deze keer), is het toch een gelukje. Ten eerste kunnen we dan even in het pittoreske Beer rondkijken. En we komen bij the Seafood Platter terecht. Een uitstekend visrestaurant waar we vieren dat we vandaag 27 jaar getrouwd zijn. Ik heb een heerlijke schol en Mevr. vd Veeke een smakelijke oven-bereide makreel. Als je ooit in Beer uit eten wilt, dan is dit de plek.

In het donker lopen we terug naar de camping. Lopend blijkt de heuvel op net zo zwaar te zijn als fietsend. Maar dat kan ook aan de laatste biertjes gelegen hebben.

Getallen van de dag
Aantal kilometers: 60,8 (totaal 613)
Afstand tot Baflo: 723 kilometer (hemelsbreed)
Aantal hoogtemeters: 879

kaart-9

profiel-9

Advertenties

Vrijdag 17 juli : Van Princetown naar Dawlish

Vannacht is het harder gaan waaien. Flinke windstoten doorspekt met pittige regenbuien als drumsolo’s op de tent. Eigenlijk het weer wat je in Dartmoor gewend bent. Normaal is het hier drie graden kouder dan de lager gelegen delen van Zuid-Engeland. En er valt twee keer meer regen. Gisteren hebben we dus geluk gehad. Tussen de buien door pakken we in en ruimen we de tent op. Als we wegfietsen, is het erg grijs, maar wel droog.

In de verte zien we de gevangenis van Princetown liggen. Hij staat er al meer dan twee honderd jaar en heeft gevangenen van allerlei oorlogen gehuisvest. Onder erbarmelijke omstandigheden vaak. En het lukte af en toe een gevangene om te ontsnappen. Wij hebben gelukkig vannacht niemand op bezoek gehad.

Zelfs met slecht weer is het mooi om door Dartmoor te fietsen. Er is altijd wat te zien. Oude stenen bruggetjes, wegen die als een uitgelopen toiletrol voor je liggen. En eindeloze groene vertes. Een landschap waarin je jezelf waarlijk kan verliezen.

Het eerste wat we tegenkomen staat niet in boekjes. Het is The Dunnabridge Pound. Gesitueerd in het midden van het Dartmoor National Park en het zijn de restanten van een eeuwenoude nederzetting. Één boerderij staat er nog. Vroeger waren er vijf. Interessant eraan is, dat er een soort van ommuurde weide is. Hierin werden vroeger de schapen bijeengedreven. Ook ving de poundkeeper hier de verloren en verdwaalde schapen op. Daar kon dan weer een fee voor gevraagd worden als ze werden opgehaald. Dunnabridge Farm was overigens ook de eerste plek die geïsoleerd werd toen de mond- klauwzeer uitbrak in 2001, iets waar Prins Charles behoorlijk buikpijn van kreeg. Wij vinden het in elk geval een bijzonder plekje waar vergane tijden in de lucht hangen.

Een stukje verderop komen we de tweede bezienswaardigheid tegen. Het is een  klein kerkje in Huccaby, de enige Angilcaanse kerk die aan St. Raphael gewijd is. In 1869 gebouwd en als het niet als kerk in gebruik was, dan werd het als schooltje gebruikt. Het gevolg is dat de kerkbanken tegelijk lessenaars zijn. Een bijzonder plekje waar we toevallig komen omdat er een geocache is.

Vandaag is weer een fikse dag met klimmen. Bij Hexworthy moeten we tegen 25% op. Het is dan wel geen lange klim, maar als je zelf in de bergen hebt gefietst, dan weet je dat dit fors is. Ondanks de 23 kilo bagage lukt het zonder lopen.

Hierna is het nog een klein stukje verder omhoog naar de Combstone Tor. Bovenop de heuvels hier staan vaker van dit soort granieten rotsformaties. Door wind, ijs en regen uitgesleten tot vreemde formaties waarvan je denkt dat ze kunstmatig zijn. In Dartmoor zijn er meer dan 100. Meestal zijn er ook nederzettingen bij geweest. Alleen al voor de uitzichten zou je hier komen.

Het voordeel van zo hoog zitten is dat je daarna alleen maar naar beneden kunt. Het is lekker om de benen dan even te ontspannen. Ondertussen breekt het ook boven ons en komt de zon door. De afdaling brengt ons in Buckfastleigh. Voor ons ziet het er hier uit als een bejaardenmagneet.

