Pieterpad (5)

Donderdag 16 januari 2020
Van Rolde naar Schoonloo (18 km)

In tegenstelling tot wat ik eerder dacht, kunnen we deze en de volgende etappe nog uitstekend vanaf huis doen. Tussen de begin- en eindplaatsen van de etappes komt elk uur bus 21 langs. We zetten de auto in Schoonloo, laten ons in een kwartier naar Rolde brengen en gebruiken de rest van de dag om terug te lopen naar de auto.

Hunebed D18

Het wordt vandaar een ‘bossige’ dag maar voordat het zover is, moeten we eerst Rolde nog uit. En daarbij vallen we meteen met onze neus in de boter. We komen, net buiten Rolde, hunebed D17 en D18 tegen. En ze zijn duidelijk door verschillende aannemers gebouwd. Waar D18 eruit ziet als een hunebed zoals we ons voorstellen, lijkt het alsof D17 door de Biereco’s is gebouwd.  

Hunebed D17.

Leuk detail van deze hunebedden is dat het markebestuur (zie verderop) deze in 1872 openbaar wilden verkopen als bouwafval maar de Gedeputeerde Staten van Drenthe protesteerde hiertegen. Uiteindelijk zijn ze voor 150 gulden aan het Rijk overgedaan. En dat is maar goed ook want het waren begin 1900 een van de weinige archeologische bezienswaardigheden van Nederland. Ze zijn heel veel bezocht en met name D18 is op heel veel foto’s terecht gekomen.

De route loopt vandaag over het Drents plateau, het land van Ellert en Brammert. Deze twee rovers (ze worden vaak als reuzen weergegeven)  zouden hier geleefd hebben van het beroven en vermoorden van reizigers. Een van de gevangen vrouwen zetten ze voor zich aan het werk en die zorgt, zoals gebruikelijk bij vrouwen, voor de ondergang van de twee. In Schoonoord (niet aan de route) hebben ze hier een mooi toeristisch-economisch model uit weten te maken.

We gaan langs de Koelandsdijk (gemeenschappelijke gronden voor hooi) en over het Rolderdiep. Als we de weg oversteken zien we de restanten van een oude spoorlijn Assen-Rolde (die uiteindelijk tot Gasselternijveen gaat) liggen. Deze is in 1977 geheel opgedoekt en nu pas realiseren we ons dat het wandelpad over de oude spoorlijn loopt.

Over de spoorlijn (die er niet meer is).

Een ander kenmerk van het plateau is dat het nat is. Heel nat. Het is eigenlijk een omgekeerd bord met leem en keien waar het water nauwelijks weg kan. Hierdoor is het lange tijd een geïsoleerd en onherbergzaam gebied geweest. Ideaal voor Ellerts en Brammerts typen. Pas vanaf 1920 is Staatsbosbeheer met de ontginning begonnen. In die tijd waren er nauwelijks bossen in Drenthe. Er werden hier mensen ‘te werk gesteld’ om vakken van 300 bij 300 meter te beplanten met bomen. Zwaar werk dat door landlopers, dronkenlappen en criminelen uitgevoerd werd. Die kwamen bijvoorbeeld uit Veenhuizen waar een prachtig boek en dito voorstelling van gemaakt is. Als je gelegenheid hebt, is het zeker de moeite waard om het Pauperparadijs te gaan bekijken.
Gelukkig hebben we goede schoenen aan waardoor we ons weinig aantrekken van de plassen en de modder maar des te meer genieten van de natuur en de stilte.

Goede schoenen noodzakelijk.

Het Andersche diep is een beekdal waarin het gelijknamige riviertje meandert en gaandeweg het regen- en kwelwater verzameld. Dit stroomt via het Rolderdiep in de Drentse Aa. Het stuk langs de Westerlanden en door de Zondagsbroek is mooi. Het gebied is in pacht uitgegeven en die mensen laten er gedurende een groot deel van het jaar Charolais koeien rondlopen. Omdat deze dieren de neiging hebben om weg te lopen (zou ik ook doen als ik telkens zulke natte voeten kreeg) zijn er wat pittoreske hekjes geplaats wat altijd een mooi fotomomentje oplevert.

