Porto

Clearly, then, the city is not a concrete jungle, it is a human zoo. – Desmond Morris

Dag 64 en 65:

We blijven twee dagen in Porto. Het is een leuke stad, ik zou hier kunnen wonen, zo gezellig is het hier. Mooie gebouwen, leuke straatjes en pleintjes en heel veel cafés, koffietentjes en restaurants. Het is gebouwd tegen de oever van de Douro, die soms steil omhoog gaat. Soms is dat flink klimmen. Onze Airbnb zit op 10 minuten lopen van het centrum. We hebben een aantal dingen op ons lijstje om te bekijken. Niet alles lukt en de kerken geven nog steeds wat allergische reacties, maar alle andere dingen zijn de moeite waard. De hoofdmoot van vandaag bestaat uit een ‘Streetart trail’, die we geboekt hebben.

Maar eerst lopen we het centrum in en kijken bij de Lello, die als een van de mooiste boekwinkels van Europa bestempeld wordt. En wij zijn niet de enigen die dat weten. Om er binnen te kijken moet je tegenwoordig een kaartje (€5) kopen en zelfs ’s ochtends staat er al een flinke rij. Ik hou van lezen, maar niet van rijen.

Een andere prominente zaak is Belle Epoque Café Majestic. Ontworpen door de architect Joao Queirós. Het was de stamkroeg van intellectuelen , kunstenaars en schrijvers. Het is een tijdje gesloten geweest, maar nu weer open. Er schijnen veel beroemdheden te komen. En als ik naar prijzen kijk, dan zijn dat ook de enige mensen die dat kunnen betalen.

Verder drinken we koffie met een pastel de nata, een typisch Portugees gebakje.

En als lunch eten we een Francesinha bij cafetaria Santiago. Een broodje dat vergelijkbaar is met de Nederlandse kapsalon. Het bevat meerdere lagen, verschillende soorten vlees, een gebakken ei en gesmolten kaas. Het wordt geserveerd met friet en de precieze ingrediënten verschillen van cafetaria tot cafetaria. Het geheim zit hem in de saus. Ik moet zeggen dat het een lekker broodje was en het voordeel heeft dat je de rest van de dag geen trek meer hebt. Dat mag ook wel met ongeveer 1100 kcal per broodje.

Hierna zijn we helemaal klaar voor de rondleiding door Miguel. Hij leidt ons gedurende een drie uur durende wandeling door Porto waarbij de nadruk op de street-art (graffiti) ligt. Hij laat ons mooie plekjes zien en weet veel interessante details te vertellen over de ‘stukken’ die we bekijken. Over de strijd van de gemeente tegen de graffiti-makers. Dat dachten ze op te lossen door er een aantal in dienst te nemen maar dat gaf weer tussen de makers onderling problemen. Veel stukken worden op dichtgemetselde deuren en blinde muren gespoten. Geen probleem lijkt me. En sommige zijn gewoon kunstwerkjes.

Voor, na en gedurende de tour komen we door mooie stukken van Porto. Hieronder een selectie van de foto’s.

Verder boeken we een ticket voor de hop-on-hop-off bus. Die valt wat tegen. Door het drukke verkeer in Porto staat hij meer in de file dan dat hij rijdt. De informatie die je via de koptelefoon krijgt is minimaal en er is gewoon veel meer te zien als je loopt.

Maar het kaartje is inclusief een boottocht op de Douro en een bezoek aan een Port-huis. Dat doen we de volgende dag.

De boottocht op de Douro lijkt wat suf maar het is lekker uitrusten en je ziet Porto vanaf een andere kant. We gaan onder zes bruggen door waarvan vier betonnen en twee mecano bruggen. De ene is ontworpen door Eiffel (ja, die van die toren in Parijs) en daar gaan de treinen overheen. Later mocht een leerling van hem,Teofilo Seyrig, het overdoen met een twee-laags brug. Onderop rijden de auto’s en bovenop de wandelaars (en voorheen de trams).

Daarna gaan we een van de port-huizen (Calem ) bezoeken. We krijgen een rondleiding en ik moet zeggen dat ik een hoop nieuws geleerd heb over port. Het is fascinerend om te zien hoe ze die grote houten vaten (je kunt er een auto in parkeren) maken. Ze gaan ongeveer 120 jaar mee en daarna worden ze vernietigd of ze gaan naar Schotland om whiskey in te laten rijpen. Ook worden de verschillende soorten port toegelicht, waarom ze verschillen en hoe je ze zou moeten drinken (met je mond…). Aan het einde krijgen we een proeverij met twee glazen. Ik heb het geluk dat een aantal mensen naast me geen port lust en sla er dan ook meer dan twee achterover.

Het lopen gaat hierna wat moeilijk, zeker als we naar het hoger gelegen Porto terug moeten. Gelukkig geldt het kaartje van onze hop-on-hop-off bus nog en zo laten we ons in het centrum afzetten. Aan het eind van de middag zijn we weer thuis en kunnen we wat uitrusten. Tenslotte gaan we morgen weer op de fiets. Porto is mooi. Ik kom zeker nog een keer terug.

Sjoemelen

Wise choices can put us in control of situations where we might otherwise be tempted to compromise our principles. We cannot control all that happens to us; however, we can choose to be in control of our responses.  – L. Lionel Kendrick

Dag 59:

Ondanks dat we de camino afgesloten hebben, doen we vandaag toch nog een stuk Santiago route. Het is eigenlijk de heen route, vanuit Santiago, naar Finisterre, maar dan in omgekeerde richting. Vanuit Ponte Olveira is het eerst een klein stukje klimmen. En dan een kilometerslange afdaling naar Noia. Van dit kustplaatsje wordt gezegd dat de ark van Noah hier in de baai eindigde. Vandaar de naam. Als hij dat nu zou doen, dan weet ik zeker dat hij meteen de trossen weer los zou gooien want het deel van Noia waar wij doorheen komen is vervallen en verwaarloosd. Maar ze schenken er wel een goede koffie, dus wij leggen wel even aan.

Want hierna komt een lange klim. We zitten op zeeniveau en moeten naar 400 meter. Gelukkig is het een geleidelijke klim en daarna hebben we weer een lange afdaling naar Padron.

Padron is een halteplaats voor de Portugese camino. En ook hier zien we de Santiago relieken weer langs komen. We komen langs de Fuente del Carmen, een fontein met een afbeelding van het onthoofde lichaam van Jacobus in een bootje. De paal waar dit bootje aangemeerd zou hebben ligt in Padron. Zeggen ze. En de originele paal(= Padron, vandaar de naam) staat in de kerk, onder het altaar. Zeggen ze. Daar nemen we ook even een kijkje. Er zit ook een stempelgrage meneer, maar wij doen niet meer aan stempels.

Het is weer een lange dag met veel kilometers en hoogtemeters. Dus het laatste stuk slepen we ons, en met name Mevr. van der Veeke, naar Pontevea. We eten eerst nog een uitstekende maaltijd bij pizzeria la Mama. Hier heb ik de hele avond en nacht nog plezier van vanwege een verkeerde garnaal. Ik blijk een kamer geboekt te hebben in een kuuroord met de uitstraling van het hotel van Norman Bates. Want we lijken weer de enige gasten te zijn. Maar wel mooi en luxe. En met verplicht uitslapen, want het ontbijt wordt pas vanaf 9 uur geserveerd. Ik ben er nog niet uit of dit nu een voordeel of een nadeel is. Dat weet ik morgen pas.

Dag 60:

De dag begint met een conflict. Tussen het hoofd en het hart, de logica en het gevoel. De afgelopen dagen hadden we al steeds veel hoogtemeters. En als ik naar het hoogteprofiel kijk van de komende dagen, dan wordt dat niet anders. We gaan vijf heuvelruggen kruisen. Daarnaast is het een, voornamelijk, stedelijk overbruggingsstuk waar we doorheen moeten om bij de kust te komen. Mevr. van der Veeke ziet dit allemaal niet zitten en komt met de suggestie om een taxi te bellen. En daar is niets tegenin te brengen als ik naar de argumenten kijk. Toch zegt het gevoel dat dit sjoemelen is. Het is tegen onze principes. Dit doen we (bijna) nooit. En zeker niet in deze hoeveelheid.

Twee uur later zet een taxi ons, de fietsen en de fietstassen bij Baiona eruit. 120 kilometer verder en aan de kust. Het kost €150 euro maar het scheelt 3 dagen klimmen, een muitende vrouw, zeven ruzies en ongeveer tweeduizend dodelijke blikken. Het is alsof we naar een ander universum getransporteerd zijn. Hier hangt de bekende Spaanse strandstemming. Het weer is warmer, de mensen vrolijker en de stemming opperbest. De beste investering ooit.

Er ligt een mooi fietspad langs de kust. We ruiken de zee en zien de branding opspatten. De meeuwen krijsen. Heel anders dan de Camino, alhoewel hier de Portugese Camino langs loopt. We fietsen een stuk langs de kust en als we een camping zien liggen, is de verleiding te groot. Het tentje mag eindelijk weer uit de zak en we loungen een middag met uitzicht op zee. Hier word ik betoverd door de golven en de branding. Uren kan ik er naar kijken. Het verveelt nooit. Als ik oud ben, neem ik een tiny-house aan zee. Overdag kijken naar de golven, ’s avonds staren in het vuur.

Ik had gedacht dat het hier drukker zou zijn, maar we zijn weer de enigen op de camping. In de cafetaria willen we ‘s avonds wat gaan eten. Het lijkt wel of we in Fawlty Towers terecht zijn gekomen. Met moeite kunnen we een dikke puber van zijn game-computer losweken. Hij moet tenslotte toch het eten voor ons maken. Dat wordt even respectloos behandeld als wij. De wortelsoep is net zo slecht als eerder deze reis. Maar de hoofdmaaltijd is redelijk. Kippenpootjes, groene pepers en patat. We moeten weer even in het ritme komen van boodschappen doen. Ik hoop morgen weer zelf te kunnen koken. In de tent vallen we in slaap met het geluid van de branding. Een beter slaapmiddel is er niet.

Dag 60:

Weer een dag vol verrassingen. We blijven de kust volgen en komen eerst in het prachtige dorpje Oia. Vanaf hier houden we de zee rechts. Het pad volgt soms een fietspad naast de grotere weg. Maar hele stukken zitten we ook op de Camino en is het gravel of steenslag.

Bi A Guarda steken we over naar de andere kant van dit schiereiland. Dat betekent een klein stukje klimmen. In Camposancos gaat de pont die ons naar Portugal moet brengen. Maar als we daar komen, blijkt dat deze op maandag niet vaart. Gelukkig is er een camping vlakbij. Daar maar wachten op morgen. Hebben we zomaar weer een rustige dag. Maar op weg naar de camping drink ik nog even koffie in een kroegje. De barkeeper is een gezellige, behulpzame man die ons wijst op een service dat je met een bootje overgezet kunt worden. Hij belt voor ons en een half uur later laden we de spullen in een motorbootje.

In een kwartier zijn we aan de overkant, in Portugal. En dat voor €10. (de pont zou €7 gekost hebben). Ik weet nu niet of we legaal of illegaal in Portugal zijn maar zolang we niet aangehouden worden, is het goed.