Dat komt door de abdij en misschien ook wel door het speciale drankje (dat ze een tonic noemen). Een zoete, kruidige wijn van 15% en ook een behoorlijke hoeveelheid cafeïne. Vooral geliefd bij hooligans, kleine criminelen en bejaarden. In Buckfastleigh staat ook Brook Manor House. Toen de lord die hier woonde, Richard Cabell, overleed zwierven er honden over Dartmoor die vuur en rook spuwden. De legende van dit huis inspireerde Conan Doyle tot het verhaal The hound of the Baskerville waarin Sherlock Holmes een mysterie moet oplossen en een personage van een Tor is gevallen. Misschien wat teveel tonic gehad?

In elk geval willen wij het ook wel eens proberen en schaffen een blikje aan. Gezien de kilometers te gaan bewaren we het nog even tot vanavond.

Daarna zitten we meer in het binnenland. Dit betekent smalle rustige wegen met hoge heggen aan beide kanten. Dat is best wel oppassen want ze kronkelen nogal en je ziet niet wat er om de hoek komt, dus je kunt je bij een afdaling echt niet laten gaan. Als er een vrachtwagen als tegenligger komt, moet ik gewoon terug fietsen tot er een inham is. Op zich fietst het wel mooi omdat het meestal wat vlakker is en je geen last van de wind hebt. Het grootste nadeel is dat je eigenlijk nauwelijks uitzicht hebt. In Luton doen we nog een kopje thee bij de kerk. We horen steeds wat piepen, maar dit blijkt de haan te zijn op de kerktoren. Die lust graag een drupje olie.

Bij Dawlish komen we weer aan de kust. We zijn erg moe omdat het toch weer een lange dag geworden is. Bij de camping doen ze wat moeilijk over een plekje. Omdat het weekend is verwachten ze schaarste. Toch krijgen we een mooi plekje met uitzicht over de camping. En lekker in de avond en ochtend zon. De voorzieningen zijn schoon en ze hebben een lekkere douche. In Dawlish hebben we bier en cider gekocht. Daarmee wordt het eerste vocht aangevuld. We eten rijst met garnalen in kerrie saus. Nu gaat ook de Buckfastleigh tonic open. Een daarmee is de feestvreugde helemaal compleet.

Getallen van de dag

Aantal kilometers: 64,3 (totaal 558)

Afstand tot Baflo: 750 kilometer (hemelsbreed)

Aantal hoogtemeters: 986

kaart-8

profiel-8

Donderdag 16 juli : Van Plymouth naar Princetown

Het is lekker om weer in een ‘gewoon’ bed te slapen. Ondanks dat ik om twee uur de wekker heb gezet om de opladers te wisselen. We hebben stopcontacten te weinig om alles tegelijk op te laden, dus midden in de nacht wissel ik even wat dingen. Zo kunnen we morgen volledig geladen weer op pad.

Om half zeven komen we aan. De fietsen staan vóór in het schip en door een goede planning kunnen we als eerste van boord. Door de douane en om kwart voor zeven staan we op Engelse bodem. Plymouth begint net wakker te worden. De route brengt ons eerst langs de natuurlijk haven van Plymouth; The Plymouth Sound. Voor de kust zien we Drake’s Island liggen. In 1577 vertrok Sir Frances Drake hier voor een reis om de wereld. Andere markante punten zijn The Hoe (de vuurtoren) en een art-deco zoutwaterbad.

Allemaal heel leuk, maar wij willen graag een Engels ontbijt. We vinden een tentje met uitzicht op dit alles en met een heerlijk ontbijt. Daar kunnen we wel even op vooruit.

Het eerste deel van de route gaat lekker makkelijk over het Plym Valley Cycle Path. Een voormalig spoortraject (Plymouth – Lymington) met een 300 meter lange tunnel erin. Het fietst als op een andere planeet. Door de begroeiing fietsen we in een tunnel met groen gefilterd licht. Langs de route staan mooie sculpturen en prachtige bankjes met spreuken. De tunnel is best donker. Er is gedempt licht in aan gebracht zodat de vleermuizen er geen last van hebben.

Met spijt verlaten we dit pad. Best lekker om zo vlak te fietsen. We gaan het Dartmoor National Park in. Het is een van de grootste en ruigste gebieden van Zuid-Engeland. In dit semi-hoogland zijn geen Engelse heggen en bomen meer. In plaats daarvan zijn er menhirs, stenen cirkels en spectaculaire vergezichten. Voor ons betekent het klimmen. Het weer is opgeklaard en in de zon maken we een koffie op de ruige hoogvlakte.