Zo denk je de wilde beesten buiten te houden.

Het Andersche diep is een zogenaamd Dotterbloemgrasland. Door de goede kwaliteit van het water bloeit de dotterbloem hier volop. Helaas pas vanaf april dus wij zien voornamelijk verlopen gras en de plantjes zonder bloemen. Ook de Beenbreek, het Duizendknoopfonteinkruid en de Zonnedauw en Moeraswolfsklauw zijn hier in de betere maanden te vinden. Reden genoeg om een keer terug te komen in de zomer.

Geen bloemen, alleen droog gras.

Hier steken we ook het Andersche diep over. Vroeger was hier alleen een doorwaarbare plaats, ook wel een voorde genoemd. Deze term komt nog in veel plaatsnamen voor. Denk aan Coevorden. Het isee n plek waar het water wat minder diep is zodat je over kunt steken. Om te voorkomen dat karren wegzakten in de modder, werden er stenen in het water gelegd. En die hadden ze hier genoeg.

Ook nu kun je hier nog oversteken met behulp van een touw. Erg romantisch maar wij kiezen toch voor het bruggetje dat 20 meter verderop ligt.

Wij geven de voorkeur aan droge fouten.

Wij verruilen de waterige landen voor het bos en komen in boswachterij Gieten. Hier leer ik een nieuw scrabblewoord; compensatiebos. Eigenlijk net zoiets als vliegschaamte maar nu gaat het over land. Omdat de supermarktketen de Spar elders in Drenthe een distributiecentrum bouwde werd hier een sparrenbos (gelukkig bestond er een boom gelijk aan hun naam) geplant ter compensatie. Maar deze sparren zijn een uitzondering want we zien voornamelijk loofbossen. Die hebben nu hun blad op de grond liggen en dat maakt het een stuk lichter dan de donkere sparrenbossen.

Geen compensatiebos voor ons.

We blijven een tijdje in de bossen en komen langs een markesteen die vroeger de grens aangaf tussen de marken van Drouwen en Grolloo. Andere termen in dit verband zijn dingspelen en etten. Ik had in de vorige blog al beloofd hierop terug te komen en deze steen is een mooie aanleiding.

Landschap Drenthe (zoals de provincie vroeger genoemd werd) bestond uit zes dingspelen. Daarom zitten er zes sterren in de vlag van Drenthe.  Een ding was een rechtszitting die, tot 1580, drie keer per jaar werd gehouden. Een dingspel was dus een rechtsgebied. Elk dingspel werd bestuurd door etten. Dit waren vertegenwoordigers van de dorpsbesturen van de marken. Marken waren een soort van collectief van boeren die het gebruik van gemeenschappelijke gronden reguleren. Tegenwoordig zou je dit, denk ik, een dorp noemen. Gemeenschappelijke gronden moet je hier ook al met een korreltje zout nemen. Ook toen was het al zo dat ‘some pigs are more equal than others’ dus het werd niet gelijkelijk verdeeld. Maar het was het meest democratische wat uit de aanwezige feodale organisatie te halen viel.  De marke regelde ook sociale zaken, zoals een dorpsfeest, bijstand en hulpverlening. Pas in 1886 (Markewet) kon men deze lokale bolwerken van macht opheffen. Tegenwoordig hebben we nog het noaberschap wat in de buurt komt van het marke-idee. Een marke was ook een gebiedsaanduiding wat vaak afgebakend werd met een markant punt in het landschap, al dan niet kunstmatig in de vorm van een (grote) steen. Want prikkeldraad hadden ze toen nog niet.

Grensmarkering oud (steen) en nieuw (prikkeldraad).

Via het Meindersveen komen wij op het Grolloërveld. Grolloo zijn we wel met de bus doorheen gekomen maar niet te voet. Jammer, want ik graag even de hoofdstad van de Drentse blues willen zien. Het is de geboorteplaats van Cuby and the Blizzards. Met hun langspeler Groeten uit Grollo (toen werd Grollo nog met één o gespeld) schreven ze geschiedenis van de Nederlandse blues. Het nummer Somebody will know someday staat nog gegrift in mijn geheugen. Mooi om even over te mijmeren op een bankje.