In Portugal is het even zoeken naar de weg. We hebben geen fietsroute, maar ik heb een eigen route samengesteld uit tochten van andere mensen. Deze leidt ons eerst het bos in. Gelukkig kunnen onze fietsen daar tegen alhoewel het wel wat zwaarder fietst. Daarna komen we op de Ecovia do Atlantico. Dit is een fietsroute die met Europees geld aangelegd wordt. Sommige delen zijn klaar en sommige stukken niet. En dan houdt het fietspad ineens op. Met die route en mijn track gaan we de komende dagen richting Porto. Maar voor vandaag vinden we het bij Gelfa genoeg en zoeken we camping Sereia da Gelfa  op.

De receptie is een en al marmer en goud, dus ik verwacht er heel wat van. Maar ik denk dat na de receptie het geld op was want de camping valt wat tegen. Hij is voornamelijk bevolkt door caravans die eens hebben kunnen rijden, maar nu uitgebouwd zijn tot woonschuren en er staan enorme tenten waar meerdere generaties permanent lijken te wonen. Kortom het doet meer aan als een vluchtelingenkamp dan een luxe camping. Iets buiten deze pittoreske setting weten we toch een rustig plekje te vinden. De andere faciliteiten bevestigen echter het beeld; het zwembad is gesloten, net als de bar, ondanks dat de deuren open staan en er voldoende personeel rondloopt. Niemand wil me een biertje verkopen.

Gelukkig hebben we daarop geanticipeerd en hebben we in Spanje nog anderhalve liter Sangria gekocht. Moest er wel een eind mee fietsen, maar het was elke kilometer waard. Bij de tent koken we een maaltijd van bonen, gehaktballetjes en mais. Een heerlijk maal na al die menu’s de Peregrino.

Dag 61:

Vandaag moeten we wennen aan Portugal. Maar misschien moet Portugal ook aan ons wennen. Wij zijn het meest verrast door de route. We zijn gewend uitgezochte routes te fietsen. Dan zijn er weinig verrassingen. Je weet dat de weg te fietsen is, dat je ergens uitkomt en als het steil wordt, dan kun je dat lezen in de beschrijving.
Nu rijden we een eigen route en die heeft een eigen wil. Wegen die als weg op de GPS staan, blijken karrensporen met vuistdikke stenen te zijn. Stippelpaadjes zijn vaak wandelpad maar hier zijn het prachtig aangelegde fietspaden. Soms moeten we door het zand duwen en soms zijn het geitenpaadjes waar je langs komt. En dan hebben we nog te maken met het feit dat heel veel wegen hier gewoon met kinderkopjes bestraat zijn. We stuiteren vandaag heel wat af en ’s avonds op de camping kijk ik eerst of ik al mijn vullingen nog heb.

Maar los van dat gestuiter zijn er ook prachtige routes over vlonders door de duinen en fietspaden langs de boulevards.  En we hebben het geluk dat we op een oude Romeinse weg zitten en lopend over een brug van stenen mogen. We zien hele mooie dingen van Portugal. Viano do Castello is een prachtige stad met een mooi centrum. De kerken zijn hier heel anders dan in Spanje met meer Moorse invloeden. We zien betegelde huizen en komen door kleine dorpjes. Kortom, we zijn de hele dag bezig met dik 50 kilometer maar zijn hier heel voldaan over.

Misschien moest ik aan Portugal wennen, maar met de Portugezen is goed om te gaan. Het is een aanraak-graag volk.Een hand op de schouder, even de arm aantikken. Er gaat een bepaalde warmte en intimiteit vanuit. Ze spreken vaak ook redelijk Engels of Frans en zijn minder xenofoob dan de Spanjaarden.

De campings zijn nog steeds erg rustig en we hebben alle keus voor een mooi plekje. Bij de tent koken we weer een maaltje. Af en toe sputtert het maar tussen de druppels door kunnen we alles warm krijgen en opeten. De camping heeft een doorgang naar het strand en voor het eerst deze vakantie staan we met de blote voeten in de Atlantische oceaan. We kunnen maar een conclusie trekken: het was een mooie dag vandaag.

Dag 63:

Vandaag fietsen we naar Porto. Het is weer een stuk langs de kust. Die verveelt eigenlijk nooit. We komen weer door authentieke vissersdorpjes, fietsen veel langs het strand en vaak over houten loopbruggen waar ook de camino over loopt.

Afwijkend is wel dat we met regen opstaan. Vannacht heeft het geregend, maar ook vanochtend tikte het nog op de tent. Wel kunnen we droog ontbijten maar als we onderweg zijn, miezert het nog steeds. Dat lossen we op door een koffie te doen bij een strandtent. Daarna is het droog en gedurende de middag begint zelfs de zon weer te schijnen.

In een klein dorpje stoppen we bij een bijzonder restaurantje. De abuelo (grootvader) staat op een bbq de vis en het vlees te bakken. Tweelingzussen bedienen. Ik kan ze alleen uit elkaar houden omdat de een bril draagt en de ander niet. En ze doen dit met een zekere flair. We eten uitstekend met vis die zojuist uit de oceaan gehaald is. En omdat we de tafel delen met een Portugese Duitser komen we veel te weten over de gebruiken.

Povoa de Varzim is een grote badplaats vergelijkbaar met Katwijk aan zee. Een boulevard, strand met strandtentjes en veel winkeltjes. Maar hier hebben ze prachtige tegeltableaus. Ik dacht dat wij er wat van konden met ons Delfts blauw maar hier zie ik ze nog veel mooier.

Vila do Condo is een heel oud stadje dat we even in fietsen. Het oude centrum, bij de haven, is inderdaad mooi maar door de totale constipatie met auto’s (zoals in veel Portugese steden) verliest het veel van zijn charme. Iets verderop moeten we een heel stuk omfietsen omdat de route langs de zee is afgesloten. In Portugal doen ze niet aan het aangeven van omleidingen en we moeten onze eigen weg zoeken. En naar het binnenland gaan betekent automatisch klimmen. Een zweterig stukje.

Iets voor Porto, in Leixoes, moeten we de inham Rio Leca oversteken. Er zijn twee bruggen. Een kleinere weg met een fietspad en de snelweg. Natuurlijk willen we de eerste maar die brug staat open en lijkt voorlopig ook niet dicht te gaan. Dan maar via de snelweg. Dat blijkt een stressvolle onderneming te zijn op een strook van minder dan een meter terwijl het verkeer met 120 km/uur langs je heen raast. Als we erop zitten, blijkt aan de andere kant van de vangrail een looppad te zijn. Gevoed door de stress til ik de fietsen (ongeveer 50 kg met bagage) erover heen. De komende dagen herinnert mijn rug eraan dat dit geen handige actie is.

Ook Porto in fietsen is geen feest. Grote, drukke wegen met veel verkeer dat geen enkele rekening houdt met fietsers. Die laatste paar kilometers slopen me volledig en ik ben blij als we bij onze Airbnb aankomen. Een mooi hostel met veel faciliteiten maar wel met een prive-kamer. Alleen jammer dat we weer op de bovenste verdieping zitten. Dit betekent dat we alle bagage zes trappen omhoog moeten sjouwen. In de hostel is het gezellig met andere reizigers, waar we samen mee eten. Het kon minder.

Santiago en het einde van de wereld.

Wat voor een rups het einde van de wereld is, is voor een vlinder het begin.

Nu we in Santiago zijn, lijkt het me goed een klein beetje historie te geven over deze pelgrimsreis. Onderstaande informatie heb ik uit het boekje van Clemens Sweermans, de maker van de routeboekjes.

St. Jacob was naar Spanje geweest om het geloof te verkondigen. In het jaar 44 is hij teruggekeerd naar Jeruzalem. Een slechte beslissing, want hij verloor daar zijn hoofd. Zijn volgelingen waren ook niet zo slim en stapten, met zijn lijk,  in een bootje zonder roer en dreven aan land bij Iria Flavia, in de monding van de Rio Ulla, het huidige Padron. Daar moesten ze een draak verslaan en stieren temmen. Pas toen mochten ze verder landinwaarts om de apostel te begraven op een grafveld in Amoa, het huidige Santiago, alleen maar om jarenlang vergeten te worden.

In 813 had de kluizenaar Pelayo, na een avondje doorzakken, een droom waarin hij werd gewezen op het vergeten graf. De heuvel waar Jacobus lag werd door sterren verlicht, vandaar de naam Compostella. (Campus Stellea betekent ‘veld van sterren’). Allerlei belangrijke mensen gingen zich ermee bemoeien en er kwam een kerkje (wat later een kathedraal werd).

Naast de sukkel met schelp en waterzak die je meestal ziet, is St. Jacobus ook bekend als de Matamoros, oftewel de Morendoder. Op een essentieel moment in de strijd tegen de Moren kwam hij te paard en besliste de strijd. Stoere vent zo.

Mensen kregen hier lucht van en de eerste pelgrims dienden zich aan. Om boete te doen voor een misdaad, het krijgen van een gunst of om religieuze redenen. De route heet dan nog de Sterrenweg. En als wij denken dat we het moeilijk hebben, vroegaah was het nog veel erger. Moren, Noormannen en bandieten vielen eeuwenlang de pelgrims lastig. Onder de regering van Keizer Karel de Grote werd het beter voor de pelgrims. Er werden wegen aangelegd, Moren, Noormannen en bandieten werden verdreven en er werden kloosters en abdijen gebouwd voor de opvang.

Pelgrims gaan gekleed op een van de volgende manieren; Een zware mantel, een hoed met brede rand, een stok en een water- en broodzak is de ene manier. De andere manier is stijlvol gekleed in een grijze driekwart broek, dito sneldrogend shirt en Vaude fietstassen voor water en brood (zie hier). Vroeger sliepen de pelgrims in portalen van kerken (als misdadiger moest je eerst een aflaat halen voordat je de kerk in mocht) en refugios. Tegenwoordig zijn het hotels, Airbnb, Booking.com of simpele auberges. Deze laatste moet je zien als een soort hostels met slaapzalen waar je met een geloofsbrief (credential, dat papier waarop wij de stempels verzamelen) terecht kon.

De Codex Calixtinus noemt vier belangrijke routes door Frankrijk. Drie daarvan komen bij St. Jean-Pied-de-Port samen om via Roncevalles (de Roelantspas) de Pyreneeën over te gaan. Dit is de Navarra route. Een oudere route loopt via Oleron- Ste. Marie en de Col de Somport. Deze heet de Aragon route en dat is de route die wij nemen. Beide routes komen weer bij Pamplona samen en gaan daarna verder via de meest gebruikte route, de Camino Francés (of Camino Real = Koningsroute). Daarnaast zijn er nog meer routes zoals de Romeinse route en de meer noordelijk gelegen kustroute. Kun je het nog een beetje volgen? Ik niet en ik ben blij dat ik een GPS heb met daarop waar we langs moeten fietsen.

Nu is de Santiago route Europees cultureel erfgoed. Door de massale trek van de pelgrims (soms kwamen er wel 4000 pelgrims op een dag langs) is er veel uitwisseling geweest van culturen, (bouw)kunst en kennis. Overigens waren de meeste pelgrims analfabeet maar door de rijk versierde kerken en glas-in-lood ramen konden ze toch plaatjes kijken. Met name het laatste deel, door Spanje, kent veel culturele hoogtepunten. En dat hebben wij nu allemaal bekeken.