Bij Sheepstor gaan we even van de route af om St. Leonards Well te zien. Een heilige bron uit oude tijden, vlak naast het kerkje van Sheepstor. Het kerkje is zo gevonden, maar de bron is even zoeken. Hij blijkt behoorlijk opgedroogd te zijn, dus geen heilig water voor ons. Bij het Burrator reservoir, weer op de route, staat een ijscowagen. Dat vinden we eigenlijk wel net zo goed.

Hierna komen we dieper in Dartmoor Park. Er zijn hier weinig wegen, dus we delen die met de auto’s (die hier maar 65 km/uur mogen rijden, maar niemand houdt zich eraan) en het scharrelvee wat hier vrij rond mag lopen. Het landschap kan ik niet anders dan desolaat noemen. Veel varens, wat struiken, een enkele boom, granieten rotsblokken en zompige grond. Toch heeft ook dit zijn charmes. Zeker als de zon er doorkomt, dan lijkt het alsof het landschap een glimlach laat zien.

We pikken meteen het hoogste punt van de route mee. Vlak voor Princetown tikken we de 436 meter aan. We besluiten het dan ook hierbij te laten voor vandaag, ondanks het weinige aantal kilometers. Het weer is mooi en het is ook wel lekker om te relaxen. We waren tenslotte vroeg genoeg op vanochtend.

Bij de pub Plume of Feathers is ook een camping. Voor een kleine 14 pond kunnen we op het grote veld staan. Er is zelfs een picknick tafel aanwezig, een welkome luxe voor ons. Qua voorzieningen is het wat minder. Ze moeten nodig eens op schoonmaak cursus want de wc en douche is een bende.

Op de camping druppelen ook groepen jongeren binnen. Ze komen uit Schotland en lopen 16 kilometers op een dag. Met bepakking en zelf koken. Daarmee verdienen ze een bronzen, zilveren of gouden lintjes. Ze zijn hiervoor erg gemotiveerd want ze zien het als een prestatie waar ze in hun latere leven ook nog wat aan hebben. Voor ons is het veel kijkplezier.

In het dorp doen we wat boodschappen. Daarna gaan we bij de kroeg wat drinken. Princetown is bekend van zijn gevangenis (daarover morgen meer). De lokale brouwerij heeft dan ook ‘prison ale’. Veel mensen vinden het Engelse bier niet te drinken, maar ik mag het graag proeven. Mevr. vd Veeke gaat natuurlijk weer aan de cider.

We koken pasta met vis in een tomatensausje. Om ons heen betrekt het. Op dit plateau is het gemiddeld drie graden kouder  dan elders. En er valt twee keer zoveel regen. Maar wij lijken het er goed van af te brengen. Ik kan tot laat in de avond buiten zitten aan onze picknick tafel en schrijven aan de verslagen. Maar op een gegeven moment wordt ik toch verslagen door de midgets en de kou. Tijd om naar bed te gaan.

Getallen van de dag

Aantal kilometers: 42,5 (totaal 499)
Afstand tot Baflo: 768 kilometer (hemelsbreed)
Aantal hoogtemeters: 783
kaart-7

profiel-7

Woensdag 15 juli : Van St. Efflam naar Roscoff

Als we opstaan, dan is de lucht metaalachtig grijs. Het sputtert ook wat. We pakken nog redelijk droog in, maar daarna is het ook gedaan met het droge weer.

We verlaten St. Efflam op niveau. Beneden zien we het kapelletje liggen waar de stoffelijke resten van deze semi-legendarische Bretonse heilige werden gevonden in 994 (!). We hadden graag even gekeken maar hij is ook weer niet zo interessant om hiervoor af te dalen en weer omhoog te klimmen.

Vandaag is het laatste stuk in Bretagne. Vanavond gaan we op de boot naar Engeland. Er moet nog een flink stuk overbrugd worden, maar daar hebben we dan ook tot 10 uur vanavond voor.

We beginnen met eerst weer door de haven van Locquirec te fietsen. En als ik door de haven zeg, dan bedoel ik het deel waar normaal gesproken de boten liggen.