Blues-mijmerbankje.

Ik vind het altijd leuk als je langs de weg ziet waar je mee bezig bent en of je vooruitgang boekt. Wegwijzers, markeringen of andere manier die inzichtelijk maken dat je daadwerkelijk ergens naar op weg bent. Of vandaan loopt. Het is maar hoe je het bekijkt. Langs de Koestukkenweg staat dit bankje. We hebben er nu een zesde van de route opzitten (letterlijk en figuurlijk).

We zijn er bijna…

Nog een woord wat ik niet kende is strubbenbos. Dit is een, meestal eiken, bosje bij een dorp dat hout levert voor dagelijks gebruik zoals ovenhout, gereedschap, palen en meubels. Het wordt ook wel een geriefbosje genoemd. Hier zou je ook andere associaties bij kunnen hebben, maar goed. Vlak voor Schoonloo loopt de route er doorheen. Gelukkig zien we niemand hun gerief halen en lopen we er alleen. Dat brengt ons in Schoonloo.

Bosje voor uw gerief.

Schoonloo heeft niets met de propere mensen die er wonen te maken. Schoon betekent in dit verband kaal of leeg. En loo staat natuurlijk voor bos. Dus het was van oorsprong een bos met een droge, kale bodem. Gelukkig is er nu Café Hegeman. Niet alleen kun je hier de auto mooi parkeren, je kunt er ook een droge en dorstige keel lessen. Tegenover het café staat de Trekkerskei. Deze kei, van 25 ton, werd in 1966 bij de ruilverkaveling gevonden en stond eerst in Rolde. Nu dus hier. Waarom en hoe heb ik niet kunnen vinden. Schoonloo is, tot mijn verbazing, ook de plek waar een enorme zoutkoepel onder de grond ligt. Maar daar zien we niets van want er is nog nooit wat aan ontginning gedaan. Verder is er niets in Schoonloo wat ons overtuigt om te blijven. We strepen deze etappe af en keren weer huiswaarts.

De trekkerskei in Schoonloo.

Pieterpad (4)

Dinsdag 7 januari 2020
Van Zuidlaren naar Rolde (18 km)

Het dreigt één dag mooi te worden deze week en dat is vandaag. Een uitstekende reden om nog een etappe van het Pieterpad te lopen. Het is de laatste keer dat we vanuit huis in één dag op en neer kunnen gaan. Hierna gaan we waarschijnlijk meerdere etappes aaneengesloten doen met een overnachting tussendoor. Maar zo ver is het nog niet. Eerst naar Zuidlaren en dat doen we onwaarschijnlijk snel. Daarom lopen we om kwart over negen al over de Brink in Zuidlaren. Deze keer nemen we iets meer tijd om dit dorp te bekijken.

Zuidlaren is onder andere bekend van de Zuidlaardermarkt oftewel de paardenmarkt. De grootste van Europa. Al in de 13e eeuw werd deze gehouden maar de eerste geschreven vermelding is pas in de 17e eeuw te vinden. De markt is op de derde dinsdag in oktober en er komen rond de 150.000 mensen en 2000 paarden, die hier verhandeld worden. (De paarden dan, niet de mensen.)  Reden genoeg om er na 800 keer een standbeeld voor neer te zetten en als je het Pieterpad loopt, kun je er nauwelijks omheen.

Zuidlaren is ook bekend van Berend Botje van het gelijknamige kinderliedje. De route van het Pieterpad loopt er niet langs maar we lopen er graag een stukje voor om want zijn monument staat ook in Zuidlaren. We zien een beetje een sullig Popeye-achtig figuurtje.