Dag 55:

Nu de Santiago-mijlpaal erop zit hebben we zomaar twee hele dagen vrij genomen van het fietsen. We hebben een mooi appartementje op 10 minuten lopen van het grote plein (Praza do Obradoro) voor de kathedraal. Mevr. van der Veeke begint met uitslapen, maar ik heb belangrijker zaken aan mijn hoofd. Ik loop er de laatste weken bij als een landloper, dus ik wil eerst naar de kapper. Het is wat lastig uit te leggen wat ik wil en zelfs de foto’s van een eerdere knipbeurt helpen niet maar het eindresultaat ben ik (en, veel belangrijker, Mevr. van der Veeke) tevreden mee,

Het regent de hele dag door maar ’s middags nemen we toch nog even een kijkje bij de kathedraal. We hebben geluk en pech. Geluk omdat de buitenkant eindelijk uit de steigers is en die kunnen we mooi zien. Pech omdat ze nu de binnenkant vol met steigers hebben gebouwd waardoor je niets, en met name St. Jacobus, niet goed kunt zien. Je kunt er nog wel even achter langs lopen en het beeld omarmen, zoals alle pelgrims doen.

Daarnaast brand ik (voor de zoveelste keer) een kaarsje voor een (oud) collega van me. Renske Vera is een jonge vrouw. Een fijne collega, altijd stond ze klaar als database beheerder. Altijd vrolijk en en levenshouding waar je jaloers op kan zijn. Ik heb groot respect voor haar. Maar de ziekte met de grote K heeft heer geclaimd. Het ging vrij redelijk maar de laatste berichten, die ik van haar krijg, zijn niet positief. Ik hoop dat ze dit nog leest.

Aan het einde van de dag zitten we, samen met Ria, lekker te borrelen bij een leuk café (Casino) in de stad. En daarna eten we in een Spaanse cafetaria waar ze een uitstekend menu del dia serveren (Cafe Candliejas). Beide punten heb ik op de kaart aangegeven. Ria gaat morgen richting Finisterre en daarna naar huis. Dus het is een soort van afscheidsmaal.

Dag 56:

Vandaag regent het nog steeds, maar minder vaak dan gisteren. Wij doen nog een rondje door de stad. Santiago is een mooie compacte stad, een beetje zoals Groningen. En het is eveneens een studentenstad, dus gezellig. De meeste gebouwen staan er mooi bij en het is leuk slenteren door Santiago. Overal zijn blije mensen, overal zijn souvenirwinkels maar we komen ook voor het eerst weer bedelaars tegen We gaan eerst naar de markthallen. Dat is leuk, maar niet bijzonder. Daarna gaan we naar het Museo do Pobo Galego. Dit is het antropologische- en volksmuseum van Galicië.

Het is gevestigd in het voormalig Santo Domingo klooster. Het is een prachtige tentoonstelling die alle aspecten van het Spaanse, en specifiek, het Gallische leven laat zien. Het mooist vind in de helix trap in het klooster. Het zijn drie trappen die verweven zijn in een draaiing.

Verder slenteren we door de stad om alles nog een (laatste) keer te bekijken. Zo komen we bij het Museo das Peregrinacions. Deze laat in een tentoonstelling het pelgrimeren in het algemeen, het pelgrimeren naar Santiago in het bijzinder en de groei van Santiago zien. Een uiterst boeiende tentoonstelling die de moeite waard is. En met je compostolaat betaal je maar de helft (€1,20) dus dat kan geen struikelblok zijn.

Het einde van de dag en de avond is het lekker loungen in ons luxe appartement. Morgen weer op de fiets richting Finisterre. Ik heb er nu alweer zin in.

Dag 57:

We zijn nog niet klaar met onze Santiago-reis. Voor ons houdt deze pas op bij Finisterre, het einde van de wereld. Daarheen fietsen hebben we in twee stukken gesplitst. Op het kruispunt in de route waar we afbuigen (Olveiroa) naar Portugal heb ik een Auberge geboekt. Daar laten we onze spullen staan en gaan op en neer naar Finisterre. Dat is dan ongeveer 65 kilometer. En dan hebben we vandaag ook 62 kilometer. Maar het zijn geen leuke kilometers vandaag. Om Santiago uit te komen moeten we langs grote, drukke wegen. Op een gegeven moment zitten we zelfs op een vierbaans snelweg waar we alleen op een smalle strook kunnen fietsen terwijl het verkeer langs ons heen raast. Na ongeveer 10 kilometer wordt het een tweebaansweg waar ze nog altijd met 100 km/uur langs komen. Wij noemen dit hesjes-wegen. Hier doen we onze bouwvakkers hesjes aan om beter zichtbaar te zijn.

Door het verkeer is er weinig aandacht voor het landschap. Het is wel mooi, maar het sneeuwt een beetje onder door het verkeersgeweld. Het zij zo, ik denk ook dat het niet anders kan. De grote weg zoekt de gemakkelijkste route. Zodra je hiervan afwijkt, wordt het meteen klimmen. En naar het einde van de wereld zijn ook maar weinig wegen.
Toch is er nog wel wat te zien. Bij het oversteken van de Rio Tabre zien we verderop de Ponta Vella liggen. Volgens sommigen een meesterwerk in de Romaanse bouwkunst.

Na A Pereira wordt de weg gelukkig wat rustiger. Het is wel fijn asfalt en dat maakt het op en neer klimmen wat gemakkelijker. Ik kan merken dat de rust het lichaam goed heeft gedaan. Het klimmen gaat een stuk gemakkelijker.

Bij Brandomil komen we nog een mooie brug tegen. Het onderstel is nog uit de Romeinse tijd, want vroeger liep hier een Romeinse weg. Er is een nieuwe brug op gebouwd en die ligt er als een plaatje bij. En met Mevr. van der Veeke erop wordt hij alleen maar mooier.

Zo komen we vrij gemakkelijk op ons overnachtingsadres. Een mooie, moderne auberge met alle faciliteiten. Morgen ronden we de Santiagoreis af.

Dag 58:

Vandaag is de langste dag en dat wordt gevierd met prachtig weer. Eigenlijk een van de mooiste dagen, qua weer, die we gehad hebben tot nu toe. Vandaag fietsen we op en neer naar Finisterre, oftewel het einde van de wereld. Ik heb het wat onderschat want met 74 kilometers en 1356 hoogtemeters (de meeste tot nu toe) is het een flinke kluif. Maar goed, we doen het gewoon en het blijkt een prachtige dag te zijn. Eigenlijk meer hoogtepunt dan de aankomst in Santiago.

We klimmen eerst een stukje. En daarna is het een lange afdaling naar Cee. Het is lang geleden dat we op zeeniveau waren en voor het eerst zien we dan ook daadwerkelijk de zee want Cee ligt aan het water.

Cee, maar eigenlijk meer Concubion aan de overkant.

Na Cee moeten we weer de landtong over en daar ligt natuurlijk een berg. Maar als we daar overheen zijn, zien we het plaatsje Fisterra en links daarvan Cabo Finisterre liggen.

Fisterra was eigenlijk een vissersdorpje maar door de Camino en de stroom pelgrims is het nu meer een toeristisch oord geworden. Je struikelt er over de albergues, de souvenirwinkeltjes en de horecagelegenheden.  Maar je komt er doorheen als je naar het einde van de wereld wilt. Dit is niet het meest westelijke puntje van Europa (daar komen we later nog in Portugal) maar het is een goede tweede. Wij hebben nog één vakje over op onze pelgrimspas en daar komt de laatste stempel.

De kaap is al sinds prehistorische tijden een mythologische rituele plaats. Er zijn minstens drie zonnen-altaren gevonden waar bij zonsondergang offers werden gebracht met als thema ‘herboren worden’. Hier lag het einde van de sterrenbaan, de voorloper van de camino. Walvissen brachten een eer aan Sta Maria, in deze omgeving ligt de mysterieuze stad Doyo bedolven en Romeinen bouwden er een zonnealtaar. Kortom het is een magische plek waar je geweest moet zijn. Voor ons zit de magie niet in deze dingen maar in het feit dat hier kilometerpaal 0 van de camino staat.

Op dit punt staat ook de vuurtoren. En als je daar omheen loopt dan kom je op de uitstekende rots in zee die de kaap moet voorstellen. Hierna zie je eigenlijk alleen maar water. Maar als je de andere kant op kijkt, zie je waar we vandaan komen. We maken daar nog een paar foto’s en eten er een meegebracht broodje. Dat wordt opgemerkt door de lokale bevolking, die een hapje mee komt eten.

Hiermee ronden we onze camino af. Wat ons betreft is het klaar ondanks dat we in Portugal nog regelmatig de Portugese camino tegen zullen komen. Maar dan fietsen we van Santiago af, in plaats van er naartoe. Het was een prachtige tocht en ik kan hem iedereen aanraden, als je de tijd ervoor hebt en voor neemt.

Hiermee eindigt onze pelgrimsreis naar Santiago. We gaan hierna richting Portugal. Er zullen dan minder blogs komen want het schrijven, informatie zoeken, foto’s uitzoeken en bewerken en het plaatsen kost elke dag best veel tijd. Het begint haast op werk te lijken. Waarschijnlijk ga ik straks naar één blog per week. Maar goed, het bloed kruipt waar het niet gaan kan, dus we zien wel.

Laatste loodjes

A good traveler has no fixed plans, and is not intent on arriving – Lao Tzu

Dag 51:

Vandaag hebben we de laatste grote klim in de Santiago route op het programma staan. We gaan nog één keer naar iets boven de 1300 meter. Een klim van 700 meter. Dat is 100 meer dan de klim van eergisteren en 100 minder dan de klim naar de Somport. We zijn lekker uitgerust maar tegen de kou doe je niets. Het is weer 6 graden als we opstaan. Erg afwijkend van mijn verwachtingen van Spanje, maar het zij zo.

De weg is erg rustig, af en toe komt er een auto langs. We zitten op de oude weg, er loopt een nieuwe snelweg parallel en die zien we soms boven ons en soms onder ons.

Gestaag klimmen we omhoog. Bij Las Herrerias denken we aan de koffie te kunnen maar de wandelroute duikt naar beneden naar het dorp en de fietsroute gaat er omheen. We willen graag de hoogte houden dus dan maar een eigen koffie. Daarvoor vinden we een perfect plekje in de zon.

Bij Puerto Pedrafite komen we Galicië binnen. Hier halen we alsnog de koffie in. We zitten inmiddels op 1100 meter en het is al 12 uur geweest. Het gaat gestaag, maar niet hard. Puerto Pedrafite is het begin van Galicië en hier ligt ook een waterscheiding.

Vanaf hier vloeit het water naar het westen. Het landschap verandert ook. Omdat het hier meer regent, is het groener. Meer bossen en weiden. Van oudsher (6e eeuw vóór Christus!) vestigde zich hier een Keltische cultuur en die is nog steeds behouden gebleven, ondanks de overheersing door de Romeinen, De Germanen, de Westgoten en de Moren. We zien het aan de gestapelde stenen muurtjes, de tweetalige borden en horen het aan de gaida (kleine doedelzak) muziek. Een mooi voorbeeld is Cebreiro, waar we als eerste hoogtepunt doorheen komen.