Locquirec heeft trouwens meer vreemde gebruiken. Van een geocache bij een oude wasplaats leren we dat deze aan een heilige gewijd was. En van hem stond er een houten beeld. De wasvrouwen die graag een goede man wilden hebben legden een speld in het neusgat (!) van dit beeld. Als het er de volgende dag nog niet uitgevallen was, dan kwam het allemaal goed. Bijzonder.

Ondanks de regen, die steeds harder begint te vallen, proberen we te genieten van dit laatste stuk Bretonse kust. De uitzichten liegen er niet om. Ik denk dat met een beetje zon, dit alles wat sprankelender is. Maar goed, je kunt niet alles hebben.

Op zoek naar een plek om koffie te maken komen we in een bijzondere situatie. In de hoek van een weiland in-the-middle-off-nowhere staat een rij stoelen. Er zijn twee, soort van katheter-achtige, timmerwerken met vreemd gevormde blokjes. En wat bielzen om op te zitten. We kunnen alleen maar gissen naar wat dit is. Een tribunaal? Een heidens gebruik? Als je naalden in neusgaten van heiligen schuiven normaal vindt, dan kan dit van alles zijn. Al snel begint het weer harder te regenen, dus we gaan verder.

In de punt van Primel-Trégastel komen we nog één keer langs een strand. Eigenlijk hebben we deze steeds alleen bij eb gezien.

Om een uur of een willen we toch wel wat eten. Er wijst een bordje van de weg af naar een crêperie. Deze zie je veel in Frankrijk. Je kunt er voornamelijk pannenkoeken eten, maar vaak ook andere dingen. We hebben best wel zin in een pannenkoek.

Maar helaas. Hij is gesloten. We verwachten niet veel op de komende route, dus dan maar een broodje. Het regent inmiddels zo hard, dat het brood weg zou spoelen als we buiten gaan zitten. Een bushokje biedt uitkomst. We zitten er prima. Op een bankje, uit de regen met brood, worst en kaas en een soepje.

Soms denken mensen dat we dit als een mislukte vakantie zien. Dit voelen we helemaal niet zo. Natuurlijk, mooi weer is fijner, maar regen hoort erbij. We nemen het zoals het komt.

Morlaix is een grote plaats op de route. Vreemd genoeg is het hier droog en heeft het ook niet geregend. Het ligt beschut in een dal. Misschien dat de regen er daarom aan voorbij gaat.

Midden in de stad is een reusachtige spoorbrug die het stadsgezicht bepaalt. Morlaix kent vele smalle steile straatjes met middeleeuwse vakwerkhuizen. Vroeger was het een grote havenstad die zijn geld verdiende met de handel met Engeland.

Wij zijn de regen alweer compleet vergeten. Ik laat me dan ook graag door Mevr. vd Veeke trakteren op een ijsco.

Hierna is het nog een lang stuk door het binnenland. Inmiddels is het min of meer droog. We hebben nog een mooie ‘dolmen’ (een soort hunebed) op het programma staan. En ondanks dat de boer hier zijn rommel dumpt, ziet hij er best mooi uit.

De laatste plaats voor Roscoff is St-Pol-de-Leon met zijn prachtige kathedraal. We besluiten hier wat te eten, zodat we niet in Roscoff op zoek hoeven. In de kleine straatjes vinden we een restaurantje waar we voor €14 een voorgerecht (vissoep), een hoofdgerecht (salade Terroir) en een kopje cider krijgen. Helemaal goed.

Rond half negen arriveren we bij de haven. Hiermee hebben we onze eerste en enige deadline van deze vakantie gehaald. De boot had ik namelijk al geboekt en betaald.

Normaal schuiven we altijd aan in de rij (die er nu al staat), maar even binnen informeren leert ons dat je beter tot een uur of tien in de wachtruimte kan zitten. We zien dat ze zelfs een douche hebben. Voor anderhalve euro komen we daar weer helemaal fris uit.

Na tienen sluiten we aan en kunnen we zo aan boord. We hebben het prachtig gehad in Bretagne. Genoten van de stranden. Gezwoegd op de hellingen. Een mooie omgeving met vriendelijke mensen.

Hieronder een overzicht van de route. Het lijkt niet zo veel, maar toch genoeg om ons zes dagen bezig te houden.