De algehele stelling is dat Berend Botje eigenlijk de zeeheld Lodewijk van Heiden is die uit Zuidlaren kwam, en op zijn 9e al op zee zit. Toen ik 16 was sleutelde ik voornamelijk aan mijn brommer en droomde van meisjes maar hij wordt op zijn 16e een luitenant ter zee. Als hij 22 is, komt hij in dienst van de Russische Tsaar en wordt bevelhebber over de Russische vloot. In een van de laatste zeeslagen met zeilschepen weet hij de Grieken te helpen tegen de Turken. Ze waren zo blij met hem dat hij zelfs een eigen Griekse postzegel krijgt. Na al die veldslagen was hij wat moe en keerde terug naar Zuidlaren waar hij met zijn bootje regelmatig op het Zuidlaardermeer te zien is. Maar Drenthe blijkt toch wat te landelijk voor hem. Iets wat ik me goed kan voorstellen als je zeeslagen gewend bent. Hij vertrekt naar Amerika, net zoals het versje verhaalt. Uiteindelijk gaat hij naar Talinn (Estland) waar hij ook zijn laatste adem uitblaast. Al met al doet het beeldje in Zuidlaren hem weinig recht vind ik.

Als we Zuidlaren uitlopen komen we ook langs Dennenoord. Eind 19e eeuw werd hier een tehuis ter verzorging van Krankzinnigen en zenuwlijders gesticht. Hier zitten de mensen met glanzende amygdala’s en overspelige dendrieten. Ze werden verzorgd in een soort van gezin met een surrogaat vader en moeder. En natuurlijk mochten ze niet van het terrein. Er stond een groot hek omheen en de bewoners kregen bepaalde kleding zodat je ze meteen als gekken kon herkennen als ze ontsnapt waren. Daarom was het gesticht ook zelfvoorzienend. Niemand hoefde weg.

Ik heb nooit geweten dat het zo groot was. Het bestaat uit meerdere paviljoens, een watertoren en een heel park erbij. We lopen er dwars overheen en kunnen een paar van de bijzondere gedichten lezen die hier hangen. Waarschijnlijk geschreven door bewoners van het park. Ook zien we een beeld dat we meteen als een Anita Franken herkennen. Anita kenden we van het sporten en omdat ze bij ons 25-jarig huwelijk een beeldje van ons gemaakt heeft. Hier staat een wat groter beeld ter nagedachtenis aan de helletocht aan het einde van de Tweede Wereldoorlog. Toen werd het hospitaal gevorderd door de Duitser en moesten de patiënten via een helse reis naar Franeker. Velen overleefden het niet.

Vandaag zitten we veel in de natuur. Als we Zuidlaren en Westlaren verlaten komen we in de bossen en over de heide en zien we tot Rolde nauwelijks meer bebouwing. Om onze tocht wat op te luisteren hebben Mevr. Van der Veeke en ik elk een eigen missie op ons genomen. Ik zou graag de bomen willen herkennen maar dat is in dit jaargetijde knap lastig. Mevr. Van der Veeke wil graag vogelgeluiden herkennen maar bij wat research blijkt dat de vogelpopulatie grofweg voor 50 procent uit eenden bestaat en voor de andere helft uit meeuwen. Die moeten te herkennen zijn, lijkt me.

De Drentse Aa heet hier inmiddels het Schipborgse diep en we zien hem hier mooi kronkelen door het landschap. Iets verderop komen we ook nog over het Anlooër diepje, een zijbeek van de Drentse Aa maar je zou mij ook goed kunnen wijsmaken dat het de Drentse Aa is. In juni schijnen hier orchideeën te bloeien maar nu zien we alleen maar zompig gras.

Het Pieterpad loopt over de Gasterse duinen. Heel vroeger was dit allemaal heide en vennen maar door overbegrazing en druk verkeer (!) is het stuifzand geworden. De wielen van de karren reden de heide stuk waardoor het zand omhoog kwam en de meeste vennen gedempt werden. Als ik hier loop, dan waan ik me in het verleden. Volgens mij moeten de mensen toen hetzelfde gezien hebben als ik. Alleen heide, zand, karrensporen en geen tekenen van beschaving. Het is prachtig hier.

Klik op de foto om hem groter te zien.

Als we de duinen verlaten komen we hunebed D10 tegen, vlak boven het dorpje Gasteren. Het hunebed werd tijdens de renaissance Duyffelskutte, ’s Duyvels Kut of De Kut van de Duivel genoemd. Nou ja, het is maar waar je opgewonden van raakt. Het hunebed is niet compleet want er missen twee dekstenen.