Cebreiro is een dorpje met maar 20 huizen en een pré-romaans kerkje. Het bestond al in de 9e eeuw en kreeg in de 10e eeuw de titel van hospital voor pelgrims. Het kerkje is nog in zijn oorspronkelijke staat en heeft een prachtig genade-beeld van Santa Maria la Real. Ook is er de mythe van de heilige graal, die hier verstopt zou zijn. In de kerk staat dan ook een beker in een glazen kastje, maar het lijkt me sterk dat dit de echte is. Het dorpje is overigens een nationaal monument.

Een ander opvallend bouwwerk is de Palloza. Dit is een ovaal verblijf met een rieten dak wat deels ondergronds ligt. Het blijkt goed bestand tegen de extreme winterse omstandigheden hier. Onderweg zien we er overigens meer.

Bij Cebreiro nemen we een lange pauze met het Menu del Dia. Je zou denken dat hierna de afdaling begint, maar dat is niet waar. We dalen eerst een stukje, klimmen weer wat, dalen wat en klimmen dan naar 1335 meter bij Alto de Poio. Het hoogste punt van deze route. Daar staat een beeld van een zwoegende pelgrim tegen de wind in.

En vanaf hier is het een orgastisch heerlijke afdaling.  Mooi asfalt, een bijna lege weg en 690 meter die we naar beneden gaan.

Dat brengt ons in Triacastela. We wilden eigenlijk verder, maar Ria zit hier in een Auberge waar ze ook nog plaats hebben voor ons. Voor €8 per persoon krijgen we een stapelbed op een zaaltje van 4 stapelbedden. Dat is goedkoper dan de camping gisteren. We kiezen eieren voor ons geld, halen een pak Sangria in de aanpalende supermarkt en sluiten daarmee de dag af.

Dag 52:

Het was een onrustige nacht. In een Auberge deel je de kamer met andere reizigers. Bij ons kwamen vier Spaanse mannen erbij, die op de mountainbike de wandelroute fietsen. Het leek me twee vaders met hun zoons. In plaats van naar de centrale ruimte te gaan, hielden ze de hele avond een stand-up meeting op de kamer terwijl wij daar lagen te lezen. En nadat het licht uit ging, begon er een te zagen of zijn leven ervan af hing. De ramen trilden in de sponningen. De enige manier om dit te overleven was het luisteren naar muziek. Gelukkig werd het om half twee rustiger.
Dit duurde tot ongeveer half zes. Het plafond en de vloer boven ons is een en dezelfde plank. Om half zes beginnen de eerst lopers al te stommelen en in te pakken. Niet zachtjes, maar in polonaise. Ik weet zeker dat ik flarden van André van Duins ‘Er staat een paard in de gang’ hoorde, en het betreffende paard deed mee in de polonaise. Maar goed, dat is het Auberge leven en je moet het eens meemaken. Een voordeel is wel dat we vandaag vroeg op pad waren inclusief een ‘hug’ van onze herbergier Manu (Manuel).

We hebben eerst nog een stuk afdaling tegoed. Die brengt ons in Samos, een plaatsje dat totaal gedomineerd wordt door het Monasterio San Juan de Samos, een van de oudste kloosters van Spanje. Op dit moment wonen er nog maar weinig paters, maar je kunt er als pelgrim ook overnachten. Jammer, gemiste kans, had ik wel willen doen.

Overigens is in Galicië de taal iets afwijkend van het normale Spaans, het Castilliaans. Iets wat ook voorkomt in de omgeving van Barcelona (de taal is daar het Catalaans) en uiteraard in Baskenland waar op borden naast Spaanse ook Baskische teksten staan. Het Galicisch (Galego) is een mix van Spaans en Portugees. Zo staat bijv. de letter ‘x’ in het Galego gelijk aan de letter ‘j’ in het Spaans. Xunta in het Galego is dus Junta in het Spaans, een term die de overheid aanduidt. En Sint Jacob heet er San Xacobeo. En het monasteria San Juan wordt hier San Xulian genoemd..

Saria is de volgende stad waar we doorheen komen. Het is een lelijke stad en voor we het weten zijn we er alweer uit, inclusief de omleiding omdat een brug eruit ligt. Ik kan er weinig over vertellen en nog minder van laten zien. Wel kijken we even op de markt in Paradela, de volgende plaats. Lokale specialiteit is de pulpo, grote inktvissen die gekookt en in stukjes geknipt worden. Sommigen eten het rauw maar dat gaat niet altijd goed.

We gaan door naar Portomarin, een stadje aan het stuwmeer in de Rio Mino. Helaas ligt het op een heuvel en moeten we flink klimmen om in het centrum te komen.

Het centrum oogt heel ordelijk met een strak stratenplan. Het is namelijk opnieuw opgebouwd toen het oude Portomarin in het stuwmeer verdween. Een aantal gebouwen is steen voor steen afgebroken en hogerop weer opgebouwd, waaronder de San Nicolas kerk die eruit ziet als een vesting.

Het landschap is wel groener dan de afgelopen dagen, maar er is ook duidelijk minder te zien. Geen verre uitzichten en zelfs als we op een heuvel zitten, is er weinig uitzicht door het struikgewas. We zijn wel even verbaasd over de Horreos. Ik dacht eerst dat het een soort van mausoleum was, maart het blijken karakteristieke graanschuren voor dit gebied te zijn. Ze komen overigens ook in Portugal voor.

Het wordt uiteindelijk een zware dag met veel hoogtemeters. Ook de laatste 13 kilometer blijkt flink klimmen te zijn. Ik had dat niet zo ingeschat op het profiel, maar het valt best wel tegen. Gelukkig hebben we een mooi B&B geboekt in het mini-dorpje Castromaior, iets van de weg af. Hier kunnen we even bijkomen. Santiago komt al aardig in zicht.

Dag 53:

Voor het eerst is het mistig als we opstaan. Voor de veiligheid doen we onze hesjes aan want we hebben vandaag een lang stuk langs drukkere N-wegen. Maar het eerste deel zitten we nog samen met de lopers op de route. Vanaf hier is het gewoon belachelijk druk. Het is minder dan 100 kilometer en de meeste lopers beginnen hier dus. Het zijn heel veel Amerikanen, Aziaten en Spanjaarden. En dan nog wat andere nationaliteiten. De sfeer is gemoedelijk het Bueno Camino klinkt dan ook regelmatig.

Er is niet veel te zien vandaag maar voor Ligonde is een stenen kruis uit de 16e eeuw. Alle wandelaars laten hem links liggen, maar ik vind de afbeeldingen erop bijzonder genoeg om even te stoppen. En als we dan stilstaan, dan stoppen de wandelaars ook meteen, nieuwsgierig waar we naar kijken. Aan de ene zijde is Christus afgebeeld en aan de andere kant Maria met haar dode zoon. Een beeld met veel expressie.

Iets voor Paleis de Rei komen we op de N547 en daar blijven we op tot Melide. Het is een drukke weg met veel  verkeer. Gelukkig is het zondag, dus er is niet zoveel vrachtverkeer, maar het is gewoon minder leuk fietsen. Het landschap is aardig met wat bos en af en toe een dorpje. En daar is dan weer een kerkje, een pelgrimsbegraafplaats of een oude brug. Pas in Melide komt er wat leven in de brouwerij. Het kerkje in het begin van Melide heeft een bijzonder kruis. Geen Christus die eraan hangt, maar alledaagse voorwerpen, zoals een ladder, een hamer, een nijptang en een beker.

Melide zelf is druk. Al het verkeer loopt door het centrum en moet op elkaar wachten. Een soort van Onderdendam maar dan in het groot. Wij nestelen ons op een terras in het centrum om dit aan te zien en bestellen daarbij een Sangria en wat te eten. Zo zien we het Spaanse zondagsleven aan ons voorbij trekken.

Hierna is het nog 20 kilometer zwoegen naar onze overnachting. Het zijn weer veel korte klimmetjes vandaag die opgeteld tot boven de 900 hoogtemeters komen. Dat is meer dan de klim naar Cruz de Ferro. De mist is allang opgelost en het wordt Spaans warm. We tikken Arzua nog even aan, de laatste grote stad vóór Santiago. De landschappen beginnen weer wat open te raken en ondanks het zweten genieter we er wel weer van.

Het vinden van een overnachtingsplek hier was wat problematisch. Omdat er zoveel lopers zijn, zit alles snel vol. En de prijzen zijn verdubbeld. Maar bij een Casa in the middle of nowhere, dat niet eens zover van de route blijkt te liggen, lukt het nog om een mooie kamer te krijgen. Het is een bejaard echtpaar dat alleen Spaans spreekt. Met handen, voeten en Google Translate komen we een heel eind. In de riante tuin slijten we onze laatste uren. Morgen zijn we in Santiago.

Dag 54:

Omdat we gisteren geen boodschappen hebben kunnen doen, besluiten we eens een Spaans ontbijt te nemen. En, zoals we al dachten, is dit niet heel uitgebreid. We krijgen wat fruit en yoghurt, wat geroosterde stukjes stokbrood, wat jam en koffie. We kunnen er even op vooruit maar als ik dan een ontbijt koop, dan geef ik de voorkeur aan een Engels ontbijt.

Het is vandaag nog 30 kilometer maar met een hoop klimmetjes want in deze korte afstand halen we nog meer dan 700 hoogtemeters. De route kan ik alleen maar mooi noemen. We gaan grotendeels door het binnenland en door kleine dorpjes. We zien hier veel eucalyptusbomen die de neiging hebben om te vervellen. Op de grond liggen enorme stukken bast waardoor er nauwelijks wat anders groeit. Een ander probleem is dat deze bomen wat olieachtig zijn en dat een bosbrand hier een probleem is. Ook zien we dat veel van de huizen een soort eigen watertorentje hebben. Ziet er futuristisch uit met al die ufo’s op een paal.

Het duurt erg lang voordat we een glimp opvangen van de kathedraal van Santiago. Pas een kilometer of twee voor de stad, zie je net de puntjes van de torens.

Daarna is het door smalle straatjes klimmen naar het plein. Tegen 1 uur zijn we er. Mijn GPS track houdt op ergens aan de zijkant van de kathedraal die behoorlijk in de steigers staat. Ondanks het feit dat ik blij ben met het bereikte einddoel, denk ik wel ‘is dit het nou?’. We vraag een voorbijganger een foto te maken en beraden ons op het vervolg.

Maar we moeten nog om de kathedraal heen om op het plein te komen. En dat is veel mooier. En ook veel drukker. Ik maak foto’s van een andere fietser en hij maakt foto’s van ons. Er hangt hier een jubelstemming en het is heel leuk om hier een tijdje te blijven kijken. Want iedereen is blij dat hij of zij is aangekomen. En de een is daar wat emotioneler bij dan de ander,

We zijn blij dat we er zijn na 54 dagen, 2945 kilometers en 22435 hoogtemeters. Het voelt heel goed om dit op eigen kracht gedaan te hebben. Het lijf is tot heel wat in staat als je er de tijd voor neemt.

We zoeken het pelgrimsburo op om ons compostolaat te halen. En hier blijkt dat we niet de enigen zijn. We staan bijna twee uur in de rij voordat we aan de beurt zijn. En het is heel leuk om in de rij te staan want je staat daar met allemaal mensen die blij zijn dat ze het gehaald hebben. Sommigen hebben een kortere afstand gelopen of gefietst maar iedereen is in een fijne stemming.

Uiteindelijk krijg je een soort diploma (aflaat) waarmee al je zonden worden kwijtgescholden. Ik ben weer helemaal onschuldig.