Getallen van de dag

Aantal kilometers: 87 (totaal 456)

Afstand tot Baflo: 892 kilometer (hemelsbreed)

Aantal hoogtemeters: 1183

kaart-6

profiel-6

Dinsdag 14 juli : Van Tréguier naar St. Efflam

We gaan vandaag eerst terug naar Tréguier om weer op de route te komen. Dat geeft ons meteen gelegenheid om bij de bakker wat lekkers te halen. Als we fietsen doen we dat meestal. Iets lekkers bij de koffie. Als we dat thuis zouden doen, dan zouden we zeker te dik worden, maar hier fietsen we de calorieën er toch zo weer af.

Het is vandaag ‘quatorze julliet’, een feestdag in Frankrijk. Dat vieren ze net als Koninginnedag bij ons met veel wandeltochten. We komen net in zo’n meute terecht. Toch lukt het me bij Tréguiers een foto te maken van de oude brug, mét Mevr. vd Veeke, maar zonder wandelaars. Daarna begint de klim om het dorp uit te komen. Dat doet zeer op de koude spieren.

In Engeland gaan we altijd op zoek naar stenen cirkels. In Bretagne blijken dit vaak menhirs te zijn. Dat zijn van die stenen waar Obelix altijd mee rond zeult. Hier zijn er twee achter elkaar. Een staat wat verderop in het veld. Het lijkt niet meer dan een paaltje. Maar de volgende is imposant genoeg. Ze hebben er hortensia’s omheen gezet. Voor mij is het een suggestieve vorm, maar Mevr. vd Veeke wil het niet zien.

Deze menhir de Kerloc’hs was wat ondergeploegd. In 1991 gevonden in het veld en met cement weer in elkaar gezet. Het roze graniet suggereert dat hij hier uit de buurt komt. De plek is wat dubieus omdat hij zo dicht langs de weg staat. Wij vinden hem in elk geval een mooi exemplaar.

De volgende stop die op ons lijstje staat is de kerk van St. Gonery en zijn omliggende gronden. Het is een bijzonder verhaal alleen al door de geknakte torenspits op het kerkje. Binnenin is een 16e-eeuwse reliekenkast en mausoleum. De missionaris Gonery liep hier in de 6e eeuw rond om zieltjes te winnen. Hij is heilig verklaard en daarna was het gebruikelijk om grond van de kerk in een zakje om je nek te hangen als je last had van koorts of angsten. Ze hebben het hoofd (de schedel) van St. Gonery nog steeds en een keer per jaar wordt die mee op tournee genomen. Tijdens dit evenement klimmen durfals naar de spits van de toren om er gekleurde linten op te hangen. Dat maakt je held van de dag en levert je een beker wijn op. Volgens mij moeten er gemakkelijkere manieren zijn om aan je alcohol behoeften te komen.

Maar dit alles gaat aan ons voorbij. Zoals ik al eerder zei; ‘ soms zit het mee, meestal zit het tegen’. De kerk is in renovatie en we kunnen ook hier er niet in.

We fietsen een stukje naar het strand voor een geocache. Er blijkt een picknick bank te staan. Een mooie gelegenheid om koffie te maken en de gebakjes weg te werken. De eclair de chocolat smaakt mij prima. Mevr. vd Veeke doet het met een appeltaartje. Ook lekker.

De route van Kees wijkt hierna af van de Tour de Manche. Kees pakt ‘La Gouffre’ nog even mee. We vragen ons af waarom. Maar als we er zijn is het duidelijk. Volgens Kees ‘…bij eb komt er een maanlandschap tevoorschijn van roze-, geel- en grijsgetint puin‘. Het is hier inderdaad prachtig. We kijken onze ogen uit. Wat een bijzonder landschap. Ook vanwege de vele huisjes die hier vaak tussen granieten mega-stenen staan ingeklemd.

Hier blijkt ook hoe makkelijk je elkaar kwijt kunt raken. Als ik een bocht om ga, verlies ik Mevr. vd Veeke. Zij ziet dit niet en fietst vrolijk rechtdoor. Binnen no-time zijn we kilometers uit elkaar en alleen de mobiele telefoon kan ons weer bij elkaar brengen.

Iets verderop zijn we blij dat we op tijd zijn. Tijdens hoog tij staat dit onder water. Nu fietsen we over de zeebodem naar de overkant. Het is maar een kort stukje, maar omrijden betekent weer een klim extra.

In Port Blanc doen we weer decadent. In plaats van een broodje te smeren, schuiven we weer aan op een terras. Het is dan ook een prachtig plekje. Onder het toeziend oog van Maria en met uitzicht op het strand. Ik ga voor een authentieke Bretonse salade. En die vult behoorlijk. We nemen er ook een kopje (!) cider bij (cider wordt hier niet in glazen geschonken, maar in stenen kopjes). Daar heb ik nog lang plezier van want bij de eerste klim hierna zakt hij in de benen.