Gasteren is wederom een esdorp met een centrale brink en bestaat slechts uit een paar huizen. We hopen even binnen te kunnen zitten met een bakje koffie maar helaas. De pannenkoekenboerderij is door de week gesloten.

Daarom gaan wij door naar het Balloërveld. Dit is een groot stuk woeste heide van 367 hectare. Vroeger werd dit al bewoond en archeologisch gezien is hier een hoop te doen. Er zijn 40 grafheuvels uit de late steentijd, bronstijd en ijzertijd, urnenvelden en een raatakker (celtic field). Veel later is het een tijdje (1918-2006) gebruikt voor legeroefeningen en de zandpaden waar de tanks over reden liggen er nog steeds. Het is hels zwaar lopen door dat losse zand en we worden er best moe van. Gelukkig hebben we genoeg afleiding van het landschap met vennen en een pingoruïne. Pingo’s zijn heuvels die ontstaan omdat het ijs de bodem omhoog duwt. In Alaska en Groenland kun je ze nog in het wild vinden. Als het ijs smelt, zoals hier in Nederland al lang geleden gebeurt is, dan zakt de heuvel in en ontstaat er een kratervormig meertje. Tegenwoordig wordt het Balloërveld bewoond door Drentse heideschapen, het enige Nederlandse ras met hoorns. En er schijnen ook wat hooglanders rond te zwalken, maar beide zien we niet.

Het torentje van Rolde komt al in zicht als we weer een archeologische locatie tegenkomen. Tenminste zo lijkt het. Het zijn veel grote stenen in een cirkelformatie. Maar het is helemaal niet oud. Het is van deze tijd. Een kunstwerk als markering van het Pieterpad.  Bedenker van dit markeringsteken is Pieterpad-wandelaar Jilles Bodegom uit Assen. De uitvoerder van het idee is kunstenaar Arie Fonk uit Rolde, hij gebruikte er zestig zwerfkeien voor, die samen goed zijn voor veertig ton. De grootste steen, met daarop de afstanden tot Pieterburen en de Sint Pietersberg in Maastricht, weegt zes ton. De kei is aan de rand van het Balloërveld bij Gasteren opgegraven. In de steen zit een plaat waarop staat hoever het wandelen is naar de Sint-Pietersberg in Maastricht en naar het Groningse Pieterburen.

Hierna is het nog een klein stukje naar Rolde. De route loopt eigenlijk ten noorden van Rolde langs, maar wij gaan naar het centrum om de bus te pakken. Rolde is een van de zes dingspelen, maar daarover later meer. Rolde schijnt ook het dorp van Bartje te zijn, maar hier is weinig van te zien. We nemen de bus naar Assen en komen daar wel Bartje tegen als we naar het museum lopen. Het is een beeldje met gewelddadige geschiedenis. Het origineel is van steen maar dat bleek erg kwetsbaar. Daarna is er een bronzen versie gemaakt die meerdere malen van zijn sokkel geroofd is, met name door oudejaarsverenigingen.

In Assen nemen we nog even een kijkje in het Drents museum. Daar is tot 22 maart 2020 een tentoonstelling van kunstenaars die het Drentse landschap hebben geschilderd. Het is extra leuk om dit te zien omdat we zojuist door dit landschap zijn gelopen. Veelal werd het liefelijke plattelandsleven weergegeven. Je moet je dan voorstellen een herder of, nog liever, een herderinnetje die op een landerige voorjaarsdag wat schapen hoedt op een bloemrijk veld. Topstuk is een schilderijtje van van Gogh die juist de andere kant liet zien. Het was een hard en zwaar leven op dit schrale platteland. Als je in Assen de bus of trein pakt, dan is het zeker de moeite waard om deze tentoonstelling nog even mee te nemen.

Pieterpad (3)

Zondag 29 december 2019
Van Groningen naar Zuidlaren (21 km)

De weermannen hadden beter beloofd, het blijkt vandaag toch een koude, grijze dag te zijn. Mutsenweer. Maar goed, wel droog, dus eigenlijk prima om te lopen. We zitten nog steeds op bekend terrein als we Groningen uit gaan. Dit gaat voornamelijk langs de Drentsche Aa, die hier nog het Hoornse diep heet. Dat is dit meanderende riviertje, dat voor de afwatering van het Drents Plateau zorgt, wel gewend want in Drenthe krijgt het bij elk dorp een andere naam en is bekend onder Anreeper Diep, Deurzer Diep, Looner Diep, Taarlose Diep, Oudemolense Diep, Schipborgse Diep en Westerdiep. What’s in a name, zullen we maar zeggen?