Als laatste gaan we nog even een kopje thee drinken bij de huiskamer van het St. Jacobsgenootschap waar we lid van zijn geworden. Samen met wat andere fietsers en wandelaars wisselen we onze ervaringen uit.

Ik heb in Santiago een paar nachten een Airbnb appartementje geboekt. Hier gaan we eerst even bijkomen en vakantie vieren. En later gaan we Santiago nog eens goed bekijken. Deel 1 van onze reis is hiermee nog niet afgelopen. Later in de week gaan we door naar Finisterre, oftewel ‘het einde van de wereld’. Hier staat kilometerpaal 0 van de Santiago route. En dan hebben we hem echt helemaal gedaan.

Wild

One’s destination is never a place, but a new way of seeing things. – Henry Miller

Dag 45:

Ondanks dat we vandaag nog een kleine 50 kilometer fietsen, voelt het toch als een rustdag. Het traject is vlak en we hebben een klein duwtje in de rug. Al na 10 kilometer maken we een koffie aan de oever van de Rio Pisuerga. Deze vormt de grens met het vroegere koninkrijk van Leon. Tegenwoordig is het de provincie Palencia. De lopers moeten hier ook overheen en we zien er veel langs komen zo vroeg in de ochtend.

Bij Boadille del Camino is het druk. De Guarda Civil heeft een feestje en heeft zich hier verzameld. Het lijkt erop dat ze met de collega’s en families een etappe van de Camino lopen. Alles is uit de kast getrokken. Ik zie Guarda op de motor, in de auto, op de fiets en er cirkelt zelfs een helikopter boven ons. Ik realiseer me twee dingen; Mijn fiets heeft nog nooit zo veilig gestaan. En ik ben blij dat ik een helm draag. Want bij zoveel politie is er vast een pennenlikker bij die me anders bekeurd had.

Door de mensen zie je haast niet dit Boadilla del Camino meer te bieden heeft. De kerk van Santa Maria met bovenop meerdere ooievaars(nesten), die zich overigens niets aantrekken van een helikopter, en een gotische zuil van de rechterlijke macht uit de 15e eeuw. Misdadigers werden hier tentoongesteld als ze hun straf moesten uitzitten.

Bij Fromiste is het nog drukker. Het is een grotere stad en er komen zelfs bussen met toeristen heen omdat er zoveel te zien is. We komen eerst langs het Canal de Castilla. In tweehonderd kilometer overbrugt dit kanaal een hoogteverschil van 150 meter door 49 sluizen. Hier zien we er een paar. Het bijzondere is dat  ze gebogen lopen zodat er twee schepen naast elkaar geschut konden worden. Aan het kanaal is, in de 18e eeuw, bijna 100 jaar gebouwd en het is eigenlijk nooit af gekomen. Nu is het cultureel erfgoed.

In Fromiste zelf zijn meerdere kerken. We kijken eerst bij de San Pedro. Die begint net vol te lopen vanwege een bruiloft. Mooi om te zien hoe iedereen zich opgedirkt heeft hiervoor. Samen met de gasten stromen we stiekem de kerk nog even in om binnen te kijken.
De andere kerk waar we kijken is de kloosterkerk van St. Martin. In zijn pure vorm is dit een hoogtepunt van de romaanse bouwkunst. Bijzonder zijn de stenen figuren in de dakranden. We kijken er niet binnen want de Camino begint zo commercieel te worden dat je vanaf nu moet betalen om in de kerk te mogen kijken. En dat doen we niet want we hebben er al zoveel gezien.

In Villalcázar de Sirga torent de kerk ver boven het dorp uit. Ook daar gaan we even kijken maar de kerk is gesloten want er is een dorpsfeest. Ook aan de buitenkant is de kerk de moeite waard.

Carion des Condes is ons eindpunt van de dag. Camping El Eden heeft een mooi plekje voor ons als we tegen drieën arriveren. Het stadje heeft een lange pelgrimshistorie maar wij kiezen voor het luieren op de camping.
Ik probeer nog wel het lek in mijn matje te vinden. Want elke ochtend wordt ik op de grond wakker. Het gaat wel zo langzaam dat ik tot een uur of vijf goed lig, dus het is een heel klein gaatje. Ik spons het hele bed af maar kan hem niet vinden. Afijn, ik heb ik elk geval weer een schoon matje en lig morgen weer op de grond.

’s Avonds gaan we in het stadje wat eten. Op de Plaza Major is het druk. De hele stad komt hier flaneren, kletsen en eten. Ik denk omdat het zaterdag is. Wij eten paella op een terrasje en slaan het allemaal gade. Het is beter dan tv.

Van de weekdagen hebben we alle besef verloren. Feestdagen als Hemelvaart en Pinksteren gaan geruisloos langs ons heen. Die worden hier blijkbaar niet gevierd. We hebben geen idee meer of het woensdag of zondag is. Voor ons is er alleen nog gisteren, vandaag en morgen. En dat maakt het leven lekker simpel.

Dag 46:

We fietsen toch nog even terug het dorp in om naar de Santa Maria del Camino te kijken. Het portaal laat de sage zien van de 100 maagden die aan de Moren geschonken zouden moeten worden maar gered werden door een kudde woedende stieren. Ik had nog nooit 100 maagden gezien, dus ik was wel nieuwsgierig. Nou ik kan zeggen dat deze wel een face-lift en een likje verf kunnen gebruiken. Wat dat betreft staat de Santiagokerk , in het centrum, er beter bij. Jammer dat er zo’n foeilelijk afdak boven zit maar zo is het wel wat beter bestand tegen weer en wind.

De eerste 20 kilometer delen we deze keer de weg met de wandelaars. We komen er honderden tegen. Dat betekent ook 100 keer ‘Bueno Camino’ zeggen, vele malen bellen, als ze breeduit lopen, en hun minachtende blikken tolereren. Want een fietser staat lager in de camino-rangorde dan een wandelaar. Het leuk is wel dat Mevr. van der Veeke voldoende consternatie brengt met haar hoed. Emoties die ik heb langs zien komen zijn verbazing, afschuw, schrik, vermaak en bewondering.  Zo is er altijd wat te doen.

Ledigos laten we links liggen en zo komen we bij Sahagún. In 904 gesticht met de komst van een klooster. Meerdere malen door de Moren verwoest en weer opgebouwd. Daarna zeer welvarend geweest maar als we er nu doorheen fietsen, is daar niets van over. We komen binnen via een industrieterrein. Daarna door vervallen straten naar de Plaza Major. Dat is wel een aardig pleintje. Maar zodra je daar weer voorbij bent, is het weer armoe troef. Bij het verlaten van de stad komen we nog langs de resten van de grote San Benito abdij, maar die dwingt weinig respect af omdat hij ingebouwd is door een kermis. Het mooiste van Sahagún vonden we nog de graffiti en de klepperende ooievaars op de kerk.

Daarna hebben we een stuk van 31 kilometer over het Castilaanse hoogland. Het is hier leeg en verlaten en je kunt erg ver kijken. In het heilige jaar 1993 is hier een mooie wandelweg aangelegd van ongeveer 25 kilometer. Daarnaast zijn platanen geplant. Die zijn nu groot genoeg om er een mooie lange bomenrij van te maken. Wij rijden op de oude weg ernaast. Deze wordt nauwelijks meer gebruikt omdat ze een kilometer verderop, parallel, een snelweg hebben aangelegd. Het is heerlijk fietsen hier en met zulke wijdse blikken hebben de gedachten ook meer ruimte.

Hiermee halen we vandaag de 70 kilometer en eindigen in Reliegos. Een slaperig klein dorpje met een paar auberges, wat huizen en een alimentacion. Deze wordt gerund door een vrolijk mannetje dat nodig naar de tandarts moet. Maar hij heeft wel alles wat we zoeken, waaronder anderhalve liter Sangria. Hij is trouwens een representatief voorbeeld van de meeste Spanjaarden. Ze zijn aardig, belangstellend, in voor een grapje en innemend. Spanje heeft me positief verrast. Een fijn land om in te zijn.

In het dorp zou een zona acampada moeten zijn, een eenvoudige kampeerplaats. Wij kunnen hem niet vinden en het mannetje van de alimentacion wijst ons naar een picknickplaats voor wandelaars waar wel een kraan is. Bij gebrek aan beter zetten we hier de tent op.

Wel met de luxe van een picknicktafel. Hier koken we een eenvoudige maaltijd van pasta, vis en tomatensaus. En een sinaasappel na. Een mens heeft maar weinig nodig om tevreden te zijn. En ik kan melden dat anderhalve liter Sangria daar wel bij helpt. Er schijnen nog wolven in dit gebied te leven maar vlakbij staat de pelgrim die vannacht over ons waakt. Dus wat kan er mis gaan? Helemaal wild wordt het niet want ik zit ’s avonds in het tentje gewoon de laatste aflevering van GoT te kijken. En die aflevering is eigenlijk de enige teleurstelling van de dag.

Dag 47:

Ik heb prima geslapen, maar Mevr. van der Veeke lag niet helemaal gerust. Gelukkig is er niets spannender gebeurd dan een koude nacht. Het was helder en daardoor een temperatuur van 4 graden. We zijn gewoon weer terug op het niveau van enkele weken geleden. Ik draag meerdere lagen kleding en de eerste uren fietsen we met handschoenen aan.
In Mansilla de las Mulos kunnen we wat boodschappen doen. Hier splitst de fietsroute zich ook weer af van de wandelcamino. En dat vind ik jammer want het is toch wel gezellig met meer camino-gangers op straat. Je komt meer (open) horeca tegen en de openingstijden van de winkels zijn ook wat gunstiger. Én er zijn vaak mooie beelden onderweg te zien.

In Vega de Infanzones moeten we een keus maken. Willen we wel via Leon of niet? We kiezen voor het laatste ondanks dat Leon wel de moeite waard lijkt te zijn. Maar we merken dat we weinig zin hebben in een grote stad waar de voornaamste trekpleister de kathedraal is. En daar hebben we er nu al zoveel van gezien. We geven de voorkeur aan de rust en de ruimte en nemen de route onderlangs.

We komen hiermee ver buiten het camino-gebied en je ziet meteen wat voor positief effect de camino heeft. Daar zijn de dorpen redelijk tot goed onderhouden, er is leven en er is ruimte voor commerciële activiteiten. De dorpen waar we nu doorheen komen zijn verlaten en doods en er is niets te doen of te vinden. Geen bar, geen alimentacion en geen restaurant. In sommige dorpen is nog wat opleving doordat er bodega’s zijn, maar dat is dan ook alles.

In Villar de Mazarife komen de routes weer samen en we gaan door naar Hospital de Orbigo. Hier is een prachtige brug over de Rio Orbigo.

Hij lijkt erg lang deze brug maar de rivier heeft meerdere malen bewezen dat deze breedte nodig is. Van oorsprong Romeins en met 18 stenen boogjes is het een lust voor het oog. En natuurlijk is er een legende bij van Don Suero.

We hebben een lange dag vandaag. Dit doen we om gunstig voor de klim naar Cruz de Ferro uit te komen. Maar het laatste stuk valt tegen omdat de wind opsteekt en die hebben we pal tegen. Door op tijd pauzes in te lassen en rustig aan te doen, lukt het goed om de afstand te overbruggen zonder uitgeput te zijn. We hebben zelfs nog wat energie over om de bezienswaardigheden van Astorga te bekijken.