Hierna fietsen we een stuk door het binnenland. Kees weet ingenieuze paadjes te vinden. In sommige gevallen worstelen we ons door de begroeiing heen.

Bij Lannion tikken we nog even de kust aan. Ook hier weer witte stranden. Ik verbaas me er nog steeds over dat ze zo leeg zijn. Het is tenslotte vakantie en zelfs een feestdag. We zien hier overigens ook weinig Nederlanders.

Lannion is een grote stad op onze route. We gaan er dwars doorheen. Het had wel zondag kunnen zijn, zo rustig is het. De stad uit is weer zweten. En nu zonder de doorkijkjes naar zee.

Na Ploumilliau komen we op een voie verte. Het is een geschenk uit de hemel. Licht dalend kunnen we kilometers vooruit zonder te trappen. Uiteindelijk dalen we af naar St. Efflam, ons eindpunt van de dag. Het laatste stukje is langs een drukkere autoweg, maar dat is dan ook de enige weg die hier is.

De camping is een drie-sterren municipal. Mooie ruime plekken, goede voorzieningen en natuurlijk koude cider. We zetten het tentje op en ploppen de fles open. Er is zelfs nog tijd om een wasje te doen. De avondmaaltijd bestaat uit broodjes.

Later op de avond lopen we nog even naar het strand. Bij eb is het wel een kilometer breed. Toch vinden we dat we op zijn minst nog even moeten pootje baaien in het Kanaal. En het is niet eens zo koud.

Daarna kruipen we toch maar in de tent. Het is wel goed zo. We worden niet eens meer wakker van het vuurwerk.

Getallen van de dag

Aantal kilometers: 73,4 (totaal 369)

Afstand tot Baflo: 880 kilometer (hemelsbreed)

Aantal hoogtemeters: 953

kaart-5

profiel-5

Maandag 13 juli: Van Pordic naar Tréguier

 

De camping is wel fijn, maar de regels liegen er niet om. Zo kun je pas vanaf half acht douchen. Een half uur later dan ik normaal doe. En ondanks dat ik hierop wacht, heb ik toch een koude douche. Geen goed begin van de dag. Ben wel lekker wakker nu. We ontbijten deze keer met croissantjes in plaats van yoghurt met fruit. We hebben deze gisteren niet kunnen kopen. Verse croissants zijn een prima alternatief. Door dit alles vertrekken we wat later dan normaal.


Binic is wederom een leuk havenstadje maar we komen er alleen maar doorheen en doen een paar boodschappen. St-Quay-Portrieux is een dubbele stad. St-Quay is het rijkere deel, maar Potrieux is gezelliger. Normaal is er in dit soort stadjes op dinsdag markt, maar nu op maandag vanwege de ‘quatorze julliet ‘. Bij zo’n markt moet ik  Mevr. vd Veeke goed in de gaten houden maar nu weet ik dat zij weet dat ze alles zelf in haar tassen mee moet nemen. En dat beteugelt de kooplust voldoende. We worstelen ons door drukte heen met de volle fietsen. Ook hier verlaten we de stad weer met een klim, die steevast beloond wordt met een mooi uitzicht.


We verlaten het Franstalige ‘Haute-Bretagne’ en komen nu in ‘Basse-Bretagne’. Hier wordt nog voornamelijk Bretons gesproken. Vergelijkbaar met Friesland zijn hier ook alle plaatsnaamborden tweetalig. De dorpsnamen beginnen vaak met ‘plou’ (parochie), ‘trez’ (strand), ‘ker’ (stad) of ‘penn’ (kaap, top, rots).


Bij Keregal wijken we van de route van Kees af. We willen graag bij kapel Kermaria-an-Isquit langs. Dit is een kerkje uit de 13e eeuw met latere aanbouwingen. Binnen zijn fraaie muurschilderingen met de ‘dance macabre’. Een soort polonaise van doden en levenden. Dit moest de mensen in de 15e eeuw eraan herinneren dat het leven kort was en dat in de dood iedereen gelijk is. Ik heb er over gelezen en ben zeer benieuwd.