Het Groningse deel van deze rivier is niet natuurlijk gevormd, maar gegraven. Ik had me dit nooit gerealiseerd maar een aantal namen in de stad zijn afgeleid van dit riviertje. Je ziet dit in het Hoge- en Lage der A (in de loop der tijd is er een ‘a’ afgevallen) en natuurlijk de A-kerk. Ook zijn delen opgenomen in het Noord-Willemskanaal dat sinds 1861 Groningen een waterweg verbinding geeft met de rest van Nederland.

Wij meanderen lekker mee langs het Hoornse meer. Dit is ontstaan toen men zand nodig had voor de aanleg van snelwegen en een nieuwbouwwijk bij Groningen. Daarna is het een recreatiegebied geworden. Bij mooi weer ligt half Groningen aan de Hoornse Plas te bakken en te braden. Even tikken we het Noord-Willems kanaal aan en daar zien we de Clio toren, een van de 9 stadsmarkeringen van Groningen. Deze geeft de oudste toegangsweg naar Groningen aan. Elke automobilist die Groningen nadert ziet hem. ’s Avonds branden een aantal vlammen, naargelang de dag in de week. De 1040 slaat op het geboortejaar van Groningen en licht elke avond om twintig voor elf (ja…valt het kwartje?) op.

Wij volgen de Aa verder en komen bij het gehucht Nijveensterkolk. Inmiddels is het Hoornse meer het Paterswoldse meer geworden. Deze laatste is ontstaan in de 17e eeuw door de afgraving van veen. Het schutsluisje maakt het mogelijk om van het Paterswoldse meer naar het Noord-Willemskanaal, en dus de rest van Nederland, te komen. Het geheel is in 1927 aangelegd en geeft een mooi zicht op de poldermolen de Helper. Dit was niet de oorspronkelijk plaats van de molen. Hij zorgde ooit voor de (vijzel) bemaling van de polder Helpman, ten zuiden van Groningen, dat nu een woonwijk is. In de jaren zestig van de vorige eeuw was dat niet meer nodig en zat hij in de weg voor de A28. Toen hebben ze hem hierheen verplaatst.

Bij Haren steken we het Noord-Willemskanaal over en verlaten we voorlopig even de Aa maar niet het water. We lopen tussen de Wolddelen door waarvan Sassenhein wel de bekendste is. We hopen bij Saskia en Hein een koffie te kunnen scoren maar ze zijn helaas dicht. Gelukkig staan de terrasstoelen er nog wel en kunnen we met een fraai uitzicht toch een eigen bakje drinken.

Inmiddels hebben we de Groninger klei verlaten en komen meer in de zanderige gebieden van de Hondsrug. Deze verhoging tussen Emmen en Groningen is ontstaan in de voorlaatste IJstijd en liep heel vroeger door tot Baflo. Het is geen stuwwal omdat hij in de lengte ligt. Waarschijnlijk was het een spleet in de gletsjer die over het land schoof en zo ruimte gaf voor een verhoging. Je loopt er iets hoger mee in het landschap maar voor ons betekent het met name zand onder de schoenen en dat loopt wel lekkerder dan asfalt.

We worden niet alleen geboeid door de oude tijden. Ook van de nieuwere geschiedenis is genoeg te zien onderweg. De spoorbrug bij Onnen lijkt wel gemaakt van meccano. In 1870 werd het spoor aangelegd tussen Groningen en Assen. In 1920 kwam hier een groot rangeer terrein en werd deze brug gebouwd. Zo zie je ze tegenwoordig niet meer. Grappig detail is dat je in de brug nog kogelgaten kunt vinden die de Engelse Spitfires erin schoten in de Tweede Wereldoorlog.