Het is een mooi stadje dat een knooppunt van routes is. Enerzijds natuurlijk de Camino, maar ook de Zilverroute, die vanuit Sevilla naar het noorden loopt, komt hier langs. Verder is het voormalig bisschoppelijk paleis een plaatje. Het is ontworpen door Gaudi die ook wat projectjes in Barcelona was gestart.

Ernaast staat de kathedraal. Ook al ben je net zo kerkenmoe als ik, het valt niet te ontkennen dat ze hier ook weer flink hun best hebben gedaan er wat moois van te maken. In de gevel is een klein getralied venster te zien met de tekst ‘Gedenkt mijn toestand, gisteren ik, vandaag gij’. Hier lieten vrouwen zich als boetedoening inmetselen en ze leefden van wat de voorbijgangers naar binnen gooiden.

Verder is Astorga bekend van de chocolade en de mantecada, een soort botercakeje die we eerder ook in Geraardsbergen (mattentaart) hebben gegeten.
Er is hier geen camping en we zijn weer eens toe aan een gewoon bed waarbij ik niet op de grond eindig, dus ik heb een hotel geboekt. Daar komen we lekker bij van een vermoeiende dagen kan alles weer opgeladen worden.

Dag 48:

Bijzonder dat zo’n hotelkamer bij binnenkomst als een vreemde aanvoelt en bij vertrek als een vriend. Op de een of andere manier, misschien door het verspreiden van je spullen, maak je de kamer ‘eigen’. We verlaten hem met weemoed. Het was goed toeven hier.

Vandaag staat in het teken van de klim naar de Cruz de Ferro. Dit is met zijn 1504 meter het hoogste punt van het Spaanse deel van de Camino. Daarom zijn we gisteren ook wat langer doorgegaan, zodat we vandaag min of meer meteen met de klim kunnen beginnen. Het eerste deel loopt nog gestaag omhoog en is goed te fietsen. Het is wel fris met 9 graden en een koude tegenwind. Gelukkig is er onderweg genoeg afleiding. We rijden eerst even Castrillo de los Polvazares binnen. Althans, dat proberen we want op die keitjes is niet te fietsen. Het is een karakteristiek voorbeeld van een dorp in de Maragateria streek. Kenmerkend zijn de smalle natuurstenen straatjes en vooruitstekende balkons. Zo vroeg in de ochtend ligt het in een rode gloed

Hierna klimmen we langzaam omhoog. We passeren Sta. Catalina de Somozo (waar we koffie drinken), El Ganso (met een scheef ooievaarsnest op de kerk), Rabinal del Camino (waar we nog een keer koffie drinken) en Foncebadon (waar niets te doen is). Door de klim op te knippen in stukjes lukt het goed om het vol te houden. We moeten tenslotte wel 600 meter omhoog. Hieronder wat foto’s van de klim.

Uiteindelijk komen we bij Cruz de Ferro. Dit simpele ijzeren kruis, bovenop een boomstam, staat bovenop een steenhoop dat de grens markeert tussen Maragateria en El Bierzo.

Pelgrims leggen hier in het algemeen een steen erbij op de hoop. Meestal wordt die van thuis meegenomen en dit symboliseert het afleggen van ‘een last’ en daarmee het ingaan van een nieuwe levensfase. Ook ik heb een steen meegenomen van thuis zoals je in de eerste blog hebt kunnen lezen. Die voeg ik toe aan de bult. Hiermee laat ik wat achter en begin ik wat nieuws.

Als wij er aankomen, zijn we bijna alleen. Later komen er hele groepen, zelfs met een bus, die het monument bevolken. Tijd voor ons om verder te gaan.

Helaas zijn we nog niet uitgeklommen. We dalen een stukje naar Manjarin. Hier heeft een groep, die zich Tempeliers noemt, een alternatieve auberge opgericht. Bij het verblijf krijg je een gratis hersenspoeling.

Vanaf hier klimmen we weer boven de 1500 meter en daarna begint de vrije val naar beneden. Het is erg steil maar je kunt niet heel hard door het slechte wegdek. Ik sta regelmatig met rokende remmen aan de kant te wachten op Mevr. van der Veeke. Die, op haar beurt, ook met rokende remmen aankomt. Gelukkig heb ik reserve blokjes mee. Maar de uitzichten zijn adembenemend en regelmatig moet er ook een foto gemaakt worden.

Bij El Acebo zien we weer wat beschaving. Door de camino is het dorp weer opgeknapt met de karakteristieke buitentrappen en de uitstekende balkons.

In Molinaseca bewonderen we de boogbrug en de San Nicolaskerk, die er als een vesting bijstaat.

Ons eindpunt van vandaag is Ponferrada. Een grotere stad dan ik gedacht had.  De naam komt van de granieten brug met de ijzeren leuning, die hier vroeger, speciaal voor de pelgrims, gebouwd is. Van die brug is niets meer over, maar het laatste bastion (12e – 14e eeuw) van de Tempeliers staat er nog wel. Het kan zo naar Disneyworld in Parijs.

De tempeliers was een ridderorde die oorspronkelijk was opgericht om de pelgrims te beschermen. Later werden ze een van de eerste bankinstituten ter wereld. Uiteindelijk zijn ze ten onder gegaan aan de alcohol. Hun laatste motto was dan ook ‘bibe plus quam vis destruit‘.


We konden mogelijk bij een auberge kamperen maar bij Cruz de Ferro heb ik toch weer een hotel geboekt. We zijn best moe maar vooral verkleumd door de tocht. Tot Ponferrada is de de temperatuur niet in de dubbele cijfers gekomen. En de inspanning warmde niet echt op omdat we zulke efficiënte fietsmachines zijn geworden. Om dan een avond bij de koude tent te moeten zitten, dat wil ik Mevr. van der Veeke niet aandoen. Ze heeft tenslotte weer een prachtige prestatie geleverd vandaag. Zo zitten we weer comfortabel en kunnen we zelfs de energie opbrengen om nog in de stad te gaan eten. Successen moeten tenslotte gevierd worden

Dag 49:

Als ik onder de douche sta, dan voelt het lichaam nog moe. De klim van gisteren en de vele kilometers de dagen ervoor hebben hun tol geëist van ons lichaam. Gelukkig hebben we vandaag een korte dag met maar 35 kilometer. Die brengt ons bij een camping die vlak voor de volgende klim ligt. We doen lekker rustig aan en zitten pas om 10 uur op de fiets. Al na 8 kilometer zitten we aan de eerst koffie en bij 15 kilometer de tweede. De koffie is hier spotgoedkoop én lekker. Daar kun je zelf niet voor maken. En zolang we op dezelfde route zitten als de wandelaars, zijn er gelegenheden genoeg.

Het Bierzo dal is groen. Er zijn hier fruitbomen, wijnvelden en groene bossen. En het is ook heuvelachtig. Het hoogteprofiel heeft me hierin een beetje misleid want ik verwachte eigenlijk een gemakkelijk stukje en nu zwoegen we weer omhoog en omlaag.

In Villafranca de Bierzo gaan we over op de laatste etappe van de Santiago-reis. Vanaf hier is het ongeveer nog 200 kilometer naar Santiago. Het is een mooi stadje dat eigenlijk door Franse migranten opgebouwd is nadat het tijdens de Reconquista vernield was. De Santiagokerk hier heeft een bijzondere functie. Onder de ‘Poort van vergeving’ konden de pelgrims die te ziek, zwak en misselijk waren om verder te gaan toch een aflaat van hun zonden krijgen. Wij kunnen gelukkig nog een stukje verder, zeker nadat we een menu del dia hebben weggewerkt. Voor €12 heb je dan een drie-gangenmenu met een drankje. Kun je niet zelf voor koken. Daarnaast kijken we even in het gerestaureerde Calle del Agua maar die valt wat tegen. Daar moeten ze echt wat beter hun best doen want we hebben veel mooier gezien.

Na dit dorp begint min of meer de klim naar Cebreiro op 1300 meter. We doen alleen de eerste 10 kilometer en dat gaan als stroop in een trechter in de winter. We kunnen maar een conclusie trekken; het lijf is weer moe en wil meer rust dan deze korte dag. We hebben geluk dat we een prachtig campingplekje vinden. Aan het einde van een doodlopende weg ligt een mooi veldje. Er is een kantine bij met wel 20 soorten bier. Helemaal goed. Hier kunnen we weer eens een wasje doen en morgen lekker bijkomen. Want verder is hier helemaal niets te doen.

Dag 50:

Zzzzzzz-gaap-zzzzz-spetter-spetter-smak-smak-slurp-zzzz-smak-smak-gaap-zzzzz-smak-smak-slurp-gaaap-zzzzzzz

Nomaden

Paradise is not a location. It is an attitude of the mind — Christopher Titmuss

Dag 40

We zijn weer op tijd op pad. Bij de Auberge in de tuin sliep het op zich prima, maar we hadden een erg vervelende lantaarnpaal naast de tent staan. Die had zo’n fel licht dat ik zelf met gesloten ogen zag dat hij aansprong en na 15 seconden weer uit. Dat gebeurde ongeveer elke minuut. Als je slaapt, dan heb je daar geen last van, maar als je wakker ligt, dan is dat heel vervelend. Maar los daarvan was het hier prima vertoeven.

We komen nu in een gebied waar de wegen kaarsrecht lopen. Vanuit Los Arcos kun je Torros del Rio zo’n beetje zien liggen.

’s Ochtends gaan we altijd eerst op zoek naar boodschappen voor de dag. Wat brood, kaas en worst. Dit moet op tijd want de vraag is wanneer we (weer) wat tegen komen. Daarnaast is alles gesloten tussen twaalf en vier. In de kleinere dorpjes moet je heel alert zijn op waar de winkel is, want je herkent hem vaak niet. Zo ook in Sansol. Ze hebben er van alles en je kunt er zelfs koffie drinken. Het is dan wel Senseo koffie, maar toch.

Veel van de dorpen zie je al van verre. Ze liggen op een heuvel in het landschap of gewoon een hoopje huizen bij elkaar. Vaak gecentreerd rond een kerk of een klooster of abdij. Dit is Torros del Rio waar we langs komen.

Logrono is eigenlijk de eerste grote Spaanse stad die we tegenkomen. Het doet me een beetje denken aan Madrid waar ik een half jaar heb gewerkt. Logrono is een mooie, welvarende stad. De gebouwen zien er netjes uit, er is weinig leegstand en er worden volop flats in de buitenwijken gebouwd. Logrono is nu de drukke hoofdstad van de Rioja, je kent het wel van de Spaanse wijn. We komen langs de Santa Maria de Palacio (uit de 13e eeuw) en wippen toch even naar binnen. Ook hier een overvloedige hoeveelheid goud. Als ooit de temperatuur gaat stijgen in Spanje, dan stroomt het goud hier van de muren in de straten en de goten. Je kunt de welvaart van een stad ook afmeten aan de parken. Wij komen door een mooi groen park waar de grasvelden ook overdag nog gesproeid worden. Leuke stad, dat Logrono.

Het nadeel van een grote stad is dat het er druk is en dat de wegen meer gericht zijn op de auto’s. Wij volgen een stuk de wandelweg die ons mooi de stad uit leidt en langs het stuwmeer. Het voordeel is dat hij lekker rustig is, maar we moeten er wel flink voor klimmen. Op zich niet erg, want dan heb je ook weer een afdaling.