Soms zit het mee, en soms zit het tegen. Vandaag tegen dus. De kerk is normaal open maar wegens omstandigheden vanmiddag en morgen dicht. Niets aan te doen, maar op internet kijken naar de plaatjes. We zijn niet de enigen die  teleurgesteld zijn er lopen drommen mensen met lange gezichten rond. Een Spanjaard staat helemaal te stomen. Maar daar gaat de deur echt niet van open.


Bij Lanloup komen we weer op de route. Hier staat ook een mooie kerk en deze staat  wel open. Het is surrogaat, maar toch wippen we even naar binnen. Daar leer ik twee dingen; er wordt niet meer gebiecht in Lanloup want de biechtstoel wordt nu gebruikt als bezemkast. En ze nemen hier het middenschip van de kerk wel heel letterlijk want die hangt aan touwtjes aan het plafond.


Bij ‘Pointe Perjule’ kijken we even uit over het Kanaal.


Paimpol is een grotere plaats op de route. Met veel klimmen en dalen komen we er. Onderweg zijn er steeds mooie doorkijkjes naar zee. 


Voor Paimpol is het even zoeken bij de restanten van de Abbey de Beauport. Het blijkt dat we over een stenen bruggetje moeten. Dat wil alleen lopend.


Van de Abbey zelf is maar weinig meer over. Het lijkt wel wat maar de wind en regen kunnen er dwars doorheen.


We zien veel eilandjes en klippen in de baai van Paimpol.  De haven was eens de thuisbasis van IJslandvissers. Deze mannen waren tot wel zeven maanden van huis om te vissen. Nu is het een toeristen trekpleister met zijn mooie jachthaven. We eten hier een  ijsje. Ook hier is markt, dus we gaan niet door het centrum.

Dan komt het dilemma van de camping. Nemen we die in Lézardieux of de camping die 15 km verder in Tréguier is. We zijn best wel moe, maar alle kilometers die we nu niet doen, moeten we de komende dagen inhalen. We kiezen voor Tréguier maar we doen wel vast boodschappen in Lézarddieux. 

Via binnenland zwoegen we tegen wind tegen. Af en toe vallen er wat sputters maar het zet gelukkig niet door. Om even bij te komen zetten we nog een kopje thee in de berm. En eindelijk komt Tréguier in zicht.


Tréguier is een typisch Bretons marktstadje. Een 14-eeuwse kathedraal en veel vakwerkhuizen. We kijken even rond en zoeken de camping op die even buiten het dorp ligt. We worden daar verwelkomd met doedelzak muziek. Er is een ‘cousinade’, wat een soort familie reünie is. En er staan veel bejaarden een gek dansje te doen. Dachten we dat we alles gehad hadden.


Het is een boerencamping. We betalen € 8,40 in totaal. Een koopje gezien het feit dat de faciliteiten hetzelfde zijn als gisteren. Wat primitiever maar de douche is warm en je mag hier wel de hele nacht douchen.

De campingbaas woont in een caravan en heeft helaas geen cider te koop. Daarvoor moeten we naar de supermarché. We leggen uit dat dit met de fiets en de heuvels en de vermoeidheid nu iets te hoog gegrepen is. Geen probleem, hij rijdt Mevr. vd Veeke er wel even met de auto heen. Dit is tekenend voor de vriendelijkheid hier. Mensen groeten, lachen en moedigen ons aan als we langs fietsen (‘Bon route’ en ‘Bon courage’).

Het is al later op de avond als we koken. We eten pasta met groenten en kip. En een heerlijke cheese-cake na. Daarna valt de vermoeidheid als een deken over ons heen en zoeken we de binnenkant van de tent op.


Getallen van de dag

Aantal kilometers: 71,1 (totaal 296)

Afstand tot Baflo: 852 kilometer (hemelsbreed)

Aantal hoogtemeters: 826

kaart-4

profiel-4

Zondag 12 juli: Van Matignon naar Pordic.

Het was een zware dag. Met veel kilometers omhoog. Volgens mij meer kilometers omhoog dan naar beneden. ‘Hé’, zie ik je denken. ‘Dat kan toch helemaal niet, natuurkundig gezien?’. Toch is het zo. Alleen in Bretagne.

Via Pleboule komen we weer langs de kust. In de ochtend is het steeds eb en genieten we van de drooggevallen baaien. Ik hou van de zilte zeegeur en de jammerende meeuwen op de achtergrond. Ze zeggen dat geur ergens diep in de hersenen zit. En aangezien ik aan de zee geboren ben, roept deze geur iets heel dieps op. Ik ben het gelukkigst aan zee.