Het leuke van wandelen is dat ik nu op plaatsen kom waar je niet met de auto en de fiets komt. We gaan eerst door de Appélbergen, een voormalig militair oefenterrein maar nu een natuurterrein met veel flora en fauna. Het schijnt dat je hier nog de adder tegen kunt komen. Het is een populair wandelgebied en het is er druk op deze zondag. Iedereen wil er na de kerstdagen nog even uit. Daarna komen we door het Noordlaarderbos. Soms zeggen ze dat het leven een tranendal is. Nu weet ik waar dat dan precies is..

We verlaten bijna de provincie Groningen maar op de valreep pikken we nog wel even het enige ‘wilde’ Groninger hunebed mee. Deze heeft de naam G1 en is de meest noordelijke van alle hunebedden. Later is er nog een in Delfzijl (G2) gevonden maar die is opgegraven, getemd en in het zeeaquarium in Delfzijl gezet. Vermoedelijk zijn er meer geweest maar zijn de stenen hiervan voor andere doeleinden gebruikt. Als ze te groot waren om te verplaatsen, werden ze opgeblazen. Gelukkig hebben we G1 nog en het is een fraaie representatie van hun soort. Hij ligt mooi in een verhoogd bosje omgeven door akkers.

Over hunebedden valt een hoop te vertellen maar Wikipedia kan dat veel beter. Wat ik wel grappig vind is dat de kennis van de hunebedden vrij recent is. Tot in de 19e eeuw was men nog in de veronderstelling dat ze door een reuzenvolk, de Huynen, gebouwd waren. Want gewone mensen konden die stenen echt niet tillen. En ze werden bewoond door Witte Wieven. Deze theorie werd met name door Dominee Picardt uitgedragen. Pas later, toen de archeologie zich meer ontwikkelde, kwamen we tot de inzichten van nu en kwamen er ook betere theorieën over de bouw.

Vlak voor Zuidlaren komen we onze eerste Drentse hunebedden tegen. Deze liggen vlak langs een huis. Wisten zij veel dat ze dit op een prehistorisch kerkhof bouwden? Een gietijzeren bordje wijst de weg naar een kermis van stenen. Het Trechterbekervolk bouwde ze zo’n 5000 jaar geleden. Ze heten zo omdat ze gebruik maakten van trechtervormige bekers. Ik vraag me af hoe ze ons over 5000 jaar noemen? Het smartphonevolk?  Of het vervuilersvolk? We zullen het nooit weten.

Alhoewel de hunebedden nu open ruimtes lijken, waren ze vroeger bedekt met modder. Ik blijf het indrukweekend vinden om zoveel grote stenen bij elkaar te vinden. Deze zwerfstenen zijn in de IJstijden hierheen geduwd vanuit Scandinavië en sommige mensen vinden dat ze terug naar hun eigen land moeten. Ze gaan hierin zover dat ze deze zelf terugbrengen.

We zijn nu bijna bij Zuidlaren maar voor die tijd hebben we nog een leuke geocache. Voor wie niet weet wat dit is; Mensen verstoppen een ‘schat’, publiceren de coördinaten op internet en andere mensen kunnen hem dan opzoeken. Deze geocache heeft een leuke puzzel die je op moet lossen om bij de schat te komen. Door het ruiken aan potjes en de bijbehorende cijfers in de juiste volgorde te zetten, kun je het slotje open maken.

Zuidlaren is een esdorp. Oorspronkelijk waren dit een paar boerderijen rondom een open plek, de brink. Hier kon het vee staan, werden markten en bijeenkomsten gehouden en had een dobbe, een vijver waarin de dieren konden drinken. Zuidlaren is een mooi voorbeeld hiervan want hier zijn maar liefst zeven brinken. Vandaag zien we er niet veel van want als we gaan kijken hoe laat de bus naar Groningen gaat, komt hij er net aan. Zonde om te laten lopen want op zondag gaat hij maar één keer per uur. We nemen ons voor om Zuidlaren wat meer aandacht te geven bij de start volgende etappe, want hij eindigt nu wat abrupt. Wel zijn we blij dat de benen even kunnen rusten. Het was weer een mooie wandeldag van het Pieterpad.