In Navaretta houden we een lange stop. Daar komen we Ria ook weer tegen, die graag op zichzelf fietst. Het is weer ruim boven de 30 graden en dan heeft een terras in de schaduw met een koel drankje magnetische krachten. Wij doen dat in Navarrete waar we tegenover de monumentale kerk La Asunción zitten. Ook hier weer een partij goud waar the Pirates of the Carabean jaloers op zijn. Maar goed bewaakt door Jacobus. Wat je hier ook veel ziet is een liggend beeld van Jezus in een glazen kastje. Mensen raken die even aan. Waarschijnlijk een teken van devotie.

We eindigen vandaag op de camping in Najera. Deze ligt in een voormalige arena en het is een mooi plekje, ondanks dat de camping zelf behoorlijk gedateerd en verlopen is. In de super hebben we onze eigen tapas, wijn en bier gehaald. Zo brengen we een rustige avond door waar ik geen tijd heb voor het verslag. Als het donker wordt en de muggen de avond claimen, duiken we in de slaapzak. Het nomadenbestaan bevalt tot nu toe goed.

Dag 41:

Als we Navarreta verlaten zien we de grotwoningen nog liggen. Waarschijnlijk hebben hier vroeger mensen gewoond. Verder kan ik er niets van vinden op internet.

Vandaag is het vooral veel fietsen en er is niet zoveel te zien onderweg. Daarom zijn we blij als we een stenen puntmuts zien staan in het veld. Het blijkt een GuardaViñas te zijn. Een stenen hutje, specifiek uit dit gebied om te schuilen bij slecht weer.

De andere attractie van de dag fietst met ons mee. Mevr. van der Veeke heeft gisteren bij een Action-achtige winkel een sombrero gekocht voor €1,95. Daar heeft ze de bovenkant uit geknipt en  dit restant heeft ze op de fietshelm bevestigd. Zo heeft ze meer schaduw op het gezicht en hebben we bij elke stop aanspraak van de lokale bevolking. Het doet me denken aan een oude tv-serie van de vliegende non. Ik weet niet goed wat ik ervan moet denken. Is dit een geniale vondst waar iedereen straks mee fietst of denkt men dat ik met de dorpsgek uit Baflo op stap ben?

Santo Domingo de la Calzade is een grote plaats waar we doorheen komen. Hier maken we in een parkje in het centrum een boterhammetje. En dan kan gelijk de tent even drogen. Tijdens de siesta is het altijd erg rustig, dus niemand heeft last van ons.

Santo Domingo heeft ook weer een hoop geschiedenis. In de kerk wordt een levende haan en kip gehouden. Dit heeft te maken met een legende. Een familie met zoon was op reis naar Santiago. In dit stadje werd overnacht in een herberg en de dochter van de waard was niet vies van de zoon. Maar de zoon zag dat niet zitten, je bent tenslotte niet voor niets op weg naar Santiago. De dochter had wat moeite met deze afwijzing en verstopte haar tafelzilver in zijn tas om hem vervolgens van diefstal te beschuldigen. De straf daarvoor was ophangen en zo geschiedde. Vader en moeder helemaal in de mineur maar gaan toch –te voet- naar Santiago. Op de terugweg komen ze weer door Santo Domingo en de zoon blijkt daar nog steeds (uit) te hangen. En na zoveel weken aan de galg leeft hij ook nog. Pa en ma zoeken de rechter op die hun niet gelooft. Hij zegt dat de zoon net zo levend is als de gebraden kip op zijn bord. Blijkbaar was die niet goed aangebakken, want hij komt weer tot leven en vliegt weg. Grote consternatie, zoon krijgt pardon en een legende is geboren. Het laat mij wel met een hoop vraagtekens achter, maar daar denk ik nog over na.

Wij fietsen daarna met een grote boog naar Belorado om de drukkere N120 te vermijden. Er steekt een behoorlijke wind op en die hebben we tegen. Dit, in combinatie met de eindeloos lange wegen, brengt grote wanhoop bij me teweeg. Het is ronduit ploeteren. Ik geloof dat ik liever een steile berg op rijdt, dan dit. Want dan weet je dat je daarna een afdaling hebt. En bij tegen wind heb je niets wat je opbouwt. Ik zie het einde niet dichterbij komen en we doen over de 12 kilometers bijna anderhalf uur. Ik kom totaal gesloopt aan. Het voordeel is wel dat het door de wind niet te warm is. En we hebben vandaag een pension geboekt dus we hoeven geen tent op te zetten. Ria slaapt elders in de stad en zij zoekt een restaurant uit waar we voor €11 een culinair hoogstandje eten. Morgen is er regen voorspeld en zakt de temperatuur 15 graden. Ook dan gaan we de Tiera de Campos op, een soort hoogvlakte die bekend staat om zijn tegenwind. Ik hoop dat we daar niet teveel last van gaan krijgen.

Dag 42:

Geen wind maar wel regen, de hele nacht, en ook ’s ochtends regent het nog flink. We talmen wat omdat  we op een warme kamer zitten maar uiteindelijk moeten we er toch aan geloven. Ik heb weer vier lagen kleding aan, inclusief regenpak en regenschoenen. De temperatuur is 25 (!) graden lager dan gisteren en komt niet boven de 5 graden uit.
De route mijdt de drukke N120 en daar zijn we blij mee. We zitten er een stukje op en daar wordt je niet vrolijk van met al dat vrachtverkeer. En zeker niet in de regen. We kiezen een rustige weg door de groene Montes de Oca. Het is wel wat om maar dat hebben we er voor over.

De rest van de dag is het broek-uit-broek-aan weer. Je regent helemaal nat en je droogt weer op. Dan krijg je het in een klimmetje te warm, dus de regenbroek gaat uit. Niet snel daarna gaat het weer regenen en moet de regenbroek weer aan. Herhaal dit elk uur en je weet hoe onze dag eruit ziet.

Door de regen maak ik weinig foto’s en hebben we, behalve het landschap, weinig te zien. In San Juan de Ortega stoppen we even bij het klooster en de romaanse kerk. Meer om een broodje te eten dan om dit te bekijken.

Burgos is weer een grote stad. Ik heb een Airbnb geboekt op loopafstand van het centrum. We willen de kathedraal bekijken en een indruk van de stad krijgen. En dat lukt. Burgos is een stad met veel winkelstraten die autovrij zijn. Positief afwijkend van de andere (grotere) Spaanse steden die we gezien hebben. De kathedraal bekijken we via een bliksembezoek want het is bijna sluitingstijd. En dat is jammer want er is ontzettend veel te zien. We eten op authentieke Spaanse wijze in een tapasrestaurant. Je bestelt wat hapjes en drankjes aan de bar. Het is er erg druk met Spanjaarden en het eten is ook erg goed. Nu missen we alleen het avond-flaneren nog, want daar is het wat te koud voor vandaag.

Dag 43:

Het leuk van een Airbnd bij mensen thuis is dat je kunt zien hoe ze leven hier in Spanje. We zitten op een flatje, driehoog, bij Valerie. Ze heeft een heel klein woonkamertje, een keukentje en badkamer en drie slaapkamers. Daarvan verhuurt ze er twee. Omdat ze veel aan het werk is (als naaister), kunnen we het hele huis gebruiken. En vooral ’s ochtends is dat heel fijn. Zo kunnen we rustig opstaan en ontbijten. We vertrekken pas tegen tien uur. In Burgos gaan we langs de Decathlon want het gas is weer op. Ondanks dat het niet veel klimmen is, gaat het moeizaam vandaag. Daarom maken we er ook een relatief korte dag van.

Ik vraag me af wanneer je stopt om een toerist te zijn en een reiziger wordt. Bij de laatste gaat het meer om het onderweg zijn en minder om de dingen te zien. Ik heb het gevoel dat ik op het moment alleen maar ergens naartoe ga om er weer weg te kunnen gaan. Verder reizen lijkt belangrijker dan genieten van de dingen. De interesse voor de bezienswaardigheden is aan het afnemen. De zoveelste kerk met romaanse bogen en met goud bekleedt. En alweer een mooi landschap. Op een gegeven moment zie ik het niet meer en heb ik iemand anders nodig om te realiseren hoe bijzonder het is. Ik werkte in een prachtig gebouw maar ik had dat pas door als ik een bezoeker had die met open mond naar de prachtige (werk)omgeving zat te kijken. En eigenlijk is dat jammer, als de toerist in je verdwijnt. Er is nog zoveel moois te zien en het is goed je te blijven verwonderen. Mogelijk dat ook het slechtere weer van vandaag er invloed op had. En wat zeker meespeelt is de vermoeidheid. Als ik moe wordt, dan neem ik het allemaal niet meer op. Het is gewoon tijd voor een rustdag.

De landschappen waar we doorheen gaan, zijn prachtig. De geur van het land, het graan dat op de velden golft alsof het water is en de jubelende vogels. Door de afgelopen regen is het landschap kraakhelder en kunnen we heel ver kijken. Ondanks de vermoeidheid genieten we hier nog met straaltjes van.

Bij het naderen van Castrojirez rijden we onder de boog van het voormalige klooster van San Anton door. Het klooster is opgeheven en ze hebben de weg gewoon door de poort heen gelegd. Vroeger waren hier nissen waar ze brood en wijn voor late pelgrims neerlegden. De monniken waren goed in het bestrijden van de ziekte Antoniusvuur. Al in de 17e eeuw werd de orde opgeheven.

Castrojeriz ligt aan de voet van een heuvel met daarbovenop de restanten van een tempeliersburcht uit de 8e eeuw. De burcht heeft veel belegeringen doorstaan. Maar een aardbeving in 1755 was teveel en nu is het een ruïne.

Ik voel me al de hele dag niet goed. Duizelingen, rillingen en een knallende hoofdpijn. Ik denk dat ik gewoon griep heb. Goed dat we morgen een dagje rust nemen.

Dag 44:

De regen van de nacht heeft het tentje en de fietstassen weer lekker schoongespoeld. Het is hier nog steeds knap winderig. Westenwind, dus als we zouden gaan fietsen dan zouden we hem tegen hebben. Maar we gaan vandaag niet fietsen. Na een nacht koorts zou het ook een uitdaging worden. Het lijkt nu wat beter te gaan. Het lukt me zelfs om tot negen uur te blijven liggen.

Na het ontbijt lopen we even het dorp in. Het is ontzettend langgerekt (de hoofdstraat is twee kilometer lang) dus een flink stuk lopen. Maar het is fijn om even wat anders met de spieren te doen. Het is altijd al een belangrijke etappeplaats geweest van de camino. Vroeger had het acht hospitales, drie kloosters en zes kerken. Van de laatste zijn er nog drie over waaronder de Santa Maria del Manzano. Deze zie je prachtig liggen als je het dorp nadert.

Voor de rest zijn het wat verweerde straatjes en toch wel veel leegstand. Blijkbaar leveren de camino-gangers niet voldoende op om het complete dorp welvarend te houden. We zien wel dat de huizen langs de hoofdweg gerestaureerd en goed onderhouden zijn.

En wat ze hier hebben is nog een dorpsomroeper. Met een bel loopt ze door de straten. Als iemand het raam open doet, geeft ze de nieuwtjes door. We kunnen het niet precies verstaan maar we begrijpen wel dat Juan vandaag ziek is.

Het is lekker om een beetje bij te komen in de zon. De temperatuur is overigens niet zo hoog meer. Na de laatste hete dagen zitten we nu tussen de 10 en de 17 graden. En ’ s nachts ruim onder de tien. Ik slaap weer met een trui aan. Maar voor het fietsen is dit wel fijner dan de hitte. Als het goed is, draait de wind morgen. Een duwtje in de rug zou wel fijn zijn.

Zonnesteek

If you reject the food, ignore the customs, fear the religion and avoid the people, you might better stay at home – James Michener

Dag 36

We hebben het weer overleefd maar ik heb wel steeds gedoucht met het gordijn open. Je weet maar nooit. Vandaag lijkt het weer warmer te worden dan gisteren maar als we vertrekken ben ik blij dat ik mijn hemd en jasje nog aan heb. Beide gaan overigens gedurende de dag uit.
We halen wat pan en beleg en kunnen op stap. Voorlopig zitten we op de N240. Nog steeds niet heel druk maar wel regelmatig vrachtverkeer.
Berdun kun je niet missen zoals het op de heuvel ligt. Het schijnt een monument van middeleeuwse stedenbouw te zijn, maar wij kunnen de moed niet verzamelen om daar even omhoog te klimmen.

Verder verbazen we ons over de vreemde rotsformaties die hier zijn ontstaan. Het lijken wel gestort beton maar het is volkomen natuurlijk.

De N240 wordt op den duur vervangen door de nieuwe A21. Sommige stukken ervan zijn al klaar en dat haalt veel van het autoverkeer van de N240. De reden van de nieuwe weg is het stuwmeer van Yesa. Ze willen het peil ervan behoorlijk verhogen en dan komt de N240 onder water te staan. En niet alleen de weg, ook de dorpen en andere infrastructuur. Hiervoor werd de stuwdam verhoogd maar de berghelling blijkt te instabiel te zijn. Daarom wordt nu, vlak achter de bestaande, een nieuwe stuwdam gebouwd. Foutje, bedankt…

De route gaat wat op en neer en de zon brandt ongenadig op ons neer. Ik wist dat ik het zou gaan zeggen, maar had niet verwacht dat het zo snel zou zijn; Mag het ietsje koeler? Gelukkig krijgen we onderweg soms nog een aanmoediging. Het getal wordt steeds kleiner.

De zon en de klimmetjes van de afgelopen dagen doen ons besluiten om op tijd te stoppen. We hebben de afspraak om onze fietsvriendin Ria op zaterdag in Punta la Reina te ontmoeten. Dat is twee fietsdagen en we hebben er drie. Dus ook nog een rustdag. Die kunnen we op verschillende plekken nemen, maar we besluiten hem zo snel mogelijk te verzilveren. We zijn wel aan wat rust toe. In Sanguesa lijkt een leuke camping te zitten met een supermarkt vlakbij. Daarnaast is er in het dorpje genoeg te zien. We vinden een prachtig plekje op de camping en met deze temperaturen lijkt het net vakantie.

Dag 37

Vandaag even niet op de fiets. We liggen een half uurtje langer dan anders. Het is ’s ochtends nog even koel en de tent staat dan nog in de schaduw. Na het ontbijt gaan we even het stadje in. Het is een historisch pelgrimsstadje met wel drie kerken en twee kloosters. En een dag zonder kerken is een dag niet geleefd, dus we gaan er met frisse moed weer in.

De eerste kerk is de Santa Maria la Real uit de 12e eeuw. Ook hier weer een portaal met beeldhouwwerk. Toch is het het interieur dat onze monden laat openvallen. Zoveel bling-bling en zoveel reliëfschilderijen. En als topstuk een monstrans uit de 15e eeuw, een van de oudste in Spanje. Je kijkt je ogen uit. In de kerk zit een bejaarde man die me van alles probeert uit te leggen door met een lampje op onderdelen te schijnen. Ik knik en herhaal af en toe een woord. Ik versta er te weinig van maar hij is helemaal blij.

Het oogt inderdaad als een authentiek Spaans stadje. Veel oude gebouwen en ook de sfeer op straat is anders dan in Nederland. Men is meer op straat om het op straat zijn. In Nederland zijn we altijd onderweg ergens naartoe en hebben we nooit tijd. Wat ik ook leuk vind is de graffiti die ze op blinde muren hebben gemaakt. Zoveel boeiender dan een kale muur.

 De hoofdweg loopt dwars door het dorp en daar gaan we even doorheen. We drinken een bakkie koffie (1 euro) en er is een markt die als een magneet aan Mevr. van der Veeke trekt. Maar de afspraak is dat het in de tassen moet passen, dus uiteindelijk wordt er niets gekocht.

We kijken even bij de kloosters (die dicht zijn) en lopen dan langs de Santiagokerk (die wel open is). De Spanjaarden hebben het slim bekeken. Als je wat in de kerk wilt zien, dan heb je licht nodig. En dat krijg je door een euro in een kastje te gooien. Dan kun je vijf minuten kijken en dan gaat het weer uit. Ook de kaarsjes zijn elektronisch. Je gooit er een muntje in en dan floept een van de lampjes aan. Natuurlijk ook beter voor het milieu.

De Santiagokerk heeft Jacobus op de voorkant staan. En ook binnen is hij in de schilderingen te vinden, als je goed kijkt.

Vermoeid van zoveel kijk-inspanning lopen we terug naar de camping. Het is inmiddels alweer boven de 25 graden. Alleen in de schaduw is het een beetje uit te houden. Zo brengen we de rest van de dag door. Lunch, kopje thee, biertje en een goed boek. De supermarkt zit vlakbij dus voor ’s avonds halen we de ingrediënten voor een lekker maaltje. Het is lekker zo’n rustdag maar ik vind het ook weer fijn om morgen op de fiets te stappen.

Dag 38

De rustdag heeft ons goed gedaan, het fietsen gaat gemakkelijk vandaag, ondanks de flinke afstand en de hoogtemeters. Het landschap is afwisselend en mooi. We zitten op veel rustige wegen en er is genoeg te zien. Vanwege de warmte besluiten we eens te proberen een uurtje eerder weg te gaan. De wekker staat op 6 uur maar die horen we niet eens door het gekwetter van alle vogels. Voor 8 uur zitten we op de fiets. Het is nog heerlijk koel en rustig. Al vrij snel komen we bij de kloof van Lumbier. We gaan door een tunneltje dat pikkedonker is. De enige manier om er doorheen te komen is de zaklamp van de telefoon aan te zetten en te gaan lopen. Als we uit de tunnel komen, zien we een fantastisch landschap. De kloof is gevormd door het uitschuren van het water. Boven ons zien we de vale gieren zweven op de thermiek.

We passeren dorpjes als Indurain, Tabar, Turrilas en Ardanaz. De meeste liggen boven op heuvels. Voor ons een reden om er niet heen te gaan omdat de route al golvend genoeg is.

We gaan met een ruime boog onder Pamplona door. Ondanks dat we de kerken onderhand wel gezien hebben, kijken we toch even bij Santa Maria de Eunate, waar we langs komen. Het is een achthoekige kapel uit de 12e eeuw met 35 fijne boogjes. Van de oorsprong is weinig bekend. Een van de theorieën is dat de Tempeliers het gebouwd hebben. Een andere zegt dat bewoners van omliggende dorpjes het gebouwd hebben. Maakt niet uit, het is gewoon een sereen plekje waar het heerlijk toeven is in de schaduw.

Hierna voegen we ons bij de drukke route die van Saint Jean Pied de Porte komt. Dit merk je meteen. Drommen wandelaars bevolken de wegen. En ook de commercie is duidelijk anders. De camino is een industrie op zich. Maar het brengt ook een hoop gezelligheid met zich mee. Overal om je heen hoor je ‘Bon Camino’ en iedereen is even vriendelijk. Ons eindpunt van de dag is Puente la Reina. Het is een oud pelgrimsdorpje met een boogbrug over de Rio Arga, gebouwd voor de pelgrims op bevel van de koningin, waar het dorpje zijn naam aan ontleent.

Voor de camping moeten we een steil grindpad op. De enige keus is hier lopen en duwen. Bovenop is een camping en een auberge.  De camping heeft een mooi uitzicht over Puenta la Reina, een picknicktafel per plek en heel veel muggen per plek. We kunnen mee-eten bij de Auberge. Voor een tientje krijgen we een pelgrimsmenu dat ik alleen maar adequaat kan noemen.

Ondertussen heeft Ria zich bij ons gevoegd. Ondanks dat ze halfdood aankomt, zijn we blij met haar gezelschap. En ze heeft een pakketje voor ons meegenomen uit Nederland. Onze routeboekjes voor het traject na Lissabon en twee nieuwe fietskettingen. De laatste zet ik meteen op de fietsen, dan hoef ik ze niet mee te slepen. Ik hoop dat we hiermee onze reis kunnen uitfietsen. Het is best lang warm buiten, maar de vermoeidheid en de muggen lokken ons de tent in.

Dag 39

Het is al warm als we opstaan. Voor het eerst vertrek ik in korte broek en T-shirt. Voor Ria is het de eerste dag, dus die moet helemaal acclimatiseren.
Cirauqui is weer zo’n dorpje dat mooi op een heuvel ligt. Ook hier is weer een middeleeuwse boogbrug/Romaans kerkje/Pelgrimspleintje (* doorhalen wat niet van toepassing is), maar dat hebben we genoeg gezien, dus we laten het links liggen. Ondanks de weinig kilometers vandaag hebben we meer dan 600 hoogtemeters. Dat en een temperatuur van boven de 30 graden maakt het een inspannende dag.

In Estella (of Lizarra in het Baskisch, het is hier tweetalig, net als in Friesland) houden we een stop in de schaduw voor een boterham en een bakkie koffie. De laatste halen we bij een café want voor minder dan een euro zo’n lekker koffie is natuurlijk geen keus. Estella werd ook wel ‘Estella la Bella’ genoemd in de middeleeuwen. De pelgrims werden hier goed verzorgd en het water was helder. Ook nu is het nog een mooi plaatsje met kerken, paleizen, feesten en daverende stieren door de straten. Vandaag zijn het daverende fietsers want er is een wielerwedstrijd. Tijd voor ons om te vertrekken.

Iets verderop ligt het Monasterio de Irache. In 1050 konden pelgrims hier al terecht en de 12e-eeuwse kerk heeft twee kruisgangen die mooi gerestaureerd zijn. Het staat bekend om zijn Gregoriaanse gezangen. Maar dat boeit ons allemaal niet want er is hier een heuse wijnfontein!
Er zit hier ook een wijnbedrijf en die heeft voor de pelgrims twee kranen gemaakt. De ene tapt koud water en de andere rode wijn. Even overweeg ik hier de tent op te zetten, maar de dames willen verder.

Voor de rest ploeteren we ons in de hitte voort. Het mag voor mij wel een paar graden lager. Maar het landschap is prachtig, je ruikt de zoete geur van de brem en een verfrissend windje bij een afdaling maakt veel goed. Bij Los Arcos vinden we het welletjes. Bij een Auberge hebben ze een grasveldje waar je de tent op mag zetten. Dat doen we dan ook. Er is een automaat waar je voor €1 euro een blikje koud bier kan krijgen. Voor mij is dat bijna zo goed als een wijnfontein. Morgen zien we weer verder.