We gaan eerst naar fort La Latte. Eerder stonden we voor een dicht hek. Nu herhaalt de geschiedenis zich. Ze zijn pas om half elf open en dat betekent meer dan een half uur wachten. Dat doen we niet dus we bewaren dit fort voor een latere keer en doen het nu wel met de ‘gewone’ uitzichten.


Daarna Cap Frehel. Deze hebben we de vorige keer links laten liggen. En dat gemis willen we graag goed maken


Het is er prachtig. Het is de winderigste plek van Bretagne maar vandaag houdt hij zich in.  Ik heb wat met vuurtorens en deze is de moeite waard. We lopen helemaal naar het uiterste puntje en kijken over het Kanaal uit. Hier fietsen we tenslotte omheen.


Dit deel van de reis zit vol met herinneringen. We maken koffie op het zelfde plekje als waar we met Lucas en Ria zaten. Lucas was toen al een heel stuk omhoog geklommen toen Ria hem belde dat hier een mooi plekje was. Dat zijn geklommen kilometers voor niets. Maar hij kwam terug en we hebben toen ook genoten van het uitzicht. Helaas kan dat nooit meer want Lucas is er niet meer. De goede herinneringen aan hem blijven. Er is nu een fietspad langs de weg gemaakt. We dalen gelukkig stukken en hebben mooie uitzichten op stranden.


Daarna hebben we af en aan off-road stukken. Dat vind ik altijd lastig fietsen. Maak daarbij steeds de zelfde fout als in de rij bij de supermarkt. Steeds lijkt de andere rijbaan beter, maar als ik eenmaal overgestoken ben, dan lijkt het eerste spoor weer beter.


Het wordt vandaag een lange dag  en omdat op zondag de winkels dicht zijn kunnen we geen boodschappen doen. We besluiten ‘moules et frites’ te eten tussen de middag. Dat moet je op zijn minst een keer gedaan hebben in Bretagne. Het is een klein tentje aan het strand en we moeten onderhandelen om een plekje te krijgen. Het is het waard want we hebben een heerlijk authentieke maaltijd.


Ondertussen is het wel gaan regenen. Niet heel hard maar wel van het niveau ‘jas-aan’. Hiermee vervolgen we onze weg. Bij Les Ponts Neufs zitten we weer op een voie verte. Ze hebben van de oude spoorlijn een fietspad gemaakt. En daarbij hebben ze ook de mooie spoorbrug meegenomen. Het scheelt ons in elk geval een stuk dalen en weer omhoog klimmen.


St. Brieuc is uitgestorven. Het is inmiddels ook na vijven. Waar we nu zitten is een druk, stedelijk gebied. Op zich minder leuk fietsen. De stad ligt aan een monding. Dat betekent eerst steil dalen en daarna weer klimmen om er uit te komen. 

Eigenlijk maken we er een iets te lange dag van. We compenseren wel de kilometers van gisteren maar door het vele klimmen worden we gewoon erg moe. Het blijken uiteindelijk een kleine 1000 hoogtemeters te zijn. Mijn benen zijn in elk geval op. We slepen ons op het laatst naar Pordic. Daar zijn twee campings. De eerste camping accepteert geen tentjes meer. Maar de tweede camping ontvangt ons erg vriendelijk. Ze hebben een mooi plaatsje voor ons. Voor een fietser is hij best wel duur met €20,10. De koude cider compenseert dit gevoel dan weer ondanks dat  deze ook iets duurder is dan de vorige. Maar al had hij € 16 gekost, ik had hem nog genomen. Hij smaakt in elk geval verdiend na deze dag.


Alle uitdagingen zijn nog niet voorbij. Bij het opblazen van de matjes blijkt er een probleem met het ventiel te zijn. Die is erin geschoten. Met wat schudden en schuiven weten we hem eruit te halen. En na wat prutsen zit hij er weer in. Want om na zo’n dag als dit op de grond te moeten slapen is echt niet fijn. 

We eten wat boterhammetjes als avondeten. Daarna douchen en in de kantine zitten omdat er stroom en wifi is. Om 10 uur worden we eruit gegooid. En dat is mooi want we willen inmiddels ook wel horizontaal.

 

Getallen van de dag

Aantal kilometers: 88,5 (totaal 225)

Afstand tot Baflo: 842 kilometer (hemelsbreed)

Aantal hoogtemeters: 958

kaart-3

profiel